RECHTBANK HAARLEM Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer Procedurenummers: AWB 07/6036, 07/6174 en 07/6177 Uitspraakdatum: 12 juni 2009 Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gedingen tussen
(60)appartementsrechten, elk rechtgevend op het uitsluitend gebruik van een parkeerplaats, zulks voor een bedrag groot € (…). (…). A.2. De ondernemer en de verkrijger zijn een koop-/aannemingsovereenkomst aangegaan. (…). Blijkens de overeenkomst heeft de ondernemer de hierna onder B. te omschrijven appartementsrechten (onderdeel van het (…) project “D” te Z) verkocht aan de verkrijger voor een koopprijs groot € (…), inclusief overdrachtsbelasting. (…) De verkrijger heeft er genoegen mee genomen dat de hierna onder B. te omschrijven appartementsrechten niet door de ondernemer doch rechtstreeks door de gemeente aan hem worden geleverd. (…) Op grond van het vorenstaande draagt de ondernemer bij deze over aan de verkrijger, die aanvaardt, het recht op levering van de hierna te omschrijven appartementsrechten. (…). OMSCHRIJVING ONROERENDE ZAAK EN LEVERING B. Op grond van het voorgaande levert de gemeente bij deze aan de verkrijger, die in eigendom aanvaardt: 1. het appartementsrecht, rechtgevende – na het gereedkomen van het gebouw – op het uitsluitend gebruik van de appartementswoning met buitenruimte… (…) . 2. Het appartementsrecht, rechtgevende – na het gereedkomen van het gebouw – op het uitsluitend gebruik van de parkeerplaats (…). 3. Geschil en standpunten van partijen 3.1. Tussen partijen is thans uitsluitend nog in geschil of de verschuldigde overdrachtsbelasting moet worden verminderd op grond van artikel 13, eerste lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: Wbr) en zo ja, wat de omvang van die vermindering moet zijn. 3.2. Eisers voeren aan dat binnen zes maanden voorafgaand aan de juridische levering aan hen dezelfde goederen economisch geleverd waren aan een ander. Zij concluderen tot teruggaaf van teveel afgedragen overdrachtsbelasting. 3.3. Verweerder betwist dat er binnen zes maanden voor de verkrijging door eisers een economische eigendomsoverdracht heeft plaatsgevonden. Hij concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen. 4. Beoordeling van het geschil 4.1. Ingevolge artikel 13, eerste lid, Wbr wordt, in geval van verkrijging binnen zes maanden na een vorige verkrijging van dezelfde goederen door een ander,de waarde verminderd met het bedrag waarover ter zake van de vorige verkrijging was verschuldigd hetzij overdrachtsbelasting naar het gewone tarief welke niet in mindering heeft gestrekt van recht van successie, van schenking of van overgang, hetzij omzetbelasting welke in het geheel niet op grond van artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968 in aftrek kon worden gebracht. 4.2. Ingevolge artikel 2, tweede lid, Wbr, wordt voor de toepassing van deze wet onder verkrijging mede begrepen de verkrijging van de economische eigendom, wordt onder economische eigendom verstaan een samenstel van rechten en verplichtingen met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde onroerende zaken of rechten waaraan deze zijn onderworpen, dat een belang bij die zaken of rechten vertegenwoordigt, omvat het belang ten minste enig risico van waardeverandering en komt dat belang toe aan een ander dan de eigenaar of beperkt gerechtigde en wordt de verkrijging van uitsluitend het recht op levering niet aangemerkt als verkrijging van economische eigendom. 4.3. Aangezien een belastingverminderende omstandigheid aan de orde is, brengt een redelijke stelplicht- en bewijslastverdeling mee dat op eisers de stelplicht en bewijslast van de ter zake relevante feiten rust. Voor die verdeling van de stelplicht en bewijslast weegt de rechtbank mee dat verweerder zijnerzijds bij de voorbereiding van zijn besluiten nader onderzoek naar de verkrijging bij eerdere rechthebbenden op (rechten op
- de)onroerende zaken heeft verricht en eisers over de resultaten daarvan – met name de realisatieovereenkomst en de Aanvulling op de realisatieovereenkomst - beschikken. 4.4. Eisers hebben er primair op gewezen dat in de leveringsakten onder A.1 is vermeld dat de ondernemer “onder meer het recht op levering” heeft verworven van de appartementsrechten. Zij hebben aangevoerd dat uit het gebruik van de woorden “onder meer” kan worden opgemaakt dat tevens op dat moment het risico op waardeverandering op de ondernemer is overgegaan. De rechtbank kan eisers in die conclusie niet volgen. Uit de realisatieovereenkomst blijkt dat over en weer meerdere verplichtingen en rechten ontstaan voor de gemeente, de ontwikkelaar en de ondernemer, onder meer in verband met de planontwikkeling. Deze rechten en verplichtingen hebben niet evident betrekking op een belang bij (rechten
- op)onroerende zaken in de zin van artikel 2, tweede lid, Wbr, voornoemd. Eisers hebben niet gesteld welke andere rechten of verplichtingen, anders dan het recht op levering, de ondernemer zou hebben verworven die betrekking hebben op een belang op (rechten
- op)onroerende zaken, nog daargelaten dat de realisatieovereenkomst meer dan zes maanden voor de verkrijging door eisers is gesloten. 4.5. Eisers stellen voorts dat de ondernemer voorafgaande aan de verkrijging door hen reeds met bouwwerkzaamheden was begonnen en dat hij daardoor de macht verkreeg om als eigenaar over de onroerende zaken te beschikken. Die stelling hebben zij ter zitting onder overlegging van foto’s nader uitgewerkt door er op te wijzen dat er voorafgaande aan de verkrijging door hen reeds reclameborden bij en hekken rond het project door de ontwikkelaar/ondernemer waren geplaatst en dat reeds zou zijn begonnen met sloop van op het terrein aanwezige gebouwen. Indien al moet worden aangenomen dat die activiteiten hebben plaatsgevonden binnen zes maanden voor de verkrijging door eisers, hetgeen door verweerder gemotiveerd is betwist, kan daar nog niet uit worden afgeleid dat in die periode een samenstel van rechten en verplichtingen met betrekking tot onroerende zaken of rechten waaraan deze zijn onderworpen, dat een belang bij die zaken of rechten vertegenwoordigt, is overgegaan van de gemeente op de ontwikkelaar of op de ondernemer, gelijk artikel 2, tweede lid, Wbr stipuleert. Redengevend hiertoe is dat uit het plaatsen van borden en hekken en het aanvangen met sloopwerkzaamheden nog niet volgt dat (enig) risico op waardeverandering op dat moment is overgegaan. Voorts is gesteld noch gebleken dat zulks zou volgen uit de realisatieovereenkomst of uit de Aanvulling daarop. 4.6. Aangezien eisers geen andere feiten hebben gesteld die meebrengen dat in de zes maanden voor hun verkrijgingen van de appartementsrechten sprake was een economische eigendomsoverdracht, wordt niet voldaan aan de voorwaarden voor vermindering van de verschuldigde belasting ingevolge artikel 13, eerste lid, Wbr, voornoemd. 4.7. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard. 5. Proceskosten De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. 6. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 12 juni 2009 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. R.H.M. Bruin, voorzitter, mr.drs. M.C.C. van de Schepop en mr. E. Jochem, leden van de meervoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Kuik, griffier. Afschrift verzonden aan partijen op: De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm. Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep.