RECHTBANK HAARLEM Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer Procedurenummers: AWB 08/6470 en 08/7360 Uitspraakdatum: 15 juli 2009 Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen X N.V., gevestigd te Y, eiseres, gemachtigde: A en de inspecteur van de Belastingdienst te Q, verweerder. 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1.1. Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2002 tot en met 31 december 2002 met dagtekening 17 augustus 2007 een naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: LB/PVV) opgelegd van € 1.151.869, alsmede bij afzonderlijke beschikkingen een bedrag aan heffingsrente van € 209.616 en een boete van € 4.537. 1.1.2. Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2002 tot en met 31 december 2002 met dagtekening 14 november 2007 een naheffingsaanslag LB/PVV opgelegd van € 1.151.869, alsmede bij afzonderlijke beschikkingen een bedrag aan heffingsrente van € 209.616 en een boete van € 4.537. 1.2. Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 28 augustus 2008 de naheffingsaanslag en de boetebeschikking met dagtekening 14 november 2007 gehandhaafd en het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag met dagtekening 17 augustus 2007 niet-ontvankelijk verklaard. 1.3. Eiseres heeft tegen de uitspraken op bezwaar bij brief van 6 oktober 2008, ontvangen bij de rechtbank op 7 oktober 2008, beroep ingesteld. 1.4. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een op beide beroepen betrekking hebbend verweerschrift ingediend. Eiseres heeft voor de zitting nadere stukken ingediend die in afschrift zijn verstrekt aan verweerder. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2009. Namens eiseres zijn daar verschenen A, B en C. Namens verweerder zijn verschenen D en E. 2. Tussen partijen vaststaande feiten 2.1. Op 24 december 1998 zijn eiseres (waar de rechtbank mede onder begrijpt haar rechtsvoorganger Stichting X) en F onder andere een spelerscontract aangegaan waarin - voor zover hier van belang – het volgende is geregeld: “Artikel 5. Overige vergoedingen 5.1 (...) 5.2 Aan het einde van het contract, te weten op 1 juli 2004, ontvangt de speler een vergoeding van Hfl. 2.000.000,- netto, deze vergoeding zal ook worden uitbetaald indien de speler tussentijds mocht vertrekken. Bij tussentijds vertrek zal de vergoeding ook op 1 juli 2004 worden uitbetaald. 5.3 De netto bedragen in artikel 5.1. en 5.2. zijn gebaseerd op het huidige fiscale stelsel.” 2.2. F wenst in de loop van 1999 de overeenkomst met betrekking tot voornoemde ƒ 2.000.000 te wijzigen en de uitbetaling daarvan op een eerder tijdstip te laten plaatsvinden. Na overleg tussen partijen is eiseres bereid gedurende 5 jaren ƒ 400.000 in de vorm van een lening aan de speler te (doen) verstrekken. Op 9 december 1999 heeft eiseres F – voor zover van belang – daartoe het volgende voorstel gedaan: “Krediet f 2.000.000=, uit te betalen in 5 termijnen, rente 5,6% nominaal, te betalen per maand via salaris uitbetalen. Datum: 31-12-1999 f 400.000,= 31-12-2000 f 400.000,= 31-12-2001 f 400.000,= 31-12-2002 f 400.000,= 31-12-2003 f 400.000= ------------------------------ Totaal f 2.000.000, In geval van transfer stopt krediet. Reeds opgenomen krediet verrekenen. Einde contract verrekenen met rendement uit belegging. (…)” 2.3. Uiteindelijk komen eiseres en F op 5 januari 2000 in een “Tweede aanhangsel behorende bij spelers-/arbeidscontract d.d. 5 januari 2000” – voor zover van belang – het volgende overeen: “1 G B.V. verstrekt aan de speler een beleningskrediet van f1. 2 mln (gesplitst in 8 contracten à f1. 250.000 met de contractnummers [nummers]) op de voorwaarden H tegen een tarief van 4%; 2. I B.V. verstrekt aan de speler een 2e krediet met een maximum van f1. 2.000.000 uit te betalen in 5 jaarlijkse termijnen van f1. 400.000, ingaande 5 januari 2000 (en vervolgens op 31 december van ieder jaar), mits de speler alsdan steeds nog onder contract van X staat, dit ter dekking van de kredietbehoefte van de speler; 3. Koerswinsten, als ook mogelijke koersdalingen zijn voor rekening van de voetballer; 4. (...) 5. Artikel 5.2 zoals opgenomen in het spelerscontract van 24 december 1998 komt hiermee te vervallen; 6. (…);” 2.4. Op 5 januari 2000 worden 8 overeenkomsten tot aankoop en belening van een effectenportefeuille gesloten. Het gaat om de contracten met de nummers [nummers] van f 250.000 elk. Met de ondertekening van deze contracten sluit F met G B.V. en Stichting J een overeenkomst op grond waarvan een effectenportefeuille wordt aangekocht. Tevens wordt de belening van deze effectenportefeuille overeengekomen. Deze overeenkomsten hebben een vooraf vastgestelde looptijd en eindigen alle op dezelfde datum als het spelerscontract en het contract voor meerderjarige beroepsspelers, namelijk 1 juli 2004. 2.5. F geeft aan terug te willen komen op de hiervoor onder 2.3 en 2.4 genoemde overeenkomsten en treedt hierover in 2000 in overleg met eiseres. Op 15 december 2000 heeft K (de toenmalige gemachtigde van F), een brief aan eiseres gestuurd waarin – voor zover van belang – het volgende is opgenomen: “Tijdens de bespreking heeft de heer F aangegeven mogelijkheden te zien om alles terug naar het oude te brengen. Gaarne zouden wij van deze gelegenheid gebruik maken. Mijn cliënt zal de opgenomen gelden aan u terug storten. Het artikel 5.2 zoals opgenomen in het spelerscontract van 24 december 1998 wordt gerespecteerd.” 2.6. Op 10 januari 2001 heeft de heer L (de toenmalige penningmeester van eiseres) namens eiseres per brief gereageerd – voor zover van belang – als volgt: “U stelt in uw brief dat de heer L in dat gesprek zou hebben aangegeven mogelijkheden te zien om de oorspronkelijke situatie te herstellen. In deze zin heeft de heer L zich echter beslist niet uitgelaten en het is jammer dat u een dergelijke opmerking maakt. U schrijft dat de heer F zich niet bewust is geweest van de overeengekomen wijziging en zich met die wijziging ongelukkig zou voelen. Wij hebben het dossier nog eens goed geraadpleegd en moeten u zeggen dat wij deze opvatting van de heer F niet kunnen delen. Uw cliënt heeft zelf bij een tweetal gelegenheden, namelijk in mei 1999 en in december 1999 aangegeven, de uitbetaling van een bedrag van f 2.000.000,- aan het einde van zijn contract, naar voren te willen halen omdat hij direct over geld wilde beschikken. Zowel in mei als in december 1999 werd uw cliënt bij de besprekingen met X vergezeld en vertegenwoordigd door zaakwaarnemers. De in december 1999 getroffen regeling is geheel in overleg via diverse besprekingen met uw cliënt en zijn zaakwaarnemers tot stand gekomen en deze regeling werd destijds door uw cliënt perse gewenst. Op basis van deze regeling zijn en worden pakketten aandelen aangeschaft en zijn aan uw cliënt substantiële bedragen betaald. Het komt ons dan ook zeer onwaarschijnlijk voor dat uw cliënt zich niet bewust is geweest van de wijziging in zijn arbeidsovereenkomst. (...). Wij zullen ons derhalve houden aan de met uw cliënt gesloten nadere overeenkomst (...).“ 2.7. K voornoemd, heeft op 30 januari 2001 namens F een schriftelijke reactie gestuurd waarin – voor zover van belang – het volgende is opgenomen: “Het is jammer dat u zich niet meer kunt herinneren dat u heeft aangegeven de oorspronkelijke situatie te herstellen. Zowel uit mijn aantekeningen, alsmede uit de verklaring van de heer M blijkt dat u bij het begin van het gesprek heeft aangegeven de bestaande situatie terug te draaien indien alles zou worden terugbetaald. (...). Gezien het verloop van het gesprek zijn wij dan ook teleurgesteld dat u niet voornemens bent de situatie terug te draaien. (…)” 2.8. De onder 2.3 en 2.4 opgenomen overeenkomsten hebben uiteindelijk tot de beëindiging van de dienstbetrekking van F geen wijziging ondergaan. 2.9. In een niet-ondertekende brief van 26 februari 2001 van N (toenmalig directeur van eiseres) gericht aan F is – voor zover van belang – het volgende op genomen: “Eind mei 1999 vindt er een bijeenkomst plaats tussen voorzitter en penningmeester van X, F en zijn zaakwaarnemers O en P. Gesproken werd over het vervangen van het eerder genoemde artikel 5.2 door een andere systematiek waarbij je jaarlijks f 400.000 voorschot krijgt op een te behalen beleggingsresultaat. Dat is toen niet doorgegaan. Eind 1999 deel je mee dat je op basis van opnieuw geldgebrek alsnog de voorschotconstructie aangaan wilt. Eind december ‘99 vindt in het bijzijn van jouw zaakwaarnemer P die het hele gesprek in jouw eigen taal heeft vertaald alsnog een gesprek daarover plaats. De heer O was niet aanwezig bij dit gesprek en naar je later liet weten wilde je ook niet dat deze FIFA-agent jou nog vertegenwoordigde. Slechts P zou jou nog vertegenwoordigen. (…) Het is vanuit mijn visie als directeur van X dat de laatst gesloten overeenkomsten natuurlijk volledig nagekomen zullen worden, hetgeen impliceert dat in ieder geval de vervanging van artikel 5.2 en de jaarlijkse uitkering van f 400.000 voorschot op basis van beleggingsresultaat zullen worden voortgezet” 2.10. F en eiseres hebben besloten tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2002 over te gaan. Op 16 september 2002 hebben zij een overeenkomst gesloten waarbij is afgesproken dat F een afkoopsom krijgt van € 384.866,93 bruto en dat eiseres de (in de hiervoor onder 2.3 en 2.4 genoemde overeenkomsten opgesomde) leningen, inclusief de opgebouwde rente, als ook de aandelenportefeuille zal overnemen. F wordt gevrijwaard voor alle financiële en fiscale gevolgen voortvloeiende uit zowel de leningen, inclusief opgebouwde rente, als ook uit de aandelenportefeuille. De verplichtingen van F worden ook op 16 september 2002 door I B.V. overgenomen. 2.11. Eiseres berekent het voordeel voor F uit de op 16 september 2002 gesloten overeenkomst op € 1.004.668,62. Dat bedrag heeft eiseres in de loonslip van oktober 2002 verwerkt als netto loon. 2.12. Eiseres heeft de in september 2002 betaalde afkoopsom en het voordeel uit de overname van de aandelenportefeuille als volgt verwerkt in de aangiften loonheffingen september en oktober 2002. Aangifte Loonheffing Loonheffing Loonheffing afkoopsom overname totaal aandelenlease september 2002 € 135.929 0 € 135.929 oktober 2002 € 63.814 € 1.086.763 € 1.150.577 ------------------------------------------------------------------------- totaal LH € 199.743 € 1.086.763 € 1.286.506 2.13. Eiseres heeft over het tijdvak oktober 2002 aangifte gedaan van € 1.462.112 en € 885.305 afgedragen. Verweerder heeft voor het verschil ad € 576.807 een naheffingsaanslag opgelegd. Eiseres heeft tegen de aangifte over het tijdvak oktober 2002 een bezwaarschrift ingediend als ook tegen de naheffingsaanslag over het tijdvak oktober 2002. Eiseres is namelijk van mening dat op de afkoopsom en de overname van de aandelenportefeuille de 30%-regeling van toepassing is. 2.14. Verweerder merkt over het verdere verloop van de behandeling van de bezwaarschriften in het verweerschrift het volgende op: “Wanneer de inspecteur uitspraak doet op deze bezwaarschriften, stelt hij zich op het standpunt dat: - de 30%-regeling niet van toepassing is, omdat deze desbetreffende voordelen niet behoren tot loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en daarmee niet tot de grondslag voor de 30%-regeling; - zowel de afkoopsom, als het voordeel terzake van de overname van de aandelenlease, zijn genoten in september 2002 en daarom ten onrechte in de aangifte loonheffingen over het tijdvak oktober zijn verwerkt. Bij uitspraak op bezwaar berekent de inspecteur de over het tijdvak oktober 2002 verschuldigde loonheffing als volgt: Aangifte Oktober 2002 Aangegeven loonheffing € 1.462.112 Loonheffing ter zake van overnameaandelenlease € 1.086.763 -/- ------------------- Resteert € 375.349 Het is de inspecteur op dat moment niet duidelijk dat in de aangifte van oktober 2002 ook een deel van de loonheffing is begrepen, die betrekking heeft op de — in september 2002 aan F betaalde — afkoopsom (een bedrag van € 63.814). Bij de ambtshalve vaststelling van de over het tijdvak oktober 2002 verschuldigde loonheffing houdt hij daarmee dan ook geen rekening. Belanghebbende gaat tegen de uitspraak van de inspecteur in beroep. Het Gerechtshof Amsterdam oordeelt in zijn uitspraak van 8 november 2006 (bijlage 36) onder meer over het in de aangifte loonheffing over het tijdvak oktober 2002 begrepen bedrag van € 63.814 aan loonheffing. Dit is de loonheffing die extra verschuldigd is over de bruto afkoopsom als de 30%-regeling daarop niet van toepassing is. Omdat volgens het Gerechtshof te Amsterdam aannemelijk is dat deze — in de aangifte over het tijdvak oktober 2002 begrepen — belasting betrekking heeft op het tijdvak september 2002, moet de over het tijdvak oktober 2002 verschuldigde loonheffing met dit bedrag worden verminderd. Op 27 juli 2007 heeft de inspecteur de over het tijdvak oktober 2002 verschuldigde loonheffing ambtshalve verminderd met € 63.814 (bijlage 37).” 2.15. Verweerder heeft ambtshalve op 28 juni 2004 de verschuldigde loonheffing over het tijdvak oktober 2002 verminderd tot op € 375.349. Na de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam (nr. 04/02950) van 8 november 2006 heeft verweerder op 27 juli 2007 de verschuldigde loonheffing over het tijdvak oktober 2002 verder verminderd met € 63.814 tot op € 311.535. 2.16. Het resultaat van de verminderingen, voor zover die zien op de afkoopsom en de overname van de aandelenportefeuille, is dan als volgt: Aangifte Loonheffing Loonheffing Loonheffing afkoopsom overname totaal aandelenlease september 2002 € 135.929 0 € 135.929 oktober 2002 0 0 0 ------------------------------------------------------------------------- totaal LH € 135.929 0 € 135.929 2.17. Het gerechtshof Amsterdam (nr. 04/02949) heeft op 8 november 2006 voorts beslist dat het in 1998 aan F toegekende recht op de vergoeding van ƒ 2.000.000, zoals vermeld onder 2.1, kwalificeert als een aanspraak die in 1998 tot het loon dient te worden gerekend. 2.18. Verweerder heeft op 21 mei 2007 een voornemen tot het opleggen van een naheffingsaanslag over het tijdvak van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2002 aan eiseres verstuurd. Verweerder heeft daarin vermeld voornemens te zijn een naheffingsaanslag van € 1.151.869 op te zullen leggen. 2.19. Nadat een bespreking tussen partijen niet heeft geleid tot gewijzigde inzichten heeft verweerder op 27 juni 2007 de aankondiging tot opleggen van de naheffingsaanslag verstuurd en daarbij een verzuimboete van 10% met een maximum van € 4.537 op grond van artikel 67c Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) aangekondigd. 2.20. Met dagtekening 17 augustus 2007 heeft verweerder aan eiseres de aangekondigde naheffingsaanslag LB/PVV opgelegd van € 1.151.869 enkelvoudige belasting met aanslagnummer 28.31.958.A01.250.0 en verzonden aan X N.V., a-straat 1, Y. Eiseres was echter inmiddels verhuisd naar b-straat 2, Y. De naheffingsaanslag is onbestelbaar retour gekomen bij verweerder. 2.21. Na contact met de ontvanger van de Belastingdienst is eiseres op 26 oktober 2007 via een fax op de hoogte gesteld van het bestaan van de naheffingsaanslag. De fax betreft een print uit het invorderingssysteem van de ontvanger. Verweerder heeft eiseres niet opnieuw voornoemde naheffingsaanslag gestuurd, maar verweerder heeft met dagtekening 14 november 2007 een overigens gelijkluidende naheffingsaanslag LB/PVV met hetzelfde aanslagnummer [nummer] verzonden naar het juiste adres van eiseres. Deze naheffingsaanslag heeft eiseres wel ontvangen. 2.22. De grondslag van de naheffingsaanslagen ad € 1.151.869 betreft een netto voordeel ter zake van overname van leningen en een aandelenportefeuille ad € 1.004.668 enerzijds en een afkoopsom van € 384.866 anderzijds, beide in september 2002 genoten. 2.23. Verweerder heeft de in aanmerking te nemen verschuldigde LB/PVV in het verweerschrift als volgt berekend: “Grondslag tarief LH loonheffing afkoopsom 384.866 52% 200.130 voordeel uit overname aandelenlease 1.004.668 108,30% 1.088.055 + --------------- totaal verschuldigde loonheffing 1.288.186 reeds op aangifte afgedragen 135.929 -/- ------------- op aanslag verschuldigde loonheffing 1.152.257” 3. Geschil 3.1. Tussen partijen is in geschil of er een rechtsgrond bestaat voor het opleggen van de naheffingsaanslag van 14 november 2007 nu over hetzelfde tijdvak reeds een naheffingsaanslag met dagtekening 17 augustus 2007 was vastgesteld die nog niet was bekendgemaakt. Bij bevestigende beantwoording is tussen partijen in geschil of de naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2002 tot en met 31 december 2002 met daarin begrepen een bedrag aan verschuldigde LB/PVV van € 509.956 terecht is opgelegd, nu eiseres dit bedrag reeds over het tijdvak oktober 2002 had afgedragen en verweerder de LB/PVV over het tijdvak oktober 2002 ambtshalve heeft verminderd en aan eiseres het bedrag van € 509.956 heeft terugbetaald. Tot slot is in geschil of in 2002 loonheffing is verschuldigd over het voordeel dat F genoot door de overname door eiseres van de leningen en (het verlies
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.