← Nederland

ECLI:NL:RBHAA:2010:BM7059

RECHTBANK AMSTERDAM Sector Strafrecht Nevenvestiging Haarlem Meervoudige strafkamer Parketnummer: 13/077040-04 Uitspraakdatum: 8 juni 2010 Strafvonnis Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 13 en 15 juli 2009, 1 september 2009, 18 en 21 januari 2010, 29 en 30 maart 2010, 6, 8, 9, 12, 13, 15, 19, 20 en 27 april 2010, 10, 11, 18, 20 en 25 mei 2010 in de zaak tegen: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1957 te [geboorteplaats], domicilie kiezende te (1017 VV) Amsterdam, Falckstraat 15-29, ten kantore van mrs. B.L.M. Ficq en M.E. van der Werf, advocaten. 1. Tenlastelegging Aan verdachte is, na wijziging(

  1. en)van de tenlastelegging, tenlastegelegd dat: 1. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 december 2002 tot en met 31 januari 2004, te Amsterdam en/of Rotterdam en/of/althans (elders) in Nederland en/of in Zwitserland en/of op de Kanaaleilanden (zijnde Kroonbezit van het Verenigd Koninkrijk) en/of op de Nederlandse Antillen, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, althans zich schuldig heeft gemaakt aan schuldwitwassen, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(
  2. s)op of omstreeks (één of meer van) de navolgende tijdstippen (telkens) één of meer hierna te noemen geldbedragen tot een totaalbedrag van (ongeveer) EUR 17.068.165,-, in elk geval (telkens) van één of meer hierna te noemen geldbedragen, althans enig geldbedrag, verworven en/of voorhanden gehad, te weten één of meer van de navolgende geldbedragen: 1. een geldbedrag van (ongeveer) EUR 3.176.461,50 (ontvangen op of omstreeks 30 december 2002) en/of 2. een geldbedrag van (ongeveer) EUR 1.361.340,60 (ontvangen op of omstreeks 10 januari 2003) en/of 3. een geldbedrag van (ongeveer) EUR 3.400.000,-- (ontvangen op of omstreeks 28 februari 2003) en/of 4. een geldbedrag van (ongeveer) EUR 1.500.000,-- (ontvangen op of omstreeks 14 maart 2003) en/of 5. een geldbedrag van (ongeveer) EUR 900.000,-- (ontvangen op of omstreeks 2 april 2003) en/of 6. een geldbedrag van (ongeveer) EUR 450.000,-- (ontvangen op of omstreeks 23 april 2003) en/of 7. een geldbedrag van (ongeveer) EUR 1.499.920,28 (ontvangen op of omstreeks 27 mei 2003) en/of 8. een geldbedrag van (ongeveer) EUR 2.800.000,-- (ontvangen op of omstreeks 26 juni 2003) en/of 9. een geldbedrag van (ongeveer) EUR 400.000,-- (ontvangen op of omstreeks 21 juli 2003) en/of 10. een geldbedrag van USD 2.000.000 (zijnde of vertegenwoordigende een (tegen)waarde van (ongeveer) EUR 1.580.373,37) (ontvangen op of omstreeks 7 januari 2004), zulks (telkens) terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(
  3. s)wist(en), althans redelijkerwijs moest(
  4. en)vermoeden, dat die/dat geldbedrag(
  5. en)geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf; 2. hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 6 april 2000 tot en met 03 december 2003, te Amsterdam, in elk geval in Nederland, en/of te Zürich, in elk geval in Zwitserland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een Overeenkomst inzake een Zekerheidsstelling (getiteld 'Escrow Agreement'), gedateerd 6 april 2000, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(
  6. s)in strijd met de waarheid a. die Overeenkomst gedateerd op 6 april 2000, terwijl in die Overeenkomst een Rekening voor de Zekerheidsstelling (getiteld 'Escrow Account') met nummer [rekeningnummer] is vermeld, die/dat op deze datum nog niet bestond en/of was geopend, en/of b. in die Overeenkomst opgenomen - zakelijk weergegeven - dat de bankrekening met nummer [rekeningnummer] een Rekening voor de Zekerheidsstelling (getiteld 'Escrow Account') betreft die gesteld is ten name van de vennootschap [bedrijf A], terwijl die rekening in werkelijkheid een privé-rekening van hem, verdachte, was, en/of c. in die Overeenkomst opgenomen - zakelijk weergegeven - dat de vennootschap [koper], zijnde de koper van de aandelen van de vennootschap [bedrijf B], een deel van de koopprijs van [bedrijf B], te weten een geldbedrag van (ongeveer) NLG 75.000.000,= (tegenwaarde: EUR 34.033.516,21) schuldig is aan de vennootschap [bedrijf A], zijnde de verkoper van de aandelen van de vennootschap [bedrijf B], en/of dat het verschuldigde geldbedrag onverwijld na het ondertekenen van die Overeenkomst diende te worden overgemaakt naar de Rekening voor de Zekerheidsstelling, en/of dat de Union Bank of Switserland AG als Agent voor de Zekerheidsstelling in zes termijnen van mei 2001 tot en met februari 2006 betalingen vanuit de Rekening voor de Zekerheidsstelling zou doen door storting op de rekening met nummer [rekeningnummer 2] ten name van de verkoper [bedrijf A], terwijl [bedrijf A] en/of hij, verdachte, in werkelijkheid de gehele koopprijs reeds had(den) ontvangen, en/of d. in die Overeenkomst opgenomen - zakelijk weergegeven - dat de bankrekening met nummer [rekeningnummer 2] gesteld is ten name van de vennootschap [bedrijf A], zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken; 3. hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de maand december 2003, te Amsterdam en/of Maarssen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(
  7. en)wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de SNS bank heeft bewogen tot het aangaan van een geldleningovereenkomst van (ongeveer) EUR 1.500.000,= en/of tot de afgifte van een geldbedrag van (ongeveer) EUR 1.500.000,=, in elk geval van enig geldbedrag, hebbende verdachte en/of zijn mededader(
  8. s)toen aldaar (telkens) met het hiervoor omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid ter verkrijging van voornoemde geldlening (informatie uit) een vals of vervalst geschrift, te weten een Overeenkomst inzake een Zekerheidsstelling (getiteld 'Escrow Agreement'), gedateerd 6 april 2000, verstrekt en/of toegezonden en/of overgelegd, waaruit zou moeten blijken dat hij, verdachte, althans de vennootschap [bedrijf A] waartoe hij gerechtigd was, in totaal (ongeveer) NLG 75.000.000,=, althans op dat moment nog (ongeveer) NLG 44.100.000,=, zou ontvangen ter zake van de verkoop van de aandelen van de vennootschap [bedrijf B], terwijl dat in werkelijkheid niet het geval was, waardoor de SNS bank werd bewogen tot het aangaan van die geldleningovereenkomst en/of tot bovenomschreven afgifte; 4. hij in of omstreeks de periode van 14 december 2001 tot en met 16 februari 2006, te Amsterdam en/of Maarssen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een of meer voorwerpen, te weten een of meer aandelen in de [bedrijf C] heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, zulks terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(
  9. s)wist(en), dan wel redelijkerwijs moest(
  10. en)vermoeden, dat die/dat voorwerp(
  11. en)geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren/was uit enig misdrijf; 5. ([adres 1]) [bedrijf D] en/of [bedrijf E] en/of [bedrijf F] op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2001 tot en met 16 juli 2007 te Maarssen en/of elders in Nederland, (telkens) als degene(
  12. n)die ingevolge de Belastingwet (artikel 47 Algemene Wet inzake rijksbelastingen) verplicht waren/was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of (andere) gegevensdragers en/of de inhoud daarvan, opzettelijk deze in valse en/of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar hebben/heeft gesteld, immers hebben/heeft [bedrijf D] en/of [bedrijf E] en/of [bedrijf F] opzettelijk een of meer factu(u)r(
  13. en)en/of de administratie waarin een of meer facturen zijn verwerkt aan controleambtena(a)r(
  14. en)van de Belastingdienst beschikbaar gesteld (D47a, D48a, D49a, D50a, D51a, D52a, D53, D54a, D55a) in welke factu(u)r(
  15. en)en/of de administratie waarin een of meer facturen zijn verwerkt in strijd met de werkelijkheid de indruk wordt gewekt dat deze zien/ziet op (een) verbouwing van en/of investering(
  16. en)in en/of onderhoudskosten aan een (bedrijfs)pand van een of meer van voornoemde bedrijven terwijl dit een verbouwing van en/of investering(
  17. en)in en/of onderhoudskosten aan een ander (woon)pand, te weten [adres 1] te Amsterdam betrof(fen), en/of [bedrijf D] en/of [bedrijf E] en/of [bedrijf F] op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2001 tot en met 10 november 2001 te Maarssen en/of Utrecht en/of elders in Nederland, (telkens) opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(
  18. n)voor de omzetbelasting voor het tweede kwartaal 2001 (D172) en/of het derde kwartaal 2001 (D146) en/of september 2001 (Dl 55), onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft/hebben [bedrijf D] en/of [bedrijf E] en/of [bedrijf F] opzettelijk op die/dat door de inspecteur der belastingen en/of de Belastingdienst (te Utrecht) uitgereikte en/of bij deze ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting (telkens) de omzetbelasting van (een) factu(u)r(
  19. en)betreffende (een) verbouwing van en/of investering(
  20. en)in en/of onderhoudskosten aan een woonpand ([adres1] te Amsterdam) als voorbelasting geclaimd ten behoeve van een of meer van voornoemde bedrij(f)(ven), en/of ([adres 2]) [bedrijf G] en/of [bedrijf F] en/of [bedrijf H] op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 maart 2001 tot en met 16 juli 2007, te Maarssen en/of elders in Nederland, (telkens) als degene(
  21. n)die ingevolge de Belastingwet (artikel 47 Algemene wet inzake rijksbelastingen) verplicht waren/was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of (andere) gegevensdragers en/of de inhoud daarvan, opzettelijk deze in valse en/of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar hebben/heeft gesteld, immers heeft/hebben [bedrijf G] en/of [bedrijf F] en/of [bedrijf H] opzettelijk een of meer factu(u)r(
  22. en)en/of de administratie waarin een of meer facturen zijn verwerkt, aan controleambtena(a)r(
  23. en)van de Belastingdienst beschikbaar gesteld (D85a, D85a1, D86a, D87a, D88a, D89a, D92a, D93a, D94a, D95a, D144a) in welke facturen en/of in welke administratie in strijd met de werkelijkheid de indruk wordt gewekt dat deze zien/ziet op (een) verbouwing van en/of investering(
  24. en)in en/of onderhoudskosten aan een (bedrijfs)pand van een of meer van voornoemde bedrijven terwijl deze facturen (deels) betrekking hebben op een verbouwing van en/of investering(
  25. en)in en/of onderhoudskosten aan een ander (woon)pand, te weten [adres 2] te Amsterdam betrof(fen), en/of [bedrijf G] en/of [bedrijf F] en/of [bedrijf H] op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2001 tot en met 1 november 2004 te Maarssen en/of Utrecht en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, (telkens) opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(
  26. n)voor de omzetbelasting voor het tweede kwartaal 2001 (D172) en/of vierde kwartaal 2001 (D150) en/of het eerste kwartaal 2002 (D151) en/of het tweede kwartaal 2002 (D169) en/of het vierde kwartaal 2002 (D/153) en/of het eerste kwartaal 2003 (D154) en/of september 2004 (D168), onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft/hebben [bedrijf G] en/of [bedrijf F] en/of [bedrijf H], opzettelijk op die/dat door de inspecteur der belastingen en/of de Belastingdienst (te Utrecht en/of Rotterdam) uitgereikte en/of bij deze ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting (telkens) de omzetbelasting van (een) factu(u)r(
  27. en)betreffende (een) verbouwing van en/of investering(
  28. en)in en/of onderhoudskosten aan een woonpand ([adres 2] te Amsterdam) als voorbelasting geclaimd ten behoeve van een of meer van voornoemde bedrij(f)(ven), en/of ([adres 3]) [bedrijf E] en/of [bedrijf D] op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 maart 2006 tot en met 16 juli 2007, althans in of omstreeks de periode van 1 april 1999 tot en met 16 juli 2007 te Maarssen en/of elders in Nederland, (telkens) als degene(
  29. n)die ingevolge de Belastingwet (artikel 47 Algemene wet inzake rijksbelastingen) verplicht waren/was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of (andere) gegevensdragers en/of de inhoud daarvan, opzettelijk deze in valse en/of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar hebben/heeft gesteld, immers heeft/hebben [bedrijf E] en/of [bedrijf D] opzettelijk een of meer factu(u)r(en)en/of de administratie waarin een of meer facturen zijn verwerkt aan controleambtena(a)r(
  30. en)van de Belastingdienst beschikbaar gesteld (D5) in welke factu(u)r(
  31. en)en/of de administratie waarin een of meer facturen zijn verwerkt in strijd met de werkelijkheid de indruk wordt gewekt dat deze zien/ziet op (een) verbouwing van en/of investering(
  32. en)in en/of onderhoudskosten aan een (bedrijfs)pand van een of meer van voornoemde bedrijven terwijl dit een verbouwing van en/of investering(
  33. en)in en/of onderhoudskosten aan een ander (woon)pand, te weten [adres 3] te Baambrugge betrof(fen), en/of [bedrijf E] en/of [bedrijf D] op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 1999 tot en met 1 maart 2000 te Maarssen en/of Utrecht en/of elders in Nederland, (telkens) opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene Wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(
  34. n)voor de omzetbelasting voor het tweede kwartaal 1999 (Dl 72) en/of het vierde kwartaal 1999 (Dl 72), onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft/hebben [bedrijf E] en/of [bedrijf D], opzettelijk op die/dat door de inspecteur der belastingen en/of de Belastingdienst (te Utrecht) uitgereikte en/of bij deze ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting (telkens) de omzetbelasting van (een) factu(u)r(
  35. en)betreffende (een) verbouwing van en/of investering(
  36. en)in en/of onderhoudskosten aan een woonpand ([adres 3] te Baambrugge) als voorbelasting geclaimd ten behoeve van een of meer van voornoemd(
  37. e)bedrij(f)(ven), en/of ([adres 4]) [bedrijf F] op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2002 tot en met 16 juli 2007 te Maarssen en/of elders in Nederland, (telkens) als degene(
  38. n)die ingevolge de Belastingwet (artikel 47 Algemene Wet inzake rijksbelastingen) verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of (andere) gegevensdragers en/of de inhoud daarvan, opzettelijk deze in valse en/of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar heeft gesteld, immers heeft [bedrijf F] opzettelijk een of meer factu(u)r(
  39. en)en/of de administratie waarin een of meer facturen zijn verwerkt aan controleambtena(a)r(
  40. en)van de Belastingdienst beschikbaar gesteld (D56b, D57b, D58b, D59b, D60b, D61b, D62b, D63b, D64b, D65b, D66b, D67b, D68b, D69b, D70b, D71b, D72b, D73b, D74b) in welke factu(u)r(
  41. en)en/of de administratie waarin een of meer facturen zijn verwerkt in strijd met de werkelijkheid de indruk wordt gewekt dat deze zien/ziet op (een) verbouwing van en/of investering(
  42. en)in en/of onderhoudskosten aan een (bedrijfs)pand van een of meer van voornoemde bedrijven terwijl dit een verbouwing van en/of investering(
  43. en)in en/of onderhoudskosten aan een ander (woon)pand, te weten [adres 4] te Den Bosch betrof(fen), en/of [bedrijf F] op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2002 tot en met 1 juni 2004 te Maarssen en/of Utrecht en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, (telkens) opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(
  44. n)voor de omzetbelasting voor september 2002 (Dl56) en/of december 2002 (Dl57) en/of februari 2003 (Dl58) en/of maart 2003 D159) en/of april 2003 (D160) en/of mei 2003 (D161) en/of juni 2003 (D162) en/of juli 2003 (D163) en/of augustus 2003 (D164) en/of oktober 2003 (D165) en/of november 2003 (D166) en/of april 2004 (Dl67), onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft [bedrijf F] opzettelijk op die/dat door de inspecteur der belastingen en/of de Belastingdienst (te Utrecht en/of Rotterdam) uitgereikte en/of bij deze ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting (telkens) de omzetbelasting van (een) factu(u)r(
  45. en)betreffende (een) verbouwing van en/of investering(
  46. en)in en/of onderhoudskosten aan een woonpand ([adres 4] te Den Bosch) als voorbelasting geclaimd ten behoeve van een of meer van voornoemde bedrij(f)(ven), en/of ([adres 5]) [bedrijf E] en/of [bedrijf D] en/of [bedrijf I] op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2000 tot en met 16 juli 2007, te Maarssen en/of elders in Nederland, (telkens) als degene(
  47. n)die ingevolge de Belastingwet (artikel 47 Algemene wet inzake rijksbelastingen) verplicht waren/was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of (andere) gegevensdragers en/of de inhoud daarvan, opzettelijk deze in valse en/of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar hebben/heeft gesteld, immers heeft/hebben [bedrijf E] B.V, en/of [bedrijf D] en/of [bedrijf I] opzettelijk een of meer factu(u)r(
  48. en)en/of de administratie waarin een of meer facturen zijn verwerkt aan controleambtena(a)r(
  49. en)van de Belastingdienst beschikbaar gesteld (D32a, D34a, D35a, D36a, D37a, D38a, D39a, D44a) in welke factu(u)r(
  50. en)en/of de administratie waarin een of meer facturen zijn verwerkt in strijd met de werkelijkheid de indruk wordt gewekt dat deze zien/ziet op (een) verbouwing van en/of investering(
  51. en)in en/of onderhoudskosten aan een (bedrijfs)pand van een of meer van voornoemde bedrijven terwijl dit een verbouwing van en/of investering(
  52. en)in en/of onderhoudskosten aan een ander (woon)pand, te weten [adres 5] te Amstelveen betrof(fen ), en/of [bedrijf E] en/of [bedrijf D] en/of [bedrijf I] op één of meer tijdstip(
  53. en)in of omstreeks de periode van 1 oktober 2000 tot en met 1 oktober 2002 te Maarssen en/of Utrecht en/of elders in Nederland, (telkens) opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(
  54. n)voor de omzetbelasting voor het vierde kwartaal 2000 (D172) en/of tweede kwartaal 2001 (D172) en/of derde kwartaal 2001 (D146) en/of vierde kwartaal 2001 (D147) en/of eerste kwartaal 2002 (D148) en/of vierde kwartaal 2002 (D149) en/of augustus 2001 (D170) en/of juli 2002 (D172), onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft/hebben [bedrijf E] en/of [bedrijf D] en/of [bedrijf I], opzettelijk op die/dat door de inspecteur der belastingen en/of de Belastingdienst (te Utrecht) uitgereikte en/of bij deze ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting (telkens) de omzetbelasting van (een) factu(u)r(
  55. en)betreffende (een) verbouwing van en/of investering(
  56. en)in en/of onderhoudskosten aan een woonpand ([adres 5] te Amstelveen) als voorbelasting geclaimd ten behoeve van een of meer van voornoemde bedrij(f)(ven), en/of (Londen) [bedrijf I] op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 16 juli 2007 te Maarssen en/of elders in Nederland, (telkens) als degene(
  57. n)die ingevolge de Belastingwet (artikel 47 Algemene Wet inzake rijksbelastingen) verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of (andere) gegevensdragers en/of de inhoud daarvan, opzettelijk deze in valse en/of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar heeft gesteld, immers heeft [bedrijf I] opzettelijk een of meer factu(u)r(
  58. en)en/of de administratie waarin een of meer facturen zijn verwerkt aan controleambtena(a)r(
  59. en)van de Belastingdienst beschikbaar gesteld (D124) in welke factu(u)r(
  60. en)en/of de administratie waarin een of meer facturen zijn verwerkt in strijd met de werkelijkheid de indruk wordt gewekt dat deze zien/ziet op (een) verbouwing van en/of investering(
  61. en)in en/of onderhoudskosten aan een (bedrijfs)pand van een of meer van voornoemde bedrijven terwijl dit een verbouwing van en/of investering(
  62. en)in en/of onderhoudskosten aan een ander (woon)pand in Londen betrof(fen), en/of [bedrijf I] op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 1 oktober 2003 te Maarssen en/of Utrecht en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, (telkens) opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(
  63. n)voor de omzetbelasting voor januari 2002 (D172) en/of juni 2003 (D171), onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft [bedrijf I] opzettelijk op die/dat door de inspecteur der belastingen en/of de Belastingdienst (te Utrecht en/of Rotterdam) uitgereikte en/of bij deze ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting (telkens) de omzetbelasting van (een) factu(u)r(
  64. en)betreffende (een) verbouwing van en/of investering(
  65. en)in en/of onderhoudskosten aan een woonpand (in Londen) als voorbelasting geclaimd ten behoeve van een of meer van voornoemde bedrij(f)(ven), terwijl die feiten / dat feit er (telkens) toe strekte(
  66. n)dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van welk(
  67. e)bovenomschreven strafbare feit(
  68. en)verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(
  69. en)verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven; 6. [bedrijf A] op of omstreeks 02 oktober 2001 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander (te weten [medeverdachte 1]) of anderen, althans alleen, in een notariële akte, zijnde een authentieke akte, op genoemde datum te Amsterdam verleden voor [notaris 1] (als waarnemer van [notaris 2]), (beiden) notaris ter standplaats Amsterdam, valselijk heeft doen opnemen dat, - de koopsom/waarde van de aandelen van de besloten vennootschap [bedrijf J] NLG 546.500,-- (vijf honderd zes en veertig duizend vijf honderd gulden) bedroeg, en/of - dat er na verrekening van de koopsom en een (nog openstaande) schuld van NLG 350.000,-- (drie honderd vijftig duizend gulden) het restant van de koopsom, groot NLG 196.500,-- (een honderd zes en negentig duizend vijf honderd gulden) door koper (zijnde [bedrijf A]) aan verkoper (zijnde [medeverdachte 1]) zou worden voldaan, van de waarheid van welk(
  70. e)feit(
  71. en)die akte moest doen blijken, terwijl [bedrijf A] en/of [medeverdachte 1] en/of een of meer andere mededader(
  72. s)wist(
  73. en)dat - de koopsom/waarde van de aandelen van de besloten vennootschap [bedrijf J] niet NLG 546.500,-- (vijf honderd zes en veertig duizend vijf honderd gulden) bedroeg, althans dat de in de notariële akte opgegeven koopsom/waarde van de aandelen van de besloten vennootschap [bedrijf J] (te weten NLG 546.500,--) onjuist was, en/of - die NLG 196.500,-- (een honderd zes en negentig duizend vijf honderd gulden) niet door koper (zijnde [bedrijf A]) aan verkoper ([medeverdachte 1]) zou worden voldaan en/of - het bedrag van NLG 546.500,-- (vijf honderd zes en veertig duizend vijf honderd gulden) als koopsom/waarde van de aandelen van die besloten vennootschap [bedrijf J] in die notariële akte was opgenomen om een aanslag inkomstenbelasting voor [medeverdachte 1] te voorkomen en/of het bedrag van een aanslag inkomstenbelasting voor [medeverdachte 1] te verlagen, terwijl [bedrijf A] en/of [medeverdachte 1] en/of een of meer andere mededader(
  74. s)wist(
  75. en)dat de koopsom/waarde van die aandelen in werkelijkheid NLG 2.000.000,-- (twee miljoen gulden) althans een bedrag groter dan die NLG 546.500,-- (vijf honderd zes en veertig duizend vijf honderd gulden) bedroeg, zulks met het oogmerk om die akte of een afschrift daarvan te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware die opgave in overeenstemming met de waarheid, terwijl uit dat gebruik enig nadeel kon ontstaan, tot het plegen van welk(
  76. e)bovenomschreven strafbare feit(
  77. en)verdachte (telkens/meermalen) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging(
  78. en)verdachte (telkens/meermalen) feitelijk leiding heeft gegeven. 2. Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak. Ontvankelijkheid Bij pleidooi heeft de verdediging namens verdachte bepleit dat het openbaar ministerie ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde (medeplegen van het gewoontewitwassen van in totaal € 17.068.165,00) niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat er volgens het openbaar ministerie – blijkens het requisitoir – op grond van de inhoud van het dossier sterke aanwijzingen zijn dat verdachte niet vrijwillig heeft meegewerkt aan de ontvangst van de in feit 1 bedoelde tien betalingen van W.A.A.P.M. Endstra (hierna: Endstra). Doordat het openbaar ministerie opportunistisch is omgegaan met dit voor verdachte disculperend en relevant dossiermateriaal met het uitsluitende doel dit in het nadeel (ter bewezenverklaring van het opzet) van verdachte te gebruiken, heeft het in strijd met de eigen gedragsregels en de ongeschreven beginselen van een goede procesorde gehandeld, aldus de verdediging. De rechtbank overweegt ten aanzien van dit verweer het volgende. Allereerst stelt de rechtbank vast dat de verdediging blijkens haar eigen pleitaantekeningen uitdrukkelijk niet heeft willen betogen dat het openbaar ministerie op grond van de door hem gestelde aanwijzingen voor onvrijwillig handelen van verdachte, niet tot vervolging van verdachte heeft mogen overgaan. Verder stelt de rechtbank vast dat het openbaar ministerie deze aanwijzingen voor onvrijwillig handelen van verdachte bij het aan deze onder 1 ten laste gelegde feit heeft gebruikt enerzijds om tot een bewezenverklaring van het opzet (het weten) van verdachte te komen en anderzijds door er bij de formulering van de strafeis rekening mee te houden in de vorm van strafvermindering. Voor zover het verweer van de verdediging erop neerkomt dat het openbaar ministerie voor verdachte ontlastend (bewijs)materiaal bewust heeft genegeerd, mist dit verweer feitelijke grondslag. Verdachte heeft immers steeds ten stelligste ontkend onvrijwillig betalingen van Endstra in ontvangst te hebben genomen dan wel anderszins onder druk te hebben gestaan om aan de betalingen mee te werken. Dat er in de visie van het openbaar ministerie op basis van het dossier wel aanwijzingen bestaan voor de mogelijke onvrijwilligheid van verdachte, welke aanwijzingen kunnen bijdragen aan het bewijs van het bestaan van opzet bij verdachte, maar die niet van dien aard zijn dat zij nopen tot de conclusie dat hij om die reden niet strafbaar is, brengt naar het oordeel van de rechtbank geen strijd met enig beginsel van een goede procesorde met zich. Van handelen in strijd met de gedragsregel dat het openbaar ministerie onbevangen en waarachtig is en in zijn afwegingen alle omstandigheden betrekt, zowel de belastende als de ontlastende, is evenmin sprake. Het verwijt dat het openbaar ministerie de in zijn visie bestaande aanwijzingen van onvrijwillig handelen van verdachte - wat er van de inhoud van die aanwijzingen verder ook zij - uitsluitend in diens nadeel gebruikt, vindt bovendien zijn weerlegging in de omstandigheid dat het openbaar ministerie bij de formulering van de strafeis met die mogelijke onvrijwilligheid rekening heeft gehouden in de vorm van strafvermindering. De rechtbank verwerpt het verweer en verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging. De rechtbank heeft vastgesteld dat het openbaar ministerie – ook overigens – ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3. Vordering van de officier van justitie De officieren van justitie hebben gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 tot en met 6 tenlastegelegde feiten en gevorderd dat verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren. 4. Bewijs Ten aanzien van feit 1 4.1 Bruikbaarheid bewijsmiddelen Door de verdediging is betoogd dat het tactisch bewijsmateriaal – gedoeld wordt op de getuigenverklaringen – zo gebrekkig is, dat dit niet als basis mag dienen voor een bewezenverklaring. Allereerst stelt de verdediging dat Endstra als de belangrijkste getuige en de enige leverancier van direct bewijs tegen verdachte nooit door de verdediging bevraagd is kunnen worden. Dit behoeft op grond van Europese jurisprudentie inhoudelijke compensatie, hetgeen volgens de verdediging niet meer mogelijk is. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Vastgesteld moet worden dat de verdediging niet op enig moment in de gelegenheid is geweest om Endstra te ondervragen, nu hij op 17 mei 2004 van het leven is beroofd. Dit maakt dat stevige eisen moeten worden gesteld aan de kwaliteit van andere bewijsmiddelen die steun moeten bieden aan belastende informatie die in de schriftelijke weergave van de zogenoemde "achterbankgesprekken" en in de zogenoemde "dagboekaantekeningen" is neergelegd. Om van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) te kunnen spreken, dient de rechtbank vervolgens te beoordelen of er voldoende compenserende maatregelen zijn getroffen om de verdediging in staat te stellen de verklaringen van Endstra inhoudelijk te betwisten. De rechtbank is van oordeel dat aan de verdediging in het licht van artikel 6 van het EVRM voldoende compensatiemogelijkheden zijn geboden. Er is een aanzienlijk aantal getuigen gehoord, de verdediging heeft de gelegenheid gekregen de “achterbankgesprekken” te beluisteren en naar aanleiding daarvan verbeteringen in de transcripties te doen aanbrengen en vele andere door de verdediging naar voren gebrachte onderzoekswensen zijn eveneens toegewezen. De verdediging heeft er voorts op gewezen dat door contaminatie van getuigen de waarheidsvinding negatief is beïnvloed. Een aanzienlijk aantal getuigen is, verspreid over een tijdsbestek van meerdere jaren, meerdere malen verhoord door politie en rechter-commissaris, waardoor er na verloop van tijd niet meer achterhaald kan worden welke informatie uit eigen wetenschap is verkregen. Getuigen hebben voorts elkaar kunnen beïnvloeden onder meer door de kringen waarin ze verkeerden. Ook de grote aandacht van de media kan bij de verklaringen van de getuigen een rol hebben gespeeld, aldus de verdediging. De rechtbank acht deze mogelijke contaminatie echter onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat daardoor de waarheidsvinding zodanig ernstig is geschaad dat getuigenverklaringen van het bewijs uitgesloten zouden dienen te worden. De geschetste situatie noopt de rechtbank wel de verschillende verklaringen van iedere getuige onderling en met elkaar te vergelijken en te beoordelen op betrouwbaarheid, een taak waarvoor de rechtbank zich overigens altijd gesteld ziet. De rechtbank overweegt met betrekking tot de bewijswaarde van de “achterbankgesprekken” nog het volgende. Vooropgesteld wordt dat de achterbankgesprekken bewijstechnisch gezien te gelden hebben als schriftelijke bescheiden in de zin van artikel 344, eerste lid, onder 5, van het Wetboek van Strafvordering en derhalve alleen gebezigd kunnen worden voor het bewijs in samenhang met de inhoud van andere bewijsmiddelen. Wat betreft de betrouwbaarheid van de schriftelijke weergave van de achterbankgesprekken overweegt de rechtbank dat hiervan met behoedzaamheid gebruik gemaakt dient te worden. Deze gesprekken tussen Endstra en CIE-medewerkers zijn nimmer bedoeld als verklaringen die in een strafrechtelijke procedure een rol zouden moeten spelen. Endstra is in deze gesprekken niet altijd specifiek en lijkt soms bewust het geven van antwoorden te vermijden. De rechtbank sluit zeker niet uit dat Endstra niet altijd de waarheid sprak. De rechtbank ziet onder ogen dat Endstra verdachte is geweest van meerdere strafbare feiten en ook van misdrijf afkomstige geldbedragen heeft aangenomen van personen uit het criminele circuit. Dit laat evenwel onverlet dat diverse uitlatingen van Endstra controleerbaar juist zijn gebleken. De rechtbank zal dan ook steeds op onderdelen beoordelen of de verklaringen van Endstra voldoende steun vinden in overige bewijsmiddelen om voor het bewijs gebruikt te kunnen worden. De verdediging heeft nog aangevoerd dat het de waarheidsvinding niet ten goede is gekomen dat de dagboekaantekeningen van Endstra door de familie Endstra niet integraal aan justitie zijn verstrekt. De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende. De enkele omstandigheid dat niet alle aantekeningen aan justitie ter beschikking zijn gesteld, staat op zichzelf niet aan de betrouwbaarheid van de aantekeningen in de weg. Niet ter discussie staat immers dat de aantekeningen door Endstra zijn gemaakt. Ook voor de dagboekaantekeningen van Endstra heeft te gelden dat de rechtbank hiervan behoedzaam gebruik dient te maken en dat deze slechts voor het bewijs gebezigd kunnen worden in samenhang met de inhoud van andere bewijsmiddelen. De rechtbank overweegt voorts dat de dagboekaantekeningen niet uitblinken in duidelijkheid en berusten op een door Endstra op een later tijdstip gemaakte reconstructie van het ‘echte’ dagboek, dat op enig moment in het ongerede is geraakt. Niettemin kan worden vastgesteld dat deze aantekeningen op een aanzienlijk aantal punten bevestiging vinden in concrete gebeurtenissen, documenten (onder meer bankafschriften) en getuigenverklaringen. De dagboekaantekeningen zijn – onder de geschetste voorwaarden – wel degelijk bruikbaar voor het bewijs. De verdediging heeft nog geopperd dat Endstra met zijn verklaring bij [oud-notaris] en/of zijn dagboekaantekeningen wraak heeft willen nemen op verdachte. Gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting ontbeert deze stelling naar het oordeel van de rechtbank elk begin van aannemelijkheid. 4.2 Redengevende feiten en omstandigheden Ten aanzien van feit 1 De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen: Verklaring Endstra bij [oud-notaris] Op 17 mei 2004 wordt Endstra voor zijn kantoor te Amsterdam om het leven gebracht. De voormalige notaris mr. [oud-notaris] meldt zich op 18 mei 2004 bij de politie en legt daar een verklaring over, die Endstra op 10 april 2003 bij hem heeft afgelegd. Volgens [oud-notaris] was Endstra zeer geëmotioneerd toen hij de verklaring kwam afleggen. De verklaring van Endstra luidt als volgt: "Op 10 april 2003 verklaarde de heer mr. W.A.A.P.M. Endstra in persoon tegenover ondergetekende als notaris: Ik, mr W.A.A.P.M. Endstra ben onder dwang op 10 april 2003 om 12.00 uur bij [notaris] verbonden aan Lexence advocaten te Amsterdam verschenen te zijner kantore op verzoek van [betrokkene 13]. Aldaar werd ik gedwongen een onherroepelijke volmacht te geven en te tekenen waarbij de aandelen in [bedrijf Endstra] zouden worden verpand aan [bedrijf K] gev te Panama voor een fictieve schuld van E 6.806.703 (Hfls 15.000.000) aan [bedrijf L] en een gefingeerde schuld van E 3.857.000 aan [bedrijf K] te Panama. De verpandingsakte welke is getekend op 26 febr 2003 is eveneens onder dwang van liquidatie van ondergetekende en/of familieleden getekend op 26 febr 2003, ter wijl de handgeschreven toevoegingen in de akte van 26 febr 2003 op heden 10 april 2003, bij [notaris] zijn toegevoegd door de notaris. Aanvankelijk weigerde ik te tekenen en ben zonder iets te zeggen weggelopen en rechtstreeks naar de heer [hoofd CIE] gegaan, hoofd CID, kantoor Amsterdam. Naast Hr [hoofd CIE] waren nog 2 medewerkers aanwezig bij het gesprek. Ik heb de heer [hoofd CIE] medegedeeld wie achter de afpersing zaten te weten de heer [W.H.] en zijn vriend [betrokkene 1]. Ik werd opgebeld door [betrokkene 13] om circa 13.00 uur om terug te keren naar Lexence advocaten onder de toezegging dat de boete van 0,5% per dag pas zal ingaan op 1 mei 2003. Daarna heb ik de stukken getekend. De heer [betrokkene 13] verklaarde nadat de heer [notaris] de kamer had verlaten, dat de heer [verdachte] onder dwang aan deze verpanding en of afpersing meewerkte, maar dat [verdachte] ook onder dwang handelde. [bedrijf L] is een NV die vroeger van [verdachte] was en geadministreerd bij [trustkantoor 1] te Wassenaar. Nadat de heer [verdachte] zijn aandelen in de Seaport Marina IJmuiden aan de familie Endstra had verkocht en geleverd, heeft hij [bedrijf L] aan mij, W Endstra, overgedragen voor f 1 ,= hoewel er een vordering was van [bedrijf L] op Seaport Marina van f 12.500.000,=. De vordering was niet volwaardig ivm zware verliezen van Seopart Marina, daarom was de koopsom f l ,=. Bij [trustkantoor 1] was bekend dat [bedrijf L] van Endstra was. Ik ben gedwongen deze NV terug over te dragen aan [verdachte] om niet zulks in dec 2002. Daarvoor heb ik bij [trustkantoor 1] stukken moeten tekenen dat ik geen eigenaar meer was van [bedrijf L]. Na de overdracht heb ik de vordering van [bedrijf L] ad ongeveer f 12.500.000,= moeten voldoen aan [bedrijf L] bij Fortis bank te R'dam op een rek nr. De schulden genoemd in de akte van verpanding dd 26 febr 2003 zijn gefingeerd. Naar [bedrijf L] is een verklaring afgegeven aan de accountant van Seopart Marina dat [bedrijf L] geen vordering meer had (zie verklaring accountant) Ook de vordering ad E 3.857.000 tbv van [bedrijf K] heeft geen rechtsgrond. Endstra zal zich inspannen desondanks de bedragen te betalen onder dreiging van liquidatie v/hem in persoon. Mocht ik toch worden geliquideerd dan verzoek ik nots Jhr mr [oud-notaris] deze verklaring aan de politie te overhandigen. Aldus opgemaakt en getekend op 10 april 2004 Mr. W. Endstra" [oud-notaris] heeft in zijn verklaring bij de politie op 27 mei 2004 aangegeven dat de dagtekening onder aan deze verklaring – 10 april 2004 – niet juist is en 10 april 2003 moet zijn. Brief [naam advocaat] Eveneens op 18 mei 2004 legt de advocaat mr. [naam advocaat] (op dat moment de raadsman van mevrouw [betrokkene 2], de partner van [betrokkene 3]) een brief van Endstra over aan de politie. In deze brief, gedateerd 2 december 2003, legt Endstra uit dat hij de cliënt van [naam advocaat] niet kan betalen, omdat zijn liquiditeit verdwijnt aan oneigenlijke betalingen aan de heer [W.H.] die hem en zijn familie met de dood bedreigd indien er niet wordt betaald. Achterbankgesprekken Endstra heeft in de periode 2002-2004 gesprekken gevoerd met medewerkers van de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE). In deze gesprekken, die als de ‘achterbankgesprekken’ de geschiedenis zijn ingegaan, vertelt Endstra aan de CIE-rechercheurs onder meer dat hij wordt afgeperst door [W.H.] en dat hij geld betaalt aan ‘nette partijen’, die het geld vervolgens voor [W.H.] ‘houden’. De rechtbank neemt hierna een aantal naar haar oordeel relevante onderdelen op van de gesprekken die Endstra (‘W’) voerde met medewerkers van de CIE (‘J’). Het tweede achterbank gesprek W: Ik heb precies opgeschreven hoe ik heb moeten betalen. Ik heb enorme bedragen moeten betalen. J: Die betalingen van U gaan via gerenommeerde bedrijven? W: Ja. Het staat bij anderen en daar is [W.H.] ook dominant aanwezig en die mensen hebben zogenaamd dat geld, maar het is niet van hen. Die worden onder druk gezet om daaraan mee te werken. Die weten dat het van mij komt. Dat zijn eigenlijk normale, nette mensen allemaal, maar die worden onder druk gezet. Het vierde achterbankgesprek W: Ik kreeg vannacht om 01.30 uur weer visite. Een beetje onder druk houden, noemen ze dat. [W.H.] en [betrokkene 1]. Ik moest betalen. Als ik dat niet deed, dan wist ik het wel… Ze hebben een bedrag vastgesteld van enige miljoenen, dan zou ik ervan af zijn. Ik moet 20 miljoen betalen. Ze persen me af, ze bedreigen me, ze willen me vermoorden. Ze verzinnen een probleem, dan gaan ze je helpen en daarna word je afgeperst. Ze hebben een aantal zeer nette mensen die ik ken, die worden als een soort stroman gebruikt en ik weet zeker dat ze dat niet vrijwillig doen. Het vijfde achterbankgesprek W: Vorige week zaterdag (10 mei 2003) is iemand die voor hem werkt, bij mij op kantoor geweest. Die heeft de harde schijf uit mijn computer gehaald. Ik moest een kabel van Schiphol naar Zandvoort kopen; daar moest ik 20 miljoen gulden voor betalen. Bleek dat het geen kabel was maar een holle buis. Ik zei: ‘Ik moet gegevens hebben’. Dus heb ik een brief gestuurd naar een BV in het buitenland, dat ik informatie moest hebben over die kabel, dat ik het wilde kopen. Maar toen moest ik het geld op een andere manier betalen. Maar ik had dus brieven gestuurd. Die moest ik wissen. Toen kwam hij plotseling langs en heeft mijn harde schijf eruit gehaald. Hij zei: ‘Ik moet die schijf eruit halen’. Hij heeft alles overgezet (de rechtbank begrijpt: op een andere, vervolgens in de computer geplaatste, harde schijf) wat erop stond, behalve die twee brieven (van) vijftien januari

(2003). Hij heet [betrokkene 4]. Het zevende achterbankgesprek W: Ik ben vandaag weer enige malen bedreigd met de dood. Ik moest betalen. ‘Doodschieten als je dit en dat niet …’. ([W.H.]) wilde 7 miljoen euro. Hij zei ook: ‘Ik heb je gewaarschuwd, maar nu is het over’. Ik kreeg een briefje van hem, dat ik geld moest overmaken. Ik moest deze week betalen. Zeven miljoen wil hij over de bank overgemaakt hebben, naar een zakenrelatie van hem. En die man houdt het, bewaart het dan weer voor hem. J: (Die man) kan toch wel in de tang zitten van ([W.H.])? W: Ik denk dat dat inderdaad het geval is. ([W.H.]) rijdt af en toe achter me aan. Hij is me de hele dag aan het intimideren. Ik doe tegen hem niet bang. Hij zegt bijvoorbeeld: ‘Je haalt de week niet’. Ik zeg: ‘Dan ben ik toch nog vijftig geworden’. Hij zei: ‘Jij kan wel weggaan, maar je familie is nog hier, en je kinderen’. Mijn kinderen, mijn familie, alles wordt bedreigd. [betrokkene 1] heeft mij hoogstpersoonlijk bedreigd, helemaal zwaarbewapend. Het tiende achterbankgesprek W: ‘Ik moet nog een stukje betalen. Weer een bedreiging. Dat was in het Bosplan (de rechtbank begrijpt: het Amsterdamse Bos). [betrokkene 5] zei dat ik daar moest komen. Hij ([W.H.]) zei: ‘Als je niet dat restje betaalt, vermoordt die ouwe [betrokkene 6] je binnen twee tellen; had je maar moeten betalen, straks lig je met een kaartje aan je teen in de vrieskist’. Dat was vorige week. Ik moet nog 7 miljoen euro betalen binnen twee weken. Ik heb gezegd: ‘Ik kan dat niet betalen’. Ten eerste zou ik niet weten hoe ik dat moet doen, want er moet een titel voor zijn. Ten tweede heb ik het geld niet.’ Het elfde achterbankgesprek ‘Twee weken geleden was Endstra in het buitenland toen [betrokkene 7] op zijn kantoor verscheen. Zij moest Endstra spreken omdat haar overleden man [betrokkene 8] zeven miljoen had uitstaan bij Endstra. Endstra is naar Nederland teruggekomen en heeft met [betrokkene 7] gesproken. Kort daarvoor kwam [W.H.] langs en zei dat Endstra [betrokkene 7] keurig en beleefd moest behandelen en dat er Joegoslavische vrienden om de hoek stonden. Daags na dit incident maakte Endstra een afspraak met [advocaat Endstra] op kantoor. Daar aangekomen, was niet [advocaat Endstra] er, maar werd hij door [W.H.] meegenomen naar een kamertje. Daar is Endstra duidelijk gemaakt dat hij zeven miljoen moest betalen, doch niet aan [betrokkene 7] maar aan hem ([W.H.]). De termijn liep dinsdag a.s. af, maar is inmiddels met een week verlengd. In de woning in IJmuiden is zes weken geleden ingebroken door middel van een valse sleutel. Endstra had daar een dossier met betrekking tot de praktijken van [W.H.]. Dit dossier is gestolen. [W.H.] maakt opmerkingen als: ‘Ik weet meer dan je denkt.’ De dagboekaantekeningen De familie van Endstra heeft na de dood van Endstra een aantal velletjes met aantekeningen gemaakt door Endstra, aan de politie overhandigd. Deze aantekeningen zijn bekend geworden als het ‘dagboek’ van Endstra. Vastgesteld is dat de aantekeningen daadwerkelijk door Endstra zijn opgetekend, maar ook dat dit dagboek waarschijnlijk een door Endstra op één moment geschreven recapitulatie betreft van het ‘echte’ dagboek, dat op enig moment in het ongerede is geraakt. Op diverse pagina’s in het dagboek heeft Endstra staatjes gemaakt met getallen waaruit zou kunnen volgen dat hij een miljoenenschuld aan (onder meer) [W.H.] heeft en dat betalingen aan verdachte van deze schuld worden afgetrokken. De rechtbank neemt hieronder enkele van belang zijnde pagina’s uit de dagboekaantekeningen van Endstra op: [pagina 3] [pagina 5] [pagina 7] [pagina 15] Verklaring tegenover [verbalisant 1] en [verbalisant 2] Voorts heeft Endstra nog een verklaring afgelegd tegenover Rijksrecherchemedewerkers [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. Endstra vertelde hen dat hij werd afgeperst door de man met wie hij was gefotografeerd op het bankje (de rechtbank begrijpt: [W.H.]). Het ging om miljoenen. Over de betalingen zelf vertelde Endstra dat deze door hem werden verricht door middel van, voor het oog, reguliere transacties. Wanneer echter al zijn transacties goed zouden worden onderzocht zou men erachter komen aan wie de betalingen werkelijk gedaan werden. Endstra vertelde dat het geld via de bank te volgen was. Verklaring [getuige A] De toenmalig directeur financiële zaken van het Endstra-concern, [getuige A], heeft verklaard dat hij in de loop van 2003 voor Endstra ging werken en dat hij bij het op orde brengen van de administratie bemerkte dat “er vreemdsoortige betalingen (aan verdachte) plaats vonden waarvan hij de relatie niet één, twee, drie kon vast stellen wat er aan de hand was”. Het viel hem op dat er meer betaald werd dan de vordering (van verdachte) eigenlijk bedroeg. [getuige A] heeft Endstra naar de reden hiervan gevraagd en Endstra heeft hem naar aanleiding hiervan verteld dat deze betalingen gedaan werden op grond van afpersing door [W.H.]. Het was de taak van [getuige A] om deze betalingen – in overleg met [betrokkene 13], de fiscalist van verdachte – op dusdanige wijze in de boekhouding te verwerken, dat de belastingdienst hierover geen vragen zou stellen. Reeds op 18 mei 2004, de dag na de moord op Endstra, verklaarde [getuige A] tegenover de politie dat Endstra hem verteld had dat hij werd afgeperst door [W.H.] en dat Endstra betalingen moest verrichten aan verdachte ter grootte van €18 miljoen, terwijl daar geen reële transacties tegenover stonden. Dit alles werd gecoördineerd door [betrokkene 13]. [getuige A] heeft vervolgens aan het onderzoeksteam een aantal betalingsafschriften ter beschikking gesteld, die later werden aangevuld, hetgeen heeft geresulteerd in een overzicht van 10 betalingen waartoe door Endstra opdracht is gegeven en welke betalingen terecht zijn gekomen op rekeningen van verdachte dan wel van bij verdachte in eigendom zijnde vennootschappen. Verklaring [getuige B] [getuige B], een goede vriend en vertrouweling van Endstra, heeft ter terechtzitting in eerste aanleg bij de rechtbank Haarlem in de zaak tegen [W.H.] verklaard dat hij gesprekken heeft gehad met [getuige A] over diens bezorgdheid over het feit dat er grote bedragen naar verdachte gingen, terwijl er veel onbetaalde rekeningen waren. [getuige A] liet merken dat hij van de afpersingsproblematiek op de hoogte was. Het was volstrekt duidelijk dat de financiën er niet goed voor stonden. Er werd op grote schaal liquiditeit aan de bedrijven onttrokken. Endstra vertelde [getuige B] van het verband tussen het onttrekken van gelden aan Endstra’s bedrijven en de afpersing door [W.H.]. De tien betalingen De rechtbank stelt vast dat Endstra in de periode van december 2002 tot en met januari 2004 tien betalingen heeft verricht op bankrekeningen die aan verdachte of bedrijven van verdachte toebehoorden. Verdachte heeft dit ter terechtzitting bevestigd. Verdachte heeft eveneens verklaard dat hij zicht hield op welke betalingen er van de kant van Endstra binnen kwamen. Het ging hem om het verkrijgen van het totale bedrag. Op een papiertje hield verdachte bij wat er binnen kwam. Hij besprak met Endstra wanneer en hoeveel Endstra zou overmaken. Dat overleg gebeurde telefonisch of door bij Endstra langs te gaan op de Apollolaan te Amsterdam. De omschrijvingen bij de betalingen heeft verdachte niet gezien, want de bankafschriften gingen naar één van de trustkantoren waarvan verdachte gebruik maakte. Het trustkantoor stelde verdachte steeds telefonisch op de hoogte welke bedragen er binnen kwamen. Het betreft de volgende betalingen met bijgenoemde omschrijvingen:
  1. € 3.176.461,50 d.d. 30-12-02 met omschrijving “deelaflossing lening S.M.IJ. in opdracht van [bedrijf Endstra], restant volgt”
  2. € 1.361.340,60 d.d. 10-01-02 met omschrijving “deelaflossing lening S.M.IJ. in opdracht van [bedrijf Endstra]”
  3. € 3.400.000 d.d. 01-03-03 met omschrijving “[bedrijf N]”
  4. € 1.500.000 d.d. 14-03-03
  5. € 900.000 d.d. 02-04-03
  6. € 450.000 .d.d. 24-04-03 met omschrijving “Marina Seaport IJmuiden”
  7. € 1.499.990,28 d.d. 28-05-03
  8. € 2.800.000 d.d. 26-06-03 met omschrijving “Agreement”
  9. € 400.000 d.d. 21-07-03 met omschrijving “Flamingo”
  10. $ 1.999.962,50 d.d. 07-01-04 met omschrijving “volgens afspraak” Deze bedragen werden in het algemeen heel kort – meestal binnen drie dagen – doorgeboekt naar een andere rekening. Een enkele keer is de opdracht tot doorboeking al voor ontvangst van het geld gegeven. De kernvraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet, is of het geld dat Endstra bij voornoemde tien betalingen aan verdachte heeft betaald uit enig misdrijf afkomstig is en of verdachte dit wist of redelijkerwijs moest vermoeden. Het standpunt van verdachte: zakelijke grondslag Door en namens verdachte is ter terechtzitting betoogd dat de betalingen die door Endstra aan verdachte zijn verricht, voortvloeiden uit bestaande contractuele afspraken. Verdachte heeft in dit verband aangevoerd dat hij in de loop van 1998 zijn zakelijke banden met Endstra wenste te ‘ontvlechten’, omdat Endstra ten gevolge van een artikel in De Telegraaf in 1998 een slechte naam had gekregen en omdat deze omging met personen waarmee verdachte liever niet geassocieerd wilde worden. Voorts werd verdachte door diverse banken aangesproken op zijn (zakelijke) contacten met Endstra. Volgens verdachte heeft hij in 1999 met Endstra in het kader van deze ontvlechting een overeenkomst gesloten waarin was bepaald dat Endstra de aandelen in Holding Seaport IJmuiden BV (hierna: HSIJ) van verdachte zou overnemen voor fl 1,-. Deze overeenkomst is vastgelegd in een notariële akte tot overdracht van de aandelen HSIJ d.d. 31 december
  11. De achtergrond van deze overeenkomst was dat verdachte onder meer eigenaar was van [bedrijf M], welke onderneming eigenaar was van [bedrijf L], welke onderneming op haar beurt weer 50% van de aandelen van HSIJ in eigendom had. In het kader van deze overeenkomst zou [bedrijf L] dan de aandelen verkopen aan [bedrijf Endstra] (hierna: [bedrijf Endstra]), een vennootschap waarvan Endstra eigenaar was, en die de andere 50% van de aandelen HSIJ bezat. [bedrijf Endstra] (Endstra) zou dan alle aandelen HSIJ bezitten. [bedrijf L] had reeds eerder - evenals [bedrijf Endstra] - een geldbedrag geleend aan HSIJ ter hoogte van op dat moment – 31 december 1999 – ruim fl. 12 miljoen. Volgens verdachte was ook met Endstra overeengekomen dat deze die lening volledig zou terug betalen. Voorts was volgens verdachte met Endstra overeengekomen dat verdachte gerechtigd was tot de uitbetaling van de afkoop van een winstrecht op grond van een te verwachten winstrealisatie door de bouw van (de tweede tranche) woningen nabij de haven in IJmuiden. Dit bedrag werd vastgesteld op fl. 15 miljoen, welk bedrag door verdachte onmiddellijk opeisbaar was. Daarnaast werd volgens verdachte overeengekomen dat Endstra de vennootschap [bedrijf N] van verdachte zou kopen tegen een prijs van fl.7 miljoen. De hierboven genoemde 10 betalingen die Endstra rechtstreeks of via hem toebehorende vennootschappen aan verdachte of aan verdachte toebehorende vennootschappen heeft verricht, totaal ongeveer € 17.068.165 (fl. 37.613.285,89), vloeien volgens verdachte dus voort uit voornoemde reële met Endstra overeengekomen verplichtingen, zijnde een geldlening, een afkoop van een winstrecht en de verkoop van een onderneming en hebben niets te maken met witwassen. Verdachte heeft verklaard thans nog € 3 miljoen van (de erven) Endstra tegoed te hebben, bestaande uit achterstallige rente. Het standpunt van het openbaar ministerie Het openbaar ministerie stelt zich op het standpunt dat de drie genoemde verplichtingen van Endstra aan verdachte dienen te worden aangemerkt als geconstrueerde (niet rechtsgeldige) titels om een geldstroom van Endstra naar verdachte te kunnen legitimeren. Volgens het openbaar ministerie betreffen de tien betalingen gelden die verband houden met de afpersing van Endstra door [W.H.]. Overwegingen rechtbank Algemeen De rechtbank stelt allereerst vast dat de omschrijvingen van de tien betalingen op de bankafschriften niet of niet op begrijpelijke wijze te koppelen zijn aan de drie afspraken die verdachte met Endstra zegt te hebben gemaakt. Ook biedt de hoogte van de overgeboekte bedragen geen inzicht in welk bedrag nu precies ter zake van welke verplichting of schuld van Endstra is overgeboekt. De rechtbank stelt voorts vast dat door verdachte geen enkel schriftelijk stuk is overgelegd ter staving van het bestaan van bovenvermelde afspraken met Endstra. De getuigen [getuige C], [getuige D] en [getuige E] hebben verklaard te weten van de afspraken tussen verdachte en Endstra, maar vastgesteld moet worden dat deze getuigen niet uit eigen wetenschap over de inhoud van de afspraken kunnen verklaren en dat zij ook nimmer enig schriftelijk stuk hebben gezien. Volgens verdachte heeft een dergelijk stuk wel bestaan, maar is hij dit door hem geschreven en door Endstra ondertekende briefje in 2004 kwijtgeraakt of heeft hij het verscheurd. Op enig moment heeft de fiscalist van verdachte, [betrokkene 13], namelijk een vaststellingsovereenkomst gemaakt waarop deze drie ‘titels’ staan vermeld en heeft [betrokkene 13] die overeenkomst ter tekening aan Endstra toegezonden. Volgens verdachte is dit stuk overigens niet het zich wel in het dossier bevindende ‘Overzicht gemaakte afspraken’ dat dateert van begin
  12. Het handgeschreven briefje had verdachte, naar zijn verklaring, gelet op de opgestelde vaststellingsovereenkomst niet meer nodig en dat briefje is vervolgens in het ongerede geraakt. De rechtbank constateert dat de door verdachte bedoelde door [betrokkene 13] opgestelde vaststellingsovereenkomst zich niet in het dossier bevindt. Volgens verdachte is deze overeenkomst weliswaar ter ondertekening aan Endstra toegezonden, maar is deze niet getekend retour ontvangen. [betrokkene 13] heeft echter ter terechtzitting verklaard dat hem geen vaststellingsovereenkomst aangaande de afspraken tussen verdachte en Endstra bekend is. De eerste keer dat [betrokkene 13] iets op papier heeft gezet was, zo heeft hij meermalen verklaard, in februari 2003 en dat is het eerder genoemde zich in het dossier bevindende “Overzicht gemaakte afspraken”. Dit luidt, voor zover hier van belang, als volgt: "- Op [bedrijf N] is een bod gedaan van Dfl. 7 mio. (...) In samenhang met de volgende punten wordt echter afgesproken de koopsom te stellen op Dfl. 10 mio. Deze betaling dient zo spoedig mogelijk (direct) overgemaakt te worden aan [bedrijf L] (...). Deze transactie moet vóór 1 maart
(2003)zijn afgewikkeld. Aandelen worden door trust overgedragen aan op te geven aandeelhouders zodra betaling ontvangen is. -Voor de afkoop van de winstrechten HSY (...) ontvangt [bedrijf L] Dfl. 15 mio direct. - Voor een bedrag van Dfl. 15 mio wordt pandrecht gevestigd op de aandelen van [bedrijf Endstra] en [bedrijf Endstra]. (...) Dit pandrecht wordt gevestigd vanwege winstrecht en commissies in verband met de aankoop van de vakantieparken en de verkoop van het WFC. Een nadere overeenkomst wordt hiervoor opgesteld en zal begin maart worden afgestemd. Deze rechten worden verstrekt aan [bedrijf K]. Betaling van dit resterende bedrag dient vóór 31 maart 2003 plaats te vinden. Indien dit niet het geval is worden de aandelen verbeurd aan pandnemer. Voorts is bij late betaling een boeterente ad 0,5% verschuldigd zoals eerder overeengekomen met persoonlijke garantie van jou. - Betaling van de eerste twee bedragen dient direct plaats te vinden aan [bedrijf L]: bankrekeningnummer [rekeningnummer]. Voor [bedrijf K] volgen nog instructies. (...) Samenvatting:
  1. Betaling [bedrijf N] fl. 7 eur 3.176.462 (direct)
  2. Extra vergoeding [bedrijf N] fl.3 eur 1.361.341 (direct)
  3. Winstrecht HSY = fl. 15 eur 6.806.703 (direct)
  4. Winstrecht etc. WFC fl. 15 eur 6.806.703 (voor 1 maart 2003) (de rechtbank: tezamen fl. 40 eur 18.151.209)." In het navolgende zal de rechtbank nader ingaan op de drie door verdachte genoemde titels die volgens hem ten grondslag hebben gelegen aan de tien betalingen gedaan door Endstra aan (ondernemingen van) verdachte. De titels Lening Verdachte stelt dat een deel van de tien betalingen van Endstra aan hem ziet op de aflossing van een lening van [bedrijf L] aan HSIJ ten bedrage van ruim fl. 12 miljoen. Het openbaar ministerie stelt zich op het standpunt dat het aflossen van de lening aan HSIJ als titel voor de betalingen door Endstra niet aannemelijk is. De rechtbank stelt allereerst vast dat door [bedrijf L] in de jaren 1995-1999 een geldbedrag is geleend aan HSIJ, waarvan de hoogte op 31 december 1999 volgens de jaarrekening HSIJ fl 12.794.093 bedroeg. Deze lening heeft volgens een rapport opgemaakt door de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, Bureau Financieel Economische Recherche, materieel te gelden als een achtergestelde lening. De rechtbank is van oordeel dat noch uit de notariële akte van 31 december 1999 noch op andere wijze is gebleken dat de lening bij de verkoop van de aandelen of op een ander tijdstip door [bedrijf L] is kwijtgescholden. Dat de lening ten tijde van de aandelenoverdracht mogelijk onvolwaardig is geweest laat onverlet dat de lening is blijven bestaan en dat daarop op enig moment kan worden afgelost. De waarde waartegen [bedrijf L] de lening in haar boeken heeft opgenomen is daarbij niet van belang. Niet gezegd kan dus worden dat de lening met de verkoop en overdracht van de aandelen HSIJ op 31 december 1999 is opgehouden te bestaan, zodat het ervoor moet worden gehouden dat [bedrijf L] ook na de verkoop van de aandelen HSIJ aan [bedrijf Endstra] onverkort een uit geldlening voortvloeiende vordering op HSIJ is blijven houden. Ten aanzien van de waarde van de lening overweegt de rechtbank het volgende. In de verklaring door Endstra afgelegd bij [oud-notaris] stelde hij dat hij verplicht was een lening van fl. 12.500.000 af te lossen die niet volwaardig was in verband met de zware verliezen van Seaport Marina, een tot de HSIJ-groep behorende dochteronderneming. Dat er bij Seaport Marina sprake was van forse verliezen, vindt bevestiging in een schrijven van Deloitte en Touche aan de directie van HSIJ d.d. 10 oktober
  5. Hierin wordt vermeld dat tot en met het jaar 1999 het verlies, exclusief twee incidentele winsten van fl 14.030.000, voortvloeiend uit de verkoop van appartementen, cumulatief fl. 25.696.741 bedraagt. Uit accountantsverklaringen bij de jaarrekeningen van HSIJ komt ook naar voren dat in de jaren 1998 tot en met 2001 telkens slechts een goedkeurende verklaring werd gegeven omdat Endstra zich garant stelde voor de voortzetting van de activiteiten van HSIJ. Het door Deloitte en Touche opgestelde vermogensoverzicht van 30 december 1999 van (de bedrijven van) verdachte kent per 2 november 1998, 4 november 1999 en 30 december 1999 aan de door [bedrijf L] verstrekte lening een waarde toe van respectievelijk fl. 5 miljoen, fl. 5 miljoen en nihil. [betrokkene 13] heeft hierover verklaard dat de lening niet meer in de boeken was opgenomen, omdat die vordering waardeloos was. Het door [betrokkene 13] in februari 2003 opgestelde “Overzicht van afspraken” rept eveneens met geen woord over de verplichting van Endstra tot aflossing van een lening aan verdachte of een aan hem in eigendom toebehorende vennootschap. Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat het niet aannemelijk is dat ook op het moment dat de betalingen plaatsvonden, tussen december 2002 en januari 2004, de vordering van verdachte op Endstra uit hoofde van een geldlening volwaardig was. De rechtbank overweegt daarbij dat indien ervan zou moeten worden uitgegaan dat wel sprake zou zijn van een volwaardige lening, niet valt te begrijpen hoe HSIJ, gelet op de aanhoudende verliezen uit hoofde van de exploitatie van de jachthaven Seaport IJmuiden, in staat zou zijn om die (achtergestelde) lening te betalen. Voorts is niet in te zien waarom Endstra persoonlijk, al dan niet via zijn ondernemingen, vrijwillig die verplichting tot betaling van deze lening van HSIJ (als schuldenaar) zou overnemen, noch afgezien van de omstandigheid dat Endstra zelf in die periode – zoals ook verdachte ter terechtzitting heeft verklaard - in grote liquiditeitsproblemen verkeerde. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de in voornoemde periode plaatsgevonden hebbende betalingen niet geacht kunnen worden te zijn verricht ter voldoening van een bij verdachte bestaand vorderingsrecht uit hoofde van de door [bedrijf L] verstrekte lening aan HSIJ. Afkoop winstrecht Verdachte heeft verklaard dat binnen HSIJ een grote winstpotentie bestond, omdat aan HSIJ toebehorende grond tot ontwikkeling kon worden gebracht door daarop woningen te bouwen en deze te verkopen. Daarmee zou een winst behaald kunnen worden van fl. 25-40 miljoen, later door hem genoemd € 15-20 miljoen. Verdachte stelt in het kader van de aandelenoverdracht van [bedrijf L] aan [bedrijf Endstra] afstand te hebben gedaan van zijn aandeelhoudersbelang in HSIJ, dat zou bestaan uit door HSIJ in de toekomst te behalen winst, nu Endstra bereid was fl. 15 miljoen daarvoor aan verdachte te betalen. Deze vordering van verdachte was na 31 december 1999 direct opeisbaar. Het openbaar ministerie stelt zich op het standpunt dat ook deze titel bedacht is om een geldstroom te legitimeren. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Bij notariële akte van 31 december 1999 draagt de aan verdachte toebehorende onderneming [bedrijf L] haar aandelen in HSIJ over aan de bij Endstra in eigendom zijnde onderneming [bedrijf Endstra] voor fl. 1,-. De akte bevat onder meer de volgende bepalingen, waarbij met ‘vennootschap’ wordt bedoeld HSIJ, met ‘verkoopster’ [bedrijf L] en met ‘koopster’ [bedrijf Endstra]: "
  6. Niemand heeft jegens de vennootschap enige aanspraak op emissie van de aandelen in het kapitaal van de vennootschap en aan niemand is enig recht van winstuitkering, waaronder in deze akte ook tantièmes zijn begrepen, toegekend.
  7. De verkoopster en/of derden kunnen jegens de vennootschap geen enkele aanspraak doen gelden op uitkering van dividend of reserves, terwijl na de balansdatum geen dividenduitkeringen of dividenddeclaraties hebben plaatsgevonden. Bepalingen …..
  8. Vanaf heden komen de baten van de aandelen de koopster ten goede, zijn de lasten voor haar rekening en draagt zij het risico van de aandelen." Naar het oordeel van de rechtbank kunnen in de bewoordingen van deze akte geen aanknopingspunten gevonden worden om daarop een (afkoop van een) winstrecht te baseren. Het zou evenwel mogelijk zijn dat verdachte en Endstra afzonderlijk een winstrecht overeengekomen zijn, maar het dossier bevat geen enkel stuk op grond waarvan het bestaan van een dergelijke afspraak aannemelijk wordt. Daar komt bij dat de rechtbank het onaannemelijk acht dat er eind 1999 - zijnde het moment waarop verdachte in zijn visie met Endstra een winstrecht zou zijn overeengekomen - een reële winstverwachting voor HSIJ gebaseerd op woningbouw nabij de jachthaven in IJmuiden bestond. Omtrent de vraag of er in 1999 een redelijke verwachting kon bestaan dat HSIJ of een tot de HSIJ-groep behorende onderneming nabij de jachthaven in IJmuiden woningbouw zou mogen realiseren zijn diverse getuigen gehoord. [getuige F], destijds werkzaam bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, heeft verklaard dat de kansen dat woningbouw te realiseren was in Seaport Marina nihil waren, omdat het stellige beleid van Verkeer en Waterstaat, dat werd gesteund door VROM, bouwen daar in de weg stond. Ook verklaarde deze getuige dat het gebied grenzend aan de boulevard en dan ten zuiden daarvan, als Habitatgebied was aangewezen. Bebouwing in dat gebied achtte deze getuige uitgesloten. [getuige G], destijds gemeentesecretaris, verklaarde in gelijke zin, namelijk dat het gebied rond de haven, de appartementen en het hotel door de Europese Unie was aangewezen als Habitatgebied voor de zandhagedis. “Dit betekent dat er in het geheel geen bouwactiviteiten kunnen plaatsvinden”, aldus de getuige. [getuige H], ook destijds al directeur van HSIJ, heeft met betrekking tot eventuele bouwplannen verklaard dat de boel in 1999 op slot zat en er niets meer mocht. De rechtbank overweegt nog dat [betrokkene 13] heeft verklaard dat de afkoop van de winstrechten de enige geconstrueerde titel was en dat de winstrechten eerst ter sprake kwamen nadat twee andere titels (de telecombuis en de commissies) om een geldstroom te legitimeren waren afgewezen. In de verklaring door hem afgelegd bij [oud-notaris] gaf Endstra aan dat hij werd gedwongen om aandelen te verpanden voor een fictieve schuld van € 6.806.703 (fl. 15.000.000) aan [bedrijf L]. De rechtbank begrijpt deze passage met name in het licht van de verklaring van [betrokkene 13] aldus dat voor de verplichting om fl. 15.000.000 te betalen een titel ten tonele werd gevoerd die geen legitieme basis had. Verdachte heeft ter ondersteuning van zijn standpunt onder meer gewezen op de met de hand op een email bijgeschreven aantekening die luidt: 15M winst woningen, met daaronder een gebogen pijl met daarnaast ‘[verdachte]’ (Kolbak G1-319-25). Nu daarover – ook na het horen van getuigen – inhoudelijk niets nader bekend is geworden, acht de rechtbank deze aantekening in het licht van het bovenstaande onvoldoende om daarop een in 1999 reeds bestaande claim van fl.15 miljoen in het kader van te behalen winst op de tweede tranche nog te bouwen woningen rond de jachthaven te IJmuiden te baseren. De rechtbank komt op grond van het hiervoor overwogene tot de conclusie dat er eind 1999 geen reële kans aanwezig was om woningbouw nabij de jachthaven te IJmuiden te realiseren en er derhalve ook niet te verwachten viel dat daarmee binnen afzienbare tijd grote winsten konden worden gegenereerd. Dat Endstra destijds zogeheten continuïteitsverklaringen voor HSIJ heeft afgegeven en ook zelf ‘in de haven geloofde’, zoals verdachte heeft aangevoerd, doet op zichzelf naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de omstandigheid dat er in 1999 geen redelijke verwachting bestond dat woningbouw viel te realiseren. Het is dan ook niet aannemelijk dat Endstra dan wel HSIJ zich in die onzekere situatie jegens verdachte zou verplichten aan hem op die grond een winstrecht toe te kennen dan wel akkoord te gaan met de afkoop van dat winstrecht voor een substantieel bedrag van fl. 15 miljoen. Onaannemelijk is voorts dat HSIJ, mede gelet op de niet aflatende operationele verliezen ook in 2000 en 2001, zich bereid zou hebben verklaard om, gelet op de geringe bouwkansen, op voorhand reeds een opeisbaar winstrecht van fl. 15.000.000 aan verdachte te verstrekken. De rechtbank vermag voorts niet in te zien waarom Endstra of een aan hem toebehorende onderneming bereid zou zijn deze verplichting vrijwillig op zich te nemen. Ten slotte herhaalt de rechtbank in dit verband dat geen enkele van de tien betalingen, hetzij gelet op de hoogte van het bedrag, hetzij gelet op de toelichting op het bankafschrift in relatie is te brengen met het door verdachte genoemde winstrecht. De titel ‘afkoop winstrecht’ kan derhalve geen betalingen tot een bedrag van fl. 15.000.000,- legitimeren. [bedrijf N] Verdachte betoogt in 1999 met Endstra overeengekomen te zijn dat deze de vennootschap [bedrijf N] voor een bedrag van fl. 7 miljoen zou kopen. In verband met het verschuiven van de afgesproken verkoopdatum van 2000 naar 2003/2004 is de koopprijs volgens verdachte naar aanleiding daarvan aangepast en vastgesteld op fl. 10 miljoen. Een deel van de door Endstra verrichte betalingen heeft volgens verdachte betrekking op de verkoop van deze onderneming en betreffen derhalve betalingen voor een reële transactie. Het openbaar ministerie stelt zich op het standpunt dat de verkoop van [bedrijf N] een gefingeerde titel is om een geldstroom te legitimeren, aangezien [bedrijf N] al in 2000 in eigendom zou zijn overgegaan op Endstra. Endstra is gedwongen om deze onderneming om niet terug te geven aan verdachte, aldus het openbaar ministerie. Doordat Endstra [bedrijf N] dan opnieuw zou kunnen aankopen, zou een titel zijn geconstrueerd om de betalingen van Endstra aan verdachte te legitimeren. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Eigendom per 2 mei 2000 Op 25 april 2000 bericht [betrokkene 13] per fax aan [getuige I] van het trustkantoor [trustkantoor 2] te Curaçao met betrekking tot [bedrijf N] het volgende: “The principals of above mentioned company have agreed to change the beneficial ownership. Therefore we would like to confirm that [trustkantoor 3] will hold all shares of [bedrijf N] as a nominee for the company yet to be appointed by Mr. W.A.P.M. Endstra.” In een op 4 mei 2000 gedagtekend bericht deelt verdachte vervolgens aan [trustkantoor 2] (via [trustkantoor 1]) het volgende mede: “The undersigned, Mr. [verdachte], the legal and beneficial owner of share no. 1, representing 1 common share, in the capital stock of [bedrijf N], hereby kindly requests you to transfer share no. 1 to Mr. W.A.P.A.M. Endstra, residing at Amsterdam as per May 2, 2000 and as from this date to keep said share no. 1 in custody for Mr. W.A.P.A.M. Endstra. Thanking you in advance.” Een soortgelijk bericht heeft verdachte met betrekking tot de overdracht van het aandeel in [bedrijf M] verstuurd; ook hierin staat – kort gezegd – ver meld dat verdachte zijn aandeel overdraagt aan Endstra. Verdachte heeft ter terechtzitting (6 april 2010) verklaard dat [bedrijf N] feitelijk pas moest worden overgedragen na betaling van de koopsom door Endstra. Hij zou de verklaringen van 4 mei 2000 in afwachting van betaling van de koopsom door Endstra hebben ondertekend en bij voorbaat hebben verstuurd naar [trustkantoor 1]. [trustkantoor 1] zou deze verklaring abusievelijk te vroeg naar [trustkantoor 2] hebben doorgestuurd. [getuige I] van [trustkantoor 1] te Wassenaar heeft bij de rechter-commissaris daaromtrent verklaard dat verdachte haar persoonlijk heeft gevraagd de aandelen [bedrijf N] over te dragen aan Endstra. Zij heeft het briefje voor verdachte opgesteld. Zij verklaart er niet over dat zij het briefje pas mocht versturen nadat de betaling van de koopsom door Endstra zou zijn gedaan. Het trustkantoor [trustkantoor 2] heeft daarop een aandeelbewijs aangemaakt waarop Endstra genoemd staat als degene die sedert 2 mei 2000 de eigenaar is van [bedrijf N]. Een soortgelijk aandeelbewijs is opgemaakt voor Endstra met betrekking tot [bedrijf M]. Ook is Endstra vanaf die datum ingeschreven in het aandelenregister als (enig) aandeelhouder van [bedrijf N] en als (enig) aandeelhouder van [bedrijf M]. Op 9 juni 2000 schrijft [getuige J] (van [trustkantoor 2]) aan Endstra een faxbericht waarin zij mededeelt dat zij de accountmanager is van onder andere [bedrijf N] en [bedrijf M] en waarin zij Endstra verzoekt een aantal documenten, zoals een kopie van zijn paspoort op te sturen. Endstra’s trust in Liechtenstein, [trustkantoor Endstra], reageert hierop met een fax waarin verdere administratieve afspraken worden gemaakt. De [getuige K], destijds werkzaam bij [trustkantoor 1] te Wassenaar heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat volgens hem Endstra na 2 mei 2000 de eigenaar is geworden van [bedrijf N] en dat hij ook een aantal betalingsopdrachten van Endstra heeft afgewikkeld. In het door Deloitte en Touche opgestelde structuuroverzicht van de vennootschappen van verdachte per augustus 2001 komen [bedrijf M] en [bedrijf N] ook niet meer voor als ondernemingen die in het bezit zijn van verdachte. Op grond van de hiervoor genoemde stukken, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat Endstra per 2 mei 2000 eigenaar is geworden van [bedrijf N] en [bedrijf M]. Verdachte heeft gewezen op de brief van 3 augustus 2001 van Deloitte en Touche aan [bedrijf Endstra], waarbij een fiscaal advies wordt gegeven. In dat advies wordt als een van de uitgangspunten genoemd dat verdachte meerderheidsaandeelhouder is van [bedrijf L] (Enclave 5 1038). De rechtbank acht deze brief in het licht van hiervoor genoemde bewijsmiddelen van onvoldoende betekenis om aan vorenstaande conclusie af te doen. Niet uit te sluiten is overigens dat Endstra er belang bij had dat de verwerving van [bedrijf L] niet bekend zou worden in de buitenwereld. Overdracht om niet in 2002 In de door Endstra op 10 april 2003 bij [oud-notaris] afgelegde verklaring staat onder andere dat het bij [trustkantoor 1] bekend was dat ‘[bedrijf L]’ van Endstra was. Endstra zegt in deze verklaring te zijn gedwongen deze NV om niet over te dragen aan verdachte in december
  9. Endstra zou daarvoor bij [trustkantoor 1] stukken hebben moeten tekenen, waaruit zou moeten blijken dat hij geen eigenaar meer was van [bedrijf L]. Het dossier bevat daarnaast een door Endstra ondertekend briefje, gericht aan [bedrijf N] dat gedateerd is op 15 oktober 2002, en dat luidt: “I, Mr. W.A.P.A.M. Endstra, hereby declare never to have accepted the legal ownership and/or the beneficial ownership of the share certificate No. 2 representing the sole outstanding and paid up ordinary share capital of [bedrijf N]. Therefore I am not nor have been the beneficial owner of [bedrijf N]” Het dossier bevat een gelijkluidend briefje van dezelfde datum met dezelfde inhoud en ondertekend door Endstra, maar dan met betrekking tot [bedrijf M]. [betrokkene 13] heeft in dit kader verklaard dat de verkoop van [bedrijf N] pas op tafel kwam nadat hij de transactie van de buis wegens fiscale redenen had afgekeurd. Toen duidelijk was dat de verkoop van de telecombuis als een voor betalingen te gebruiken titel niet door kon gaan, zijn er volgens [betrokkene 13] blijkbaar contacten tussen verdachte en Endstra geweest over wat er dan wel moest gebeuren en waarbij de verkoop van [bedrijf N] is genoemd. Het door [betrokkene 13] opgestelde “Overzicht gemaakte afspraken” bevat als afspraak dat Endstra [bedrijf N] koopt voor fl 7 miljoen en fl. 3 miljoen extra, totaal fl. 10 miljoen. Feitelijk is de koopprijs in januari 2004 overigens vastgesteld op € 4.085.338 (fl. 9.002.900,20). De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de verklaring van Endstra dat hij nooit eigenaar van [bedrijf N] en [bedrijf M] is geweest, onvrijwillig moet zijn afgelegd. In het licht van de verklaring van [betrokkene 13] wordt immers duidelijk dat Endstra deze verklaring heeft moeten afleggen, zodat een titel gecreëerd kon worden om geldstromen te legitimeren. Daar waar Endstra in zijn verklaring afgelegd bij [oud-notaris] spreekt over het ‘om niet’ terug overdragen van ‘[bedrijf L]’ aan verdachte, moet daaronder begrepen worden het terugoverdragen van de moedervennootschap van [bedrijf L] ([bedrijf M]) en ook van [bedrijf N]. Dat Endstra in de verklaring bij [oud-notaris] uitsluitend spreekt over [bedrijf L] is niet onbegrijpelijk, omdat in die periode Endstra volop bezig was betalingen te verrichten aan [bedrijf L]. De gelijktijdige overdracht van [bedrijf M] en [bedrijf N] op 2 mei 2000 en de gelijktijdige afstand van deze twee vennootschappen in de op 15 oktober 2002 gedateerde verklaringen, rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank de conclusie dat aan de verklaring van Endstra bij [oud-notaris] mede het bewijs kan worden ontleend dat Endstra in 2002 gedwongen werd bij [trustkantoor 1] stukken te ondertekenen dat hij geen eigenaar meer was van [bedrijf N]. Overigens is het de rechtbank opgevallen dat 15 oktober 2002 niet de juiste datum kan zijn van de door Endstra afgegeven afstandsverklaringen, nu [getuige K] (van [trustkantoor 1]) op 13 november 2002 aan [getuige L] (van [trustkantoor 2], Curaçao) nog een mail schrijft met de volgende inhoud: “Ik heb zojuist de vaste adviseur gesproken van degene die niet de eigenaar van de vennootschappen bleek te zijn. Hij vroeg mij namens diegene om “nog een paar weken geduld te hebben omdat hij en de juiste eigenaar op dit moment werken aan een oplossing hieromtrent”. Ik laat het derhalve rusten tot uiterlijk 11 december waarna ik weer dagelijks om info zal vragen.” Kennelijk was op dat moment nog overleg gaande wie als eigenaar van onder andere [bedrijf N] moest worden aangemerkt. Met betrekking tot de waarde van [bedrijf N] overweegt de rechtbank nog het volgende. [betrokkene 13] heeft in een mail van 20 januari 2004 aan [getuige K] bericht dat hij met [getuige A] heeft afgesproken dat de aandelen in [bedrijf N] worden overgenomen door [bedrijf Endstra]. In een mail van [betrokkene 13] van dezelfde datum bericht deze aan [getuige L] dat de koopsom al ontvangen is en € 4.085.338 bedroeg. Ook schrijft hij dat het hem lijkt dat er een koopakte moet worden opgemaakt. Verdachte heeft geen aannemelijke verklaring kunnen geven voor de vraag waarom in 1999 een koopsom is overeengekomen van fl. 7 miljoen, in 2002 een extra betaling zou zijn overeengekomen van fl. 3 miljoen, terwijl feitelijk in januari 2004 € 4.085.338 (fl. 9.002.900,20) is betaald, welk bedrag niet valt te herleiden naar één of meer van de betalingen genoemd in het “Overzicht gemaakte afspraken” en evenmin kan worden teruggevonden bij de tien betalingen die Endstra aan verdachte heeft verricht. Overigens is de vermelding “[bedrijf N]” bij de betaling op 28 februari 2003 van € 3.400.000 niet te begrijpen als de prijs voor [bedrijf N] pas in januari 2004 zou zijn overeengekomen. De rechtbank kan en zal in het midden laten wat de waarde van [bedrijf N] bedroeg op de verschillende momenten, nu Endstra naar het oordeel van de rechtbank [bedrijf N] na een afstandsconstructie heeft moeten kopen om zo een titel te verkrijgen tot het verrichten van onverschuldigde betalingen. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de plaatsgevonden hebbende betalingen niet geacht kunnen worden te zijn verricht in verband met de aankoop van [bedrijf N] door Endstra. Witwassen Uit enig misdrijf afkomstig De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van witwassen moet worden bewezen, hetgeen uit de bewijsmiddelen moet blijken, dat het voorwerp in kwestie, in dit geval de gelden, afkomstig zijn uit enig misdrijf. Daarbij hoeft niet te worden vastgesteld door wie, wanneer en waar het misdrijf is gepleegd of welk specifiek misdrijf het betreft. In de visie van het openbaar ministerie zijn de gelden waar het om gaat afkomstig van afpersing van Endstra door [W.H.]. Het opsporingsonderzoek tegen verdachte is daar ook van meet af aan op gericht geweest. Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de bewijsmiddelen voldoende komen vast te staan dat de tien betalingen door Endstra aan verdachte het gevolg zijn van afpersing van eerstgenoemde door [W.H.]. Enerzijds zijn er de reeds besproken verklaringen en aantekeningen van Endstra, bezien in samenhang met de verklaringen van [getuige A], [getuige B] en [betrokkene 13] en de bankafschriften. Hieruit blijkt dat daadwerkelijk betalingen zijn verricht en dat deze betalingen van Endstra aan verdachte een afgedwongen karakter hadden. Endstra heeft zowel in zijn verklaringen, afgelegd tegenover onder meer [oud-notaris], [getuige A] en [getuige B], als in zijn dagboekaantekeningen aangegeven dat er een connectie bestaat tussen de betalingen aan verdachte en de afpersing door [W.H.] en dat betalingen aan verdachte dan ook gezien moeten worden als betalingen aan [W.H.]. Anderzijds heeft de rechtbank hiervoor geconstateerd dat aan die betalingen gefingeerde titels ten grondslag zijn gelegd. Met betrekking tot de dagboekaantekeningen van Endstra overweegt de rechtbank in het bijzonder nog het volgende. In de aantekeningen worden bedragen en data genoemd, die in belangrijke mate aansluiten bij de door verdachte ontvangen betalingen. Zo begrijpt de rechtbank dat op de derde pagina van de dagboekaantekeningen een overzicht van het totaalbedrag dat Endstra gedwongen moest betalen staat vermeld, te weten 49.500 (fl. 49,5 miljoen). Het staatje geeft voorts aan wat er al betaald is en wat er nog open staat, de rechtbank begrijpt: 23.500 (fl. 23,5 miljoen). De rechtbank begrijpt dat er onder de noemer ‘[bedrijf N]’ een bedrag van 10.000 (fl. 10 miljoen) door Endstra is betaald en dat dit afgetrokken wordt van hetgeen aan [W.H.] betaald moet worden. Dit bedrag sluit aan bij het door [betrokkene 13] opgestelde “Overzicht gemaakte afspraken”, dat als eerste afspraak de betaling van fl. 10 miljoen in verband met de koop door Endstra van [bedrijf N] omschrijft. Op deze pagina van de dagboekaantekeningen noteert Endstra eveneens dat hij voor 1 april
(2003)dient te betalen, omdat verdachte anders alles (de aandelen [bedrijf Endstra]) afneemt voor [W.H.]. Op pagina vijf van de dagboekaantekeningen schrijft Endstra over een BV die verdachte heeft teruggenomen. De rechtbank heeft hierboven vastgesteld dat Endstra inderdaad gedwongen is geweest [bedrijf M], van wie Endstra sedert 2 mei 2000 eigenaar was en welke vennootschap eigenaar was van [bedrijf L], terug te geven aan verdachte, althans te verklaren dat hij nooit eigenaar is geweest. Op pagina zeven van de dagboekaantekeningen schrijft Endstra met betrekking tot 22 juni
(2003): “Ik moet naar de Japaner in IJmuiden. [betrokkene 5] belde. W.H. zal daar zijn en hij is boos want hij wil geld zien van W.F.C. Staat in Frankfurt van [bedrijf Endstra] en moet ik overmaken, naar een [accountmanager] dat schijnt rekening te zijn van [verdachte]! Hij wil nog 10 mio Euro. Ik kan er maar 3 betalen en restant als boot verkocht wordt 4,
  1. Ontmoeting met [betrokkene 5] bij Shell Station IJmuiden om 9 uur komt [W.H.] daar. Ik kreeg brief met vragen over dat geld maar ik had geen €10 mio overgemaakt maar slechts € 2.800 naar [bedrijf L].” Uit de betalingsoverzichten blijkt dat er een betalingsopdracht is van 24 juni 2003 op naam van [bedrijf Endstra], waarbij € 2.800.00 wordt overgemaakt naar de zogenoemde [accountmanager]rekening bij UBS. De rechtbank leidt hieruit af dat [W.H.] op de hoogte is van een bankrekening van verdachte en betalingen op die rekening wenst te ontvangen. Pagina 15 van de dagboekaantekeningen is weliswaar niet volledig te doorgronden, maar bevat wel een overzicht van de betalingen die Endstra aan verdachte heeft gedaan. De 1e en de 2e betaling vormen samen een bedrag van fl. 10 miljoen wat bovenaan zichtbaar is. Na 28-2 wordt een bedrag vermeld dat gelijk is aan de 3e betaling, € 3.400.000 op naam van [bedrijf L]. Na 2-4 wordt een bedrag vermeld van € 900.000, met vermelding [bedrijf L], hetgeen de 5e betaling weergeeft op rekening van [bedrijf L]. Na 13-3 staat een bedrag van € 1.500.000 [accountmanager] opgenomen en dat komt overeen met de 4e betaling op de zogenoemde [accountmanager]rekening. Na 26-5 staat een bedrag vermeld van € 1.500.000 -> [bedrijf E]. Dit ziet naar het oordeel van de rechtbank op de 7e betaling, afkomstig van de derdengeldrekening van Loyens&Loeff, vrijkomend uit een transactie met betrekking tot de Akragontoren. Onder deze regel staat een bedrag vermeld van € 450.000 Bank [bedrijf L] 21-4-
  2. De rechtbank ziet hierin de 6e betaling vermeld. De regel hieronder noemt een bedrag van 2800,- [accountmanager] 26-
  3. De rechtbank is van oordeel dat hier moet worden gelezen € 2.800.000 en dat Endstra hiermee de 8e betaling verwoordt, gestort op de [accountmanager]rekening. Nagenoeg onderaan staat een bedrag vermeld van € 400.000--- [bedrijf L] +/- 25 juli. Dit ziet naar het oordeel van de rechtbank op de 9e betaling. Hoewel de tiende betaling niet in de dagboekaantekeningen voorkomt, noch anderszins door Endstra genoemd wordt, merkt de rechtbank ook deze betaling als afgedwongen betaling aan, nu deze betaling blijkens de verklaring van verdachte samenhangt met de overige betalingen en deel uitmaakt van het totaalbedrag dat Endstra aan verdachte moest betalen. De rechtbank heeft hiervoor reeds geoordeeld dat aan die betalingen geen rechtsgeldige titel ten grondslag ligt. Al deze betalingen hebben derhalve, in het licht van de overige aantekeningen en de gedingstukken, naar het oordeel van de rechtbank te gelden als door [W.H.] afgedwongen betalingen die door Endstra aan verdachte zijn gedaan. Wist of redelijkerwijs moest vermoeden Ten aanzien van de wetenschap van verdachte overweegt de rechtbank het volgende. Allereerst stelt de rechtbank vast dat, op basis van hetgeen hiervoor onder ‘de tien betalingen’ is overwogen, verdachte volledige wetenschap had omtrent de door Endstra verrichte betalingen. Verdachte had naar eigen zeggen het overzicht en hield bij wanneer er welk bedrag was binnengekomen. Verdachte besprak de betalingen met Endstra. Daarnaast is er met medeweten van verdachte en soms op diens initiatief, gezocht naar titels om betalingen van Endstra naar verdachte te legitimeren. Er is naast de drie door verdachte genoemde titels als grondslag voor de betalingen van Endstra, sprake geweest van de titel ‘verkoop telecombuis’ en de titel ‘commissiebetalingen’. [betrokkene 13] heeft in dat kader verklaard dat er is gezocht naar goede titels om de geldstroom, die blijkbaar tussen Endstra en verdachte was afgesproken, op een juiste manier in de boeken te krijgen. [betrokkene 13] heeft ook geconstateerd dat de betalingen blijkbaar op iets anders doelden dan hetgeen hem in eerste instantie verteld is. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard (6 april 2010) dat Endstra hem voorstelde om met betrekking tot de betalingen iets te bedenken waardoor de betaling van Endstra aan hem een voor Endstra fiscaal gunstige uitwerking had. Dit zou hebben geleid tot een voorstel van verdachte aan Endstra om een transactie aan te gaan waarbij één van de ondernemingen van verdachte een telecombuis zou verkopen of in licentie zou verstrekken aan één van Endstra’s vennootschappen. Verdachte zou dan uit het verschil tussen zijn inkoopprijs ( € 500.000) en de prijs die Endstra zou betalen (ruim € 15.500.000) een bedrag ter beschikking krijgen dat Endstra uit andere hoofde aan verdachte diende te betalen. Deze transactie is uiteindelijk niet doorgegaan omdat deze financieel onvoordelig voor verdachte zou uitwerken. [betrokkene 13] heeft in zijn “Overzicht gemaakte afspraken” opgenomen dat Endstra in verband met verschuldigde commissies € 3.857.000,- (later € 6.857.000) aan verdachte diende te betalen, met als reden dat verdachte zou hebben bemiddeld bij twee vastgoedtransacties. Deze commissiebetalingen zijn ook opgenomen in de akte die Endstra op 10 april 2003 heeft ondertekend. Endstra zegt hierover in zijn verklaring afgelegd bij [oud-notaris] dat de schulden gefingeerd zijn. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij geen enkele bemoeienis met de betreffende vastgoedtransacties heeft gehad en derhalve ook geen recht had op commissie hiervoor. Verdachte zou echter niet op de hoogte zijn geweest van het gebruik van deze titel. Volgens [betrokkene 13] heeft hij het ‘overzicht gemaakte afspraken’ echter wel met verdachte besproken en was verdachte op de hoogte van de inhoud van de akte, al voor deze op 10 april 2003 bij de notaris door Endstra is ondertekend. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de juistheid van deze verklaring van [betrokkene 13] te twijfelen. Dat verdachte niet op de hoogte was van het gebruik van deze gefingeerde titel, acht de rechtbank derhalve onaannemelijk. De rechtbank is van oordeel dat de titels ‘telecombuis’ en ‘commissies’ passen in het beeld van het zoeken en fingeren van titels om de geldstroom van Endstra naar verdachte te legitimeren. Verdachte moet wetenschap hebben gehad van de gefingeerde titel ‘commissies’ en kwam zelf met het idee van de ‘telecombuis’. Dat deze titels niet werden gebruikt was niet omdat ze niet in overeenstemming waren met de werkelijkheid, maar omdat de uitwerking financieel voor verdachte ongunstig bleek te zijn. In het licht van alle hiervoor genoemde feiten en omstandigheden kan het niet anders zijn dan dat verdachte ook op de hoogte was van het afgedwongen karakter van de door hem ontvangen gelden. Relatie verdachte met [W.H.] De rechtbank heeft geen goed zicht gekregen op de relatie [W.H.] – verdachte. Verdachte heeft verklaard dat hij [W.H.] tweemaal bij Endstra heeft gezien en slechts beleefdheden met hem heeft uitgewisseld. [getuige M] verklaarde dat verdachte vanaf 1994/1995 regelmatig bij haar en Endstra op bezoek kwam en dat zij verdachte en [W.H.] daar samen heeft gezien. Ze zouden elkaar bij de voornaam aanspreken en [W.H.] zou de beveiliging van de boerderij van verdachte geregeld hebben. Uit de verklaring van de [getuige N] maakt de rechtbank op dat [W.H.] op zijn minst gedurende enige tijd betrokken is geweest bij de beveiliging van de boerderij van verdachte aan de [adres 10]. Voorts blijkt uit de hiervoor geciteerde dagboekaantekeningen van Endstra dat [W.H.] er blijkbaar van op de hoogte is dat verdachte bij UBS een rekening heeft, waarbij [naam accountmanager] de accountmanager is. De rechtbank is op basis van voornoemde feiten en omstandigheden van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat er contacten tussen [W.H.] en verdachte zijn (geweest) en dat die contacten omvangrijker zijn (geweest) dan dat verdachte de rechtbank wil doen geloven. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte nauw en bewust moet hebben samen gewerkt met [W.H.], zodat medeplegen wettig en overtuigend bewezen is. De rechtbank heeft evenmin inzicht gekregen of, hoe en in welke omvang de aan verdachte verrichte betalingen bij [W.H.] terecht zijn gekomen. De rechtbank stelt wel vast dat verdachte zijn economische activiteiten in een structuur heeft gezet, waarbij gewerkt wordt met in belastingparadijzen, zoals de Britse Maagdeneilanden, gevestigde (moeder)vennootschappen, die niet of nauwelijks verplichtingen kennen met betrekking tot het voeren van een administratie en een boekhouding. Deze op zich overigens legale constructies bieden daarmee wel maximale mogelijkheden om activiteiten en gegevens te verhullen met betrekking tot onder meer feitelijke zeggenschap, vermogen en geldstromen. Dit wordt nog versterkt wanneer daarnaast ook gewerkt wordt met trustkantoren die officieel de directie voeren over werkvennootschappen, terwijl deze in feite louter uitvoerder zijn van opdrachten van de feitelijke eigenaren, zoals verdachte dat is met betrekking tot onder andere [bedrijf N] en [bedrijf M]. De verhullende mogelijkheden worden voorts bevorderd doordat verdachte gebruik maakt van Zwitserse coderekeningen, waardoor voor de buitenwereld zelfs het bestaan van een door verdachte gebruikte bankrekening niet zichtbaar is. De rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat verdachte geldbedragen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat ze uit misdrijf afkomstig waren. Doordat verdachte dit feit gedurende een lange periode en middels diverse transacties heeft begaan, acht de rechtbank bewezen dat sprake is van (het medeplegen van) gewoontewitwassen. Ten aanzien van feit 2 De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen waarbij de rechtbank – nu verdachte een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering is – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten: - de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 15 april 2010; - een schriftelijk bescheid zijnde een Escrow Agreement gedateerd 6 april 2000 (Enclave 2 5264-5268); - een schriftelijk bescheid zijnde de Nederlandse vertaling van de Escrow Agreement gedateerd 6 april 2000 (Enclave 2 5279-5285); - een schriftelijk bescheid zijnde een Basic document for Account/Custody Account van UBS voor de rekening met nummer [rekeningnummer] op naam van [verdachte], gedateerd 11 december 2002 (Enclave 2 5406 – 5408); - een schriftelijk bescheid, zijnde een Verification of the beneficial owner´s identity van UBS voor de rekening met nummer [rekeningnummer] op naam van [verdachte], gedateerd 11 december 2002 met bijlagen (Enclave 2 5410 -5412); - schriftelijke beantwoording van vragen door UBS d.d. 16 januari 2006 (beëdigde vertaling in het Nederlands) in het kader van het rechtshulpverzoek van Nederland aan Zwitserland (Enclave 2 5469 – 5460). Voor zover in de schriftelijke beantwoording van vragen door UBS d.d. 16 januari 2006 als rekeningnummer [foutief rekeningnummer] staat vermeld, gaat de rechtbank ervan uit dat dit een kennelijke verschrijving betreft en dat bedoeld wordt het rekeningnummer [rekeningnummer]. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging. Ten aanzien van feit 3 De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen: Het dossier bevat een – onder verdachte – inbeslaggenomen ‘Escrow Agreement’ (overeenkomst inzake een zekerheidsstelling) gedateerd en ondertekend te Amsterdam op 6 april
  4. In deze overeenkomst is opgenomen dat [bedrijf A] te Amsterdam als verkopende partij en [koper] te London als kopende partij op 13 januari 2000 een overeenkomst zijn aangegaan tot (ver)koop van het aandelenkapitaal van de [bedrijf B]. In de ‘Escrow Agreement’ is bepaald – zakelijk weergegeven – dat bij deze verkoop door [bedrijf A] een deel van de koopsom, groot fl. 75 miljoen op een zogenoemde Escrow rekening zal worden gestort, te weten de bankrekening bij de Union Bank of Switzerland A.G. (hierna: UBS) met rekeningnummer [rekeningnummer] op naam van [bedrijf A]. UBS is de in de overeenkomst genoemde Escrow Agent. Indien de kopende partij geen beroep zou doen op de door verkoper verstrekte garanties bij de verkoop, zal het bedrag van fl. 75 miljoen in zes jaarlijkse termijnen in de periode van 5 mei 2001 tot en met 5 februari 2006 aan [bedrijf A] worden uitgekeerd op bankrekeningnummer [rekeningnummer 2] ten name van [bedrijf A]. De rekening met nummer [rekeningnummer] is op 11 december 2002 door verdachte als privé persoon aangevraagd bij UBS, gebruikmakend van een (kopie van zijn) paspoort afgegeven op 10 mei
  5. Op 13 december 2002 stuurt [getuige O] van UBS een brief aan verdachte waarbij de toekenning van een rekening met nummer [rekeningnummer] bij UBS aan verdachte wordt doorgegeven. Op 3 december 2003 stuurt verdachte in het kader van een te verstrekken financiering door de SNS Bank een faxbericht aan de heer [getuige P] van de SNS-bank waarbij de Escrow Agreement en de bijbehorende letter of undertaking worden meegezonden. Op 12 december 2003 verleent de SNS Bank, onder hoofdelijke aansprakelijkheid van verdachte, aan [bedrijf O] en [bedrijf F] een krediet van € 1.500.
  6. Verdachte tekent namens [bedrijf O] en [bedrijf F] deze kredietovereenkomst op 12 december 2003 te Maarssen. De echtgenote van verdachte, mevrouw [echtgenote verdachte] heeft de overeenkomst mede ondertekend. De heer [getuige Q], algemeen directeur van [koper Mediamax] tot 31 december 2003, heeft verklaard dat [koper] in het jaar 2000 [bedrijf B] heeft overgenomen van verdachte en dat de koopprijs in één keer volledig is overgemaakt, zonder voorbehoud. De Escrow Agreement herkent hij niet. De handtekening bij ‘purchaser’ betreft niet zijn eigen handtekening. Iemand heeft geprobeerd deze handtekening na te maken. De heer [getuige P], directeur Bedrijven & Instellingen van de SNS-bank, heeft het volgende verklaard. Hij herkent de Escrow Agreement. Deze is door verdachte ingebracht ter staving van geldstromen die door deze werden verwacht. [getuige P] heeft te kennen gegeven in het kader van de verlening van een tijdelijk krediet een cash flow te willen zien. Hij beschouwde de Escrow Agreement als het aantonen dat er in de toekomst geld zou binnen komen. Op de vraag wanneer de Escrow Agreement is ingebracht heeft [getuige P] verklaard dat hij tegen verdachte heeft gezegd dat hij concreet een geldstroom wilde zien, waarna verdachte met de Escrow Agreement is gekomen. Er is geen contact geweest tussen hem en UBS of [koper] met betrekking tot deze overeenkomst. Op de vraag hoe het komt dat de bank een krediet verstrekt van 1.500.000 euro zonder onderliggende zekerheid of zekerheden, heeft [getuige P] verklaard dat dit deels te maken heeft met de ervaring die zij hadden met verdachte, dat een ander punt de privé commitment van verdachte was en dat de bank tevens de beschikking had over een vermogensoverzicht, vervaardigd door Deloitte & Touche, door de accountant goedgekeurde jaarrekeningen en de ingebrachte Escrow Agreement. Uit de Escrow Agreement bleek dat er op termijn geld zou vrijkomen waarmee de tijdelijke kredietfaciliteit bij de SNS bank ingelost kon worden. Als verdachte niet had kunnen aantonen dat hij deze tijdelijke kredietfaciliteit had kunnen inlossen, was het krediet niet verstrekt, aldus [getuige P]. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat de koopprijs voor [bedrijf B] van [koper] in één keer is ontvangen, op of omstreeks 17 april
  7. Verdachte heeft voorts verklaard dat het juist is dat de Escrow Agreement vals is. Een werknemer op zijn kantoor te Maarssen, van wie verdachte de naam niet wil noemen, heeft de overeenkomst opgesteld en verdachte heeft het document ondertekend, wetende dat deze overeenkomst vals was, omdat er werkkapitaal nodig was. De Escrow Agreement is één keer gebruikt en wel ter verkrijging van het krediet bij de SNS bank. Het is valsheid in geschrifte, aldus verdachte. Verdachte heeft verder verklaard zelf de besprekingen met [getuige P] van de SNS bank in Amsterdam te hebben gevoerd met betrekking tot de kredietovereenkomst. Verdachte neemt aan dat daarbij meerdere stukken zijn overgelegd, zoals een vermogensopstelling en jaarstukken. Ook de Escrow Agreement is ingebracht. De bank had een hele vragenlijst en waarschijnlijk wilden ze wat aanvullends om duidelijkheid te krijgen over de terugbetaling van het krediet, aldus verdachte. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat de verklaring van [getuige P] voor zover inhoudend dat het krediet niet zou zijn verleend zonder de Escrow Agreement, nuancering behoeft. Een kredietovereenkomst is gebaseerd op de inbreng van diverse gegevens. Verdachte had en heeft een goede relatie met de SNS bank. Daarnaast stond verdachte persoonlijk borg voor de lening. De raadsman van verdachte heeft betoogd dat er geen sprake is van een oplichting van de SNS Bank, nu het voor het bewijs van oplichting vereiste oorzakelijk verband tussen het inbrengen van de Escrow Agreement bij de SNS Bank en de afgifte van het krediet ontbreekt althans niet is aangetoond. [getuige P] wilde zekerheid hebben dat de tijdelijke kredietfaciliteit zou kunnen worden ingelost. Hiertoe achtte hij in de visie van de verdediging een vijftal cumulatieve factoren van belang, te weten: de ervaring die de SNS Bank had met verdachte, de hoofdelijke aansprakelijkheid van verdachte, het vermogensoverzicht van Deloitte en Touche, de Escrow Agreement en de door de accountant goedgekeurde jaarrekening. Niet is na te gaan welk gewicht binnen het geheel van deze factoren aan de Escrow Agreement toegekend moet worden, zodat het oorzakelijk verband tussen de inbreng van de Escrow Agreement en de afgifte van het krediet niet kan worden bewezen. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. De verdediging heeft terecht betoogd dat er voor een bewezenverklaring ingevolge artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht een oorzakelijk verband moet bestaan tussen het aanwenden van een bedrieglijk middel en de door de dader beoogde afgifte van het goed. Dit causale verband ligt besloten in het bestanddeel ‘bewegen tot’ in de delictsomschrijving van de in genoemd artikel strafbaar gestelde oplichting. Om te kunnen spreken van ‘bewegen tot’ is reeds voldoende dat zonder de aanwending van het (bedrieglijke) middel de afgifte van het goed niet zou zijn gevolgd. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van getuige [getuige P] niet anders begrepen kan worden dan dat de SNS Bank als voorwaarde voor het verstrekken van het krediet zeker wilde weten dat er bij verdachte in de toekomst voldoende liquiditeit te verwachten was om de tijdelijke kredietfaciliteit in te lossen en dat de Escrow Agreement ter staving daarvan werd ingebracht. Anders dan de raadsman heeft betoogd is hiermee het oorzakelijk verband tussen de inbreng van de Escrow Agreement en de afgifte van de lening aangetoond. Immers, met de Escrow Agreement werd nu juist aangetoond dat er bij verdachte in de toekomst geld binnenkwam. Dat de andere door de verdediging genoemde factoren voor de SNS Bank mogelijk ook een rol hebben gespeeld om het krediet zonder onderliggende zekerheid of zekerheden aan verdachte te verstrekken, is een vraag die losstaat van dit oorzakelijke verband en daaraan ook niets afdoet. Overigens volgt uit de verklaring van verdachte inhoudende dat de bank waarschijnlijk iets aanvullends wilde om duidelijkheid te verkrijgen over de terugbetaling en dat om die reden de Escrow Agreement is overgelegd, dat verdachte er ook zelf vanuit is gegaan dat er een oorzakelijk verband tussen de inbreng van de Escrow Agreement en het verleende krediet bestond. Het verweer wordt dan ook verworpen. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting van de SNS Bank middels gebruikmaking van een valse Escrow Agreement. Ten aanzien van feit 4 De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 4 tenlastegelegde feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen: Verwerving en voorhanden hebben van de aandelen [bedrijf C] Op 13 augustus 1998 heeft [bedrijf P] de aandelen in de vennootschap [bedrijf C] (hierna: [bedrijf C]) verworven. [bedrijf P] is een dochteronderneming (100%) van [bedrijf O-oud], waarvan de naam later is gewijzigd in [bedrijf O]. Deze vennootschappen zijn gevestigd aan de [adres 6], het kasteel waar verdachte kantoor houdt. [bedrijf O-oud], het latere [bedrijf O], is op haar beurt op 7 januari 1997 te Amsterdam opgericht door [bedrijf Q], een Antilliaanse vennootschap. Verdachte is de beneficial shareholder van [bedrijf Q], hetgeen hij ter terechtzitting ook heeft bevestigd. Verdachte heeft in die hoedanigheid de onderhandelingen voor de overname van [bedrijf C] gevoerd. Hij heeft tevens verklaard de aandelen [bedrijf C] nog steeds in handen te hebben. Vast staat derhalve dat verdachte de aandelen [bedrijf C] voorhanden heeft gehad in de tenlastegelegde periode. De vennootschap [bedrijf C] is eigenaar van hotel [naam] te Huizen. [bedrijf C] heeft tevens een 100% deelneming in [bedrijf R], waarin de exploitatie van het hotel is ondergebracht. Uit de zich in het dossier bevindende stukken en het verhandelde ter terechtzitting kan niet met zekerheid worden vastgesteld wat op 13 augustus 1998 de exacte koopprijs van de aandelen [bedrijf C] is geweest. De notariële akte waarbij de aandelen [bedrijf C] zijn overgedragen, bevat geen koopprijs en de koopovereenkomst waarnaar in de akte wordt verwezen, bevindt zich niet bij de stukken. De financieel economische recherche heeft op basis van de jaarrekeningen van de verkopende vennootschappen [verkoper 1] en [verkoper 2] over 1997 en 1998 berekend dat de verkoopprijs van de aandelen circa fl. 3.778.000,- moet zijn geweest. Op de bankafschriften ten name van [bedrijf B], een vennootschap van verdachte, staan twee betalingen vermeld op 13 augustus 1998 naar een derdengeldrekening van kantoor Loeff CS. Deze betalingen betreffen een bedrag van fl. 161.638 en een bedrag van fl. 9.921.489, in totaal fl. 10.083.
  8. Beide bedragen zijn overgemaakt naar rekening [rekeningnummer] op naam van 'Loeff CS derdgeld', onder vermelding van 'dossier [dossiernummer]'. De bankrekeningen van [bedrijf B] worden verwerkt in de grootboekadministratie van [bedrijf S], eveneens een vennootschap van verdachte. In deze grootboekadministratie zijn de beide betalingen naar de bankrekening van Loeff CS verwerkt in de rekening-courant met verdachte. Daarbij werden de betalingen voorzien van de omschrijving 'LOEFF [naam hotel]’. Daarnaast is in de grootboekadministratie van [bedrijf O] een boeking gemaakt op 13 augustus 1998 voor een bedrag van € 4.575.523,
  9. Dit bedrag is gelijk aan fl. 10.083.
  10. Bij deze boeking staat als omschrijving vermeld "Aankoop [bedrijf C]". Verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat de betalingen die op 13 augustus 1998 zijn gedaan op de derdengeldrekening van Loeff, betrekking hebben op de aankoop van [bedrijf C]. Volgens verdachte ziet dit bedrag op de aankoop van de aandelen en het aandeelhoudersbelang. Voor de aandelen heeft hij ongeveer fl. 4.5 miljoen betaald. Het aandeelhoudersbelang betrof een bedrag van ongeveer fl. 5 miljoen. Daarnaast heeft verdachte ook nog een lening bij Staalbankiers van ongeveer fl. 15 miljoen overgenomen. De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat verdachte voor de verwerving van de aandelen [bedrijf C] ten minste een bedrag van fl. 3.7 miljoen heeft betaald. De prijs voor de aandelen maakte kennelijk deel uit van het bedrag van fl. 10.083.127 dat in verband met de aankoop van de rekening van [bedrijf B] op de derdengeldrekening van Loeff is gestort. Het geld waarmee de aandelen zijn verworven Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de aandelen [bedrijf C] zijn verworven met geld met een criminele herkomst. Het zou gaan om twee bedragen, te weten: - een contante storting van een bedrag van fl. 8,5 miljoen op 29 mei 1998; - een storting van fl. 3 miljoen door Endstra op 28 juli
  11. Door de vermenging van dit criminele geld met andere gelden op bankrekeningen van (bedrijven van) verdachte, zou het gehele saldo van deze bankrekeningen ‘besmet’ zijn geraakt. Uit dit saldo zijn vervolgens de aandelen [bedrijf C] verworven, zodat ook deze aandelen afkomstig zijn uit enig misdrijf, aldus het openbaar ministerie. In het navolgende zal de rechtbank allereerst bespreken of het bedrag van fl. 8,5 miljoen en het bedrag van fl. 3 miljoen daadwerkelijk terecht zijn gekomen op bankrekeningen waarmee uiteindelijk de aandelen [bedrijf C] zijn verworven. Vervolgens zal de rechtbank de herkomst van deze bedragen bespreken, ten einde vast te stellen of de bedragen een criminele herkomst hebben. Contante storting van fl. 8,5 miljoen Op 29 mei 1998 is in Luxemburg een bedrag van fl. 8,5 miljoen contant gestort op een rekening ten name van [bedrijf N], aangehouden bij de American Express Bank. [bedrijf N] was op dat moment eigendom van verdachte. Verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat hij voornoemd bedrag heeft laten storten op de rekening van [bedrijf N]. Voordat het bedrag van fl. 8,5 miljoen werd gestort, was het rekeningsaldo nihil. Na de storting vinden er geen nieuwe stortingen plaats. De enige bewegingen op de rekening zijn zeer korte termijndeposito’s. Vervolgens worden vanaf de rekening van [bedrijf N] drie bedragen van in totaal fl. 5.950.000 overgemaakt naar een rekening ten name van [bedrijf T]. Het betreft de volgende bedragen: - fl. 1.000.000 op 30 juni 1998 met omschrijving ‘TRFT [bedrijf T]’; - fl. 750.000 op 10 juli 1998 met omschrijving ‘TRF [bedrijf T]’; - fl. 4.200.000 op 16 juli 1998 met omschrijving ‘[bedrijf T]’. De rechtbank stelt vast dat in totaal een bedrag van fl. 5,95 miljoen, dat afkomstig is uit het contant gestorte bedrag van fl. 8,5 miljoen, is overgemaakt naar de rekening van [bedrijf T]. Verdachte heeft verklaard dat hij de opdracht tot overboeking van deze bedragen heeft gegeven en dat hij de vennootschap [bedrijf T] gebruikt om bedragen door te boeken naar andere vennootschappen. De hiervoor genoemde door [bedrijf T] ontvangen drie bedragen zijn vervolgens op dezelfde dag of enkele dagen na ontvangst doorgeboekt naar een bankrekening ten name van [bedrijf S]. Het betreft de volgende overboekingen: - fl. 1.000.000 op 30 juni 1998 met omschrijving ‘LOAN INC/A’; - fl. 750.000 op 14 juli 1998 met omschrijving ‘LOAN INC/A’; - fl. 4.200.000 op 21 juli 1998 met omschrijving ‘LOAN INC/A.’ Vastgesteld kan derhalve worden dat een bedrag van in totaal fl. 5,95 miljoen, afkomstig uit het contant gestorte bedrag van fl. 8,5 miljoen, terecht is gekomen op de bankrekening ten name van [bedrijf S]. Vanaf de bankrekening van [bedrijf S] is op 4 augustus 1998 een bedrag van fl. 26 miljoen overgeboekt naar de rekening van [bedrijf B]. Op het betreffende bankafschrift (met datum 4 augustus 1998) valt te zien dat het saldo op de rekening van [bedrijf S] voorafgaand aan deze overboeking van fl. 26 miljoen fl. 26.798.753,30 bedraagt. Dit gegeven, bezien in samenhang met de bankafschriften waaruit volgt dat in de weken voor 4 augustus 1998 diverse grote bedragen zijn gestort op deze rekening, waaronder een bedrag van fl. 2.9 miljoen waarop hierna nog nader zal worden ingegaan en de hiervoor genoemde drie bedragen tot een totaal van fl. 5,95 miljoen, kan het niet anders dan dat laatstgenoemd bedrag, althans een zeer aanzienlijk deel daarvan, deel heeft uitgemaakt van de fl. 26 miljoen die naar de rekening van [bedrijf B] is geboekt. Op de bankrekening ten name van [bedrijf B] komt op 4 augustus 1998 een bedrag van fl. 37 miljoen binnen, waarvan het bedrag van fl. 26 miljoen van [bedrijf S] blijkens het boekingsnummer 471 deel uitmaakt. Vóór deze storting stond de rekening ruim fl. 27,5 miljoen debet, na de storting is er een creditstand van ruim fl. 9 miljoen. Van het saldo op deze rekening is uiteindelijk fl. 10.083.127,- op de derdengeldrekening van Loeff gestort, waarmee onder meer de koopprijs voor de aandelen [bedrijf C] is voldaan. Schematisch ziet de route van het geld er als volgt uit: [schema] Storting fl. 3 miljoen door Endstra In het dossier bevindt zich een brief d.d. 4 juni 1998 van [trustkantoor Endstra] te Liechtenstein aan Sarina Yachts te Guernsey, waaruit volgt dat het jacht ‘Low Profile’ is verkocht en dat de verkoopsom van GBP 1.850.000 overgemaakt dient te worden naar bankrekening [rekeningnummer] bij de Neue Bank AG te Vaduz, Liechtenstein. [trustkantoor Endstra] is een bedrijf van Endstra. Op 16 juli 1998 wordt op deze bankrekening een bedrag van GBP 1.849.665 ontvangen onder de vermelding ‘Sale proceeds of m/y Low Profile.’ Op 28 juli 1998 maakt [trustkantoor Endstra] een bedrag van fl. 3 miljoen over naar een bankrekening ten name van [bedrijf L], een bedrijf van verdachte. De omschrijving bij het bedrag luidt ‘by one of our clients’. Op 29 juli 1998 is vervolgens een bedrag van fl. 2,9 miljoen overgemaakt van de rekening van [bedrijf L] naar de rekening van [bedrijf T] onder de vermelding ‘loan’. Vervolgens is diezelfde dag fl. 2,9 miljoen overgemaakt van de rekening van [bedrijf T] naar de rekening van [bedrijf S] onder de vermelding ‘loan in c/a’. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij er vanuit gaat dat hij de opdracht tot deze overboekingen heeft gegeven. De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat een bedrag van fl. 2,9 miljoen, afkomstig uit een storting van fl. 3 miljoen die afkomstig is van Endstra, althans een aan hem te liëren vennootschap, op de rekening van [bedrijf S] terecht is gekomen. Zoals hiervoor reeds opgemerkt bij de storting van fl. 8,5 miljoen, wordt op 4 augustus 1998 van de bankrekening van [bedrijf S] een bedrag van fl. 26 miljoen overgeboekt naar de rekening van [bedrijf B]. Op het bankafschrift valt te zien dat het saldo op de rekening van [bedrijf S] voorafgaand aan deze overboeking fl. 26.798.753,30 bedraagt. Dit gegeven, bezien in samenhang met het feit dat het bedrag van fl. 2,9 miljoen kort daarvoor, namelijk op 29 juli 1998 op deze rekening is gestort, maakt dat ook dit bedrag – samen met enkele andere grote stortingen in die periode – deel moet hebben uitgemaakt van de overgeboekte fl. 26 miljoen. Op de rekening van [bedrijf B] komt op 4 augustus 1998 een bedrag van fl. 37 miljoen binnen, waarvan het bedrag van fl. 26 miljoen van [bedrijf S] deel uitmaakt, blijkens het boekingsnummer
  12. Vóór deze storting was het saldo op deze rekening ruim fl. 27,5 miljoen debet, na de storting is er een creditstand van ruim fl. 9 miljoen. Uit dit bedrag is uiteindelijk fl. 10.083.127,- op de derdengeldrekening van Loeff gestort, waaruit de koopprijs voor de aandelen [bedrijf C] is betaald. Schematisch ziet de route van het geld er als volgt uit: [schema] De herkomst van het geld De herkomst van het bedrag van fl. 8,5 miljoen Verdachte heeft verklaard dat het geld afkomstig is uit de verkoop van kunst. Hij stelt zeven schilderijen en een beeld uit zijn privé collectie eind 1997 of begin 1998 te hebben verkocht voor fl. 8,5 miljoen, welk bedrag contant aan hem is betaald en na enkele maanden in de kluis op kantoor in Amsterdam te hebben gelegen, op een zakelijke rekening in Luxemburg is gestort, omdat storting van een dergelijk bedrag in Nederland niet mogelijk was. Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast. Het dossier bevat geen enkel document waaruit blijkt dat verdachte de bedoelde kunstwerken in zijn bezit heeft gehad. Enig gegeven omtrent de bedoelde kunstwerken zelf, zoals een omschrijving in een catalogus of een foto, is niet aanwezig. Verdachte kent geen van de kunstwerken bij naam. Verder is er geen enkel document of bewijs met betrekking tot het vervoer, de verkoop en de levering van de kunstwerken. Hetzelfde geldt voor de vaststelling van de koopprijs op fl. 8,5 miljoen en de betaling en de ontvangst daarvan. Enig bewijs ontbreekt ook met betrekking tot de feitelijke betrokkenheid van een tussenpersoon bij de verkoop, te weten [betrokkene 13]. Niet bekend is wie de koper van de kunstwerken is. Er is niemand die de transactie of onderdelen daarvan kan bevestigen. De enige persoon die de transactie zou kunnen bevestigen, handelaar [betrokkene 13], is al enige tijd geleden overleden. Verdachte is naar eigen zeggen een groot liefhebber en verzamelaar van kunst. Hij kan de kunstwerken waar het om gaat in algemene termen omschrijven, maar hij kan desgevraagd niet met exactheid aangeven welke werken hij nu precies heeft verkocht. Kunsthandelaar [getuige R], met wie verdachte regelmatig zaken heeft gedaan, heeft op 23 juni 2006 als getuige met betrekking tot de aan- en verkoop van kunst in het algemeen verklaard dat de geldstroom tussen een koper en een verkoper bij hem altijd via hem/zijn bedrijf loopt en dat hij een administratie bijhoudt van stukken die hij namens derden verkoopt. [getuige R] verklaart verder dat verdachte tussen 1995 en 2000 hoofdzakelijk aankopen heeft gedaan, dat hij in 1997/1998 grote hoeveelheden kunst voor verdachte heeft aangekocht en dat verdachte altijd betaalde via de bank (een privérekening of een rekening van [bedrijven]). Verdachte heeft wel eens contant betaald, maar dan ging het om kleine stukken van fl. 4000 à fl. 5000, aldus [getuige R]. Verdachte heeft ter terechtzitting met betrekking tot de onderhavige transactie verklaard dat hij in zijn eentje zeven schilderijen van de muren heeft gehaald in zijn kantoor in Amsterdam en zijn woning in [plaats] en deze schilderijen vervolgens, samen met een bronzen beeld van Botero van 1,5 meter hoog, in zijn jeep heeft geladen en alles zelf naar België heeft vervoerd. Vervolgens heeft hij de werken en het beeld bij [betrokkene 13] achtergelaten om zich te beraden of hij al dan niet akkoord wenste te gaan met een contante betaling van fl. 8,5 miljoen door de hem verder onbekend gebleven koper. Verdachte erkent dat er niemand is die deze gang van zaken kan bevestigen, of zelfs maar heeft bemerkt dat er schilderijen uit het kantoor of de woning zijn verdwenen. Verdachte heeft verklaard dat hij vervolgens contact heeft opgenomen met twee banken in Nederland om te vragen of hij een dergelijk groot bedrag contant kon storten, hetgeen niet mogelijk bleek. Daarna heeft hij zijn accountmanager [getuige S] bij de American Express Bank te Luxemburg gebeld en daar bleek het geld gestort te kunnen worden. Toen bleek dat het geld in Luxemburg kon worden gestort, heeft verdachte de transactie laten doorgaan. Hij heeft het geld van [betrokkene 13] in diens woning overgedragen gekregen in een zwarte reistas, het waren vooral coupures van duizend gulden in stapeltjes met een wikkel eromheen. Verdachte heeft het geld slechts globaal geteld. Voor de ontvangst van het geld heeft verdachte geen kwitantie of enig ander bewijsstuk hoeven tekenen. Er is geen koopovereenkomst opgemaakt. Naar de herkomst van het geld heeft verdachte geen navraag gedaan, terwijl het ook voor hem geen gebruikelijke transactie betrof. Met de tas met geld is verdachte naar Nederland gereden waar hij het geld gedurende enige tijd, naar hij vermoedt een paar maanden, in een kluis op zijn kantoor in Amsterdam heeft bewaard alvorens het op 29 mei 1998 op de rekening van [bedrijf N] in Luxemburg te storten. Verdachtes verklaring ter terechtzitting, dat de verkoop pas is rondgekomen toen hij wist dat het geld bij een bank gestort kon worden, laat zich naar het oordeel van de rechtbank moeilijk rijmen met zijn verklaring inhoudende dat hij het te druk had en daarom het geld in de kluis op kantoor had gelegd en er pas weer aan dacht toen er in het kantoor en in de buurt werd ingebroken. Bovendien lijkt uit de mailwisseling tussen de accountmanager [getuige S] en zijn meerderen bij de American Express Bank te Luxemburg veeleer te volgen dat de storting van het bedrag van fl. 8,5 miljoen een spoedklus was, die de dag ervoor nog in orde moest worden gemaakt. Uit deze – in het Engels opgestelde – correspondentie volgt, zakelijk weergegeven, dat de general manager van de American Express Bank zich tegenover [getuige S] uitspreekt dat dergelijke transacties in de toekomst niet op zo’n korte termijn dienen plaats te vinden en dat hij elke volgende transactie van deze cliënt (lees: verdachte) volledig onderzocht wil zien als het gaat om de herkomst van het geld. Opmerkelijk is ook dat in de hiervoor genoemde correspondentie tussen [getuige S] en zijn meerderen bij de American Express Bank een andere herkomst van de fl. 8,5 miljoen wordt genoemd. [getuige S] heeft het er in zijn e-mail aan [betrokkene 10] over dat verdachte twee kantoorgebouwen in Nederland voor fl. 60 miljoen heeft verkocht en een deel van die koopsom cash zou hebb

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.