vonnis RECHTBANK HAARLEM Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 172407 / KG ZA 10-393 Vonnis in kort geding van 9 september 2010 in de zaak van de vereniging ANVR: ALGEMENE NEDERLANDSE VERENIGING VAN REISONDERNEMINGEN, gevestigd te Baarn, eiseres, advocaat mr. N.A. de Leeuw te Alphen aan den Rijn, tegen
(45)dan wel de tweede (41, waarvan 28 ook reeds de eerste overeenkomst hadden getekend) overeenkomst met Lufthansa c.s. heeft aanvaard, zodat niet kan worden aangenomen dat ANVR de belangen van alle bij haar aangesloten reisagenten behartigt. 4.3. Het gaat hier om de vraag of voldaan is aan de eis dat de door ANVR ingestelde vordering strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, zoals bedoeld in artikel 3:305a BW. Aan die eis is voldaan indien de belangen ter bescherming waarvan de rechtsvordering zich strekt zich lenen voor bundeling, zodat een efficiëntere en effectieve rechtsbescherming ten behoeve van de belanghebbenden kan worden bevorderd. Aldus kan immers in één procedure geoordeeld worden over de door de rechtsvordering aan de orde gestelde geschilpunten en vorderingen, zonder dat daarbij de bijzondere omstandigheden aan de zijde van de individuele belanghebbenden betrokken hoeven te worden (Hoge Raad 26 februari 2010, LJN: BK5756). Daarvan is in casu sprake. 4.4. De omstandigheid dat een deel van de reisagenten heeft ingestemd met het voorstel van Lufthansa c.s. staat op zichzelf niet in de weg aan het oordeel dat de vordering strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen. De wetgever heeft er bewust vanaf gezien om representativiteit van de eisende rechtspersoon als voorwaarde in de wet op te nemen, zodat niet als eis gesteld kan worden dat de collectieve actie kan rekenen op de steun van een aanmerkelijk deel van de in aanmerking komende belanghebbenden. 4.5. Lufthansa c.s. heeft voorts betoogd dat – voor zover enige vordering toewijsbaar is – een uitzondering moet worden gemaakt voor die reisagenten die inmiddels een overeenkomst met de luchtvaartmaatschappijen hebben aanvaard. 4.6. Ook hierin wordt Lufthansa c.s. niet gevolgd. Die reisagenten die niet wensen dat een door middel van deze collectieve actie verkregen rechterlijke uitspraak niet jegens hen werkt kunnen zich immers ingevolge het vijfde lid van artikel 3:305a BW aan de werkingssfeer van een dergelijke uitspraak verzetten. 4.7. ANVR kan dus in haar vordering worden ontvangen. Opzegging van de bestaande agentuurovereenkomst 4.8. ANVR heeft betoogd dat niet de in artikel 7:437 BW voorgeschreven opzegtermijn in acht is genomen. Dat is door Lufthansa c.s. niet weersproken. 4.9. Het bepaalde in artikel 7:439 BW brengt mee dat ook bij een kortere opzegtermijn dan voorgeschreven de opzegging van de agentuurovereenkomst leidt tot het einde van de overeenkomst. In dat geval kan sprake zijn van schadeplichtigheid. 4.10. Of in de onderhavige gevallen van schadeplichtigheid sprake is, laat zich slechts beoordelen in de individuele gevallen. De voorzieningenrechter gaat er bij haar verdere beoordeling vanuit dat de agentuurovereenkomsten zullen zijn geëindigd op 1 oktober aanstaande. Strijd met de overige bepalingen van het agentuurrecht 4.11. ANVR heeft voorts betoogd dat het wezen van de agentuurovereenkomst meebrengt dat de principaal aan de agent een beloning geeft voor diens bemiddeling; ANVR wijst in dat verband op artikel 7:428 BW dat blijkens het voorstel van Lufthansa c.s. van toepassing zou zijn op de nieuw te sluiten overeenkomst(en). 4.12. Lufthansa c.s. heeft hiertegen aangevoerd dat het eerste lid van artikel 7:431 BW niet van dwingend recht is, zodat daarvan mag worden afgeweken. 4.13. Met dit verweer miskent Lufthansa c.s. dat beloning en provisie niet identiek zijn. Niettemin kan het beroep op artikel 7:428 BW en op het wezen van de agentuurrelatie ANVR niet baten. De rechtsverhouding van partijen zoals deze Lufthansa c.s. voor ogen staat, kenmerkt zich hierdoor dat de luchtvaartmaatschappijen reisagenten faciliteren om boekingen te doen voor door de luchtvaartmaatschappijen uit te voeren vluchten. Die facilitering vindt plaats door de reisagenten onder voorwaarden toegang te verlenen tot de systemen van die luchtvaartmaatschappijen. Naar ANVR ter zitting heeft erkend biedt toegang tot deze systemen de reisagenten voordelen, omdat zij daardoor sneller en goedkopere vluchten kunnen boeken dan via de voor iedereen toegankelijke verkoopkanalen. 4.14. Artikel 7:428 BW strekt er toe dat tegenover de bemiddeling door een agent een als beloning aangeduid voordeel voor die agent behoort te staan. Dat voordeel moet zodanig zijn dat zich een zekere mate van wederkerigheid in prestaties manifesteert. Dat een dergelijke beloning in geld wordt uitgedrukt is gangbaar, maar geen onwrikbaar gegeven. De vraag of de hiervoor genoemde voordelen voor reisagenten kunnen worden aangemerkt als een beloning als bedoeld in artikel 7:428 BW leent zich niet voor beantwoording in dit kort geding. Evenzo laat zich de vraag stellen of de door Lufthansa c.s. beoogde rechtsverhouding nog voldoende kenmerken heeft om als agentuur te kunnen worden aangeduid, of dat zij veeleer tot een andersoortige overeenkomst is verschoten. Ook die vraag leent zich niet voor beantwoording in kort geding. Gelet op de voor de reisagenten bestaande voordelen bij handhaving van een rechtsverhouding met de luchtvaartmaatschappijen, noopt artikel 7:428 BW – in afwachting van de beantwoording van deze vragen – niet op voorhand tot het treffen van voorzieningen als gevorderd. 4.15. ANVR heeft ook gewezen op het dwingendrechtelijke artikel 7:430 BW dat inhoudt dat de principaal alles moet doen wat in de gegeven omstandigheden van zijn kant nodig is om de agent in staat te stellen zijn werkzaamheden te verrichten. ANVR verbindt daaraan de conclusie dat Lufthansa c.s. een “level playing field” moet handhaven in die zin dat zij niet goedkoper tickets mag leveren dan de reisagenten. Door reisagenten te dwingen hun kosten door te berekenen aan hun afnemers, zou dit level playing field worden verstoord, aldus ANVR. 4.16. Er veronderstellenderwijs vanuit gaande dat artikel 7:430 BW de eis van een level playing field in zich houdt, miskent ANVR met haar betoog dat een zodanig rechtvaardigheidsprincipe niet slechts moet worden betrokken op de prijs van het ticket, maar op het geheel van aangeboden diensten. Dit geheel kan rechtvaardigen dat een door tussenkomst van een reisagent aangeschaft ticket gelet op de door de reisagent verrichte of te verrichten bijkomende diensten, een hogere prijs heeft dan een via publieke kanalen betrokken ticket. Strijd met de IATA-regelgeving 4.17. ANVR heeft voorts betoogd dat de door Lufthansa beoogde staking van de provisiebetaling in strijd is met de tussen partijen bindende IATA regelgeving en zij heeft in dit verband in het bijzonder verwezen naar artikel 9 van de PSAA (resolutie 824). 4.18. Door Lufthansa is daartegenin gebracht dat bemiddeling door reisagenten zonder daartegenover staande provisiebetaling in de praktijk veelvuldig voorkomt en zij heeft in dat verband een viertal categorieën van boekingen opgesomd, te weten pakketreizen, incentive- en groepsreizen, tickets op basis van corporate afspraken en geconsolideerde tickets. Bovendien wordt, aldus Lufthansa c.s., in omringende landen – in welk verband België en Duitsland zijn genoemd – inmiddels geen provisie meer betaald. Deze stellingen van Lufthansa c.s. zijn door ANVR niet weersproken. Daarmee verliest het argument dat artikel 9 van de PSAA provisiebetaling vereist in dit kort geding haar waarde, in die zin dat ook artikel 9 van de PSAA niet noopt tot het treffen van een voorziening als gevorderd. Strijd met het mededingingsrecht 4.19. ANVR heeft haar vordering onderbouwd met een beroep op de artikelen 101 en 102 VWEU, stellende dat de door Lufthansa c.s. beoogde overeenkomst(
- en)in strijd zijn met deze bepalingen. ANVR heeft in dit verband – samengevat – aangevoerd dat compartimentering van de markt plaatsvindt, zowel in prijzen en beschikbaarheid van tickets als in provisiebetaling; ANVR wijst er in dat verband op dat in Italië en delen van Oost-Europa hoge provisies worden betaald. Als gevolg van deze verschillen zou sprake zijn van concrete, althans potentiële benadeling van eindgebruikers. Daarnaast zou Lufthansa c.s. een machtspositie innemen op de relevante markt en die machtspositie misbruiken door het opleggen van onbillijke contractuele voorwaarden. 4.20. Het beroep faalt. Op de eerste plaats heeft ANVR niet voldoende concreet aannemelijk gemaakt dat de beoogde overeenkomst(
- en)de handel tussen lidstaten ongunstig beïnvloeden. Op de tweede plaats is evenmin voldoende aannemelijk geworden dat de gestelde compartimentering leidt tot benadeling van de eindgebruiker. Bovendien kan deze benadeling – wat daar van zij – niet worden gelijkgesteld aan beperking van de mededinging. Het verwijt van de reisagenten aan het adres van de luchtvaartmaatschappijen betreft naar de kern genomen het verschil in behandeling dat zij ervaren ten opzichte van reisagenten in landen waar wel provisie wordt betaald. Dat verschil in behandeling is op zichzelf echter niet ongeoorloofd. 4.21. Niet aannemelijk is geworden dat Lufthansa c.s. een machtspositie inneemt op de relevante markt. Partijen hebben nagelaten te concretiseren op welke wijze die markt moet worden gedefinieerd. De voorzieningenrechter gaat bij haar beoordeling uit van de relevante markt als het geheel van aangeboden vluchten van en naar luchthavens op Nederlands grondgebied, dan wel van en naar dicht bij Nederland gelegen luchthavens. Partijen zijn het erover eens dat het omzetaandeel van Lufthansa c.s. volgens het Billing and Settlement Plan van IATA in Nederland tussen de 8 en de 10% schommelt. Aangenomen mag worden dat dat aandeel voor de markt als gedefinieerd inclusief luchthavens dicht bij Nederland hoger ligt, omdat Lufthansa c.s. op de Duitse markt een groter aandeel zal hebben, maar deze aanname leidt niet tot het oordeel dat Lufthansa c.s. een machtspositie hebben als bedoeld in artikel 102. De omstandigheid dat aan de Lufthansa groep verbonden luchtvaartmaatschappijen op sommige bestemmingen feitelijk monopolist zijn ( in dat verband worden genoemd Tasjkent, Bangalore, Hochimin City, Baku, Tiblisi, Bagdad, Graz en Salzburg) doen aan het voorgaande niet af, omdat zij slechts een (zeer) gering deel van de relevante markt uitmaken. 4.22. Voor het beroep op de artikelen 6 en 24 van de Mededingingswet geldt mutatis mutandis hetgeen in de voorgaande overwegingen is opgenomen. Strijd met de redelijkheid en billijkheid 4.23. ANVR acht de handelwijze van Lufthansa c.s. in strijd met de redelijkheid en billijkheid die Lufthansa c.s. jegens haar contractspartijen in acht moet nemen, zowel in het algemeen als in het kader van de bestaande agentuurrelatie. 4.24. Voor zover ANVR daarbij doelt op de opzegging van de bestaande agentuurovereenkomsten, verwerpt de voorzieningenrechter dit standpunt, omdat, zoals hiervoor is overwogen, met de mogelijkheid tot schadeloosstelling in voldoende mate tegemoet wordt gekomen aan eventuele tekortkomingen in de opzegging. 4.25. Voor zover ANVR daarbij doelt op de inhoud van de door Lufthansa c.s. aangeboden nieuwe overeenkomst(
- en)oordeelt de voorzieningenrechter als volgt. Ter zitting heeft Lufthansa c.s. duidelijk gemaakt dat de reisagenten vrij zijn in hun keuze of zij de eerste, bij brief van 31 mei jl. aangeboden overeenkomst wensen aan te gaan, dan wel de tweede, bij brief van 15 juli jl. aangeboden overeenkomst, dan wel helemaal geen overeenkomst wensen te aanvaarden. In dat verband heeft Lufthansa c.s. zich ter zitting bereid verklaard om de in haar brief van 15 juli genoemde termijn te verlengen tot en met 15 september aanstaande. Met juistheid heeft ANVR gesteld dat de tweede overeenkomst een afstand in zich houdt van (aanzienlijke) aanspraken die reisagenten jegens Lufthansa c.s. mogelijkerwijs kunnen laten gelden, maar aangezien Lufthansa c.s. ook bereid is om een overeenkomst te sluiten zonder deze afstandbepalingen, namelijk de overeenkomst van 31 mei, kan niet worden aangenomen dat de handelwijze van Lufthansa c.s. in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Slotsom 4.26. Het is duidelijk dat het voornemen van Lufthansa c.s. om provisiebetalingen te staken diep ingrijpt in de bedrijfsvoering van de reisagenten. Dat neemt echter niet weg dat dit voornemen van de luchtvaartmaatschappijen past in een maatschappelijk trend, waarin provisiebetalingen door een dienstverlener worden vervangen door een doorbelasting van de kosten van een tussenpersoon aan de eindgebruiker van de dienst. In dat verband heeft Lufthansa c.s. terecht gewezen op dienstverlenende branches als de hypotheekverstrekking en de verzekeringsbranche. 4.27. Mede in het licht van de voorgaande overweging noopt geen van de door ANVR aangevoerde gronden tot het treffen van een voorziening zoals gevorderd en dat doen zij ook niet in onderlinge samenhang beschouwd. De gevraagde voorzieningen zullen dus worden geweigerd. ANVR zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding. De kosten aan de zijde van Lufthansa c.s. worden begroot op - vast recht € 263,00 - salaris advocaat € 816,00 Totaal € 1.079,00 5. De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. weigert de gevraagde voorzieningen, 5.2. veroordeelt ANVR in de proceskosten, aan de zijde van Lufthansa c.s. tot op heden begroot op € 1.079,00, 5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. S. Sicking en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2010.?