RECHTBANK HAARLEM Sector bestuursrecht zaaknummer: AWB 10 - 4358, 10-4359 en 10-4360 WWB Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 september 2010 in de zaken van: [naam verzoekster], wonende te [woonplaats], verzoekster, gemachtigde: mr. J. Klaas, advocaat te Haarlem, tegen: het college van burgemeester en wethouders van Haarlem, verweerder, gemachtigde: W. Pijnen, werkzaam bij Telengy. Tegenwoordig: mr. A.C. Terwiel-Kuneman, voorzieningenrechter, en P.M. van der Pol, griffier. Zitting: 13 september 2010 Verschenen: Verzoekster in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Bij besluit van 30 juni 2010 heeft verweerder de op 23 juni 2010 gedateerde aanvraag van verzoekster om toekenning van een uitkering in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB), respectievelijk het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) afgewezen, omdat verzoekster niet voldoet aan de wettelijke vereisten voor de uitoefening van haar bedrijfsmatige of zelfstandige beroepsactiviteiten, nu verzoekster niet beschikt over een geldige exploitatievergunning. Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 13 juli 2010 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 26 juli 2010 heeft verweerder de op 14 juli 2010 gedateerde aanvraag van verzoekster om toekenning van een WWB-uitkering afgewezen, omdat verzoekster zelfstandig ondernemer is. Als zelfstandige wordt verzoekster geacht zelf over voldoende middelen te beschikken. Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 3 augustus 2010 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 19 augustus 2010 heeft verweerder de op 3 augustus 2010 gedateerde aanvraag van verzoekster om toekenning van een WWB-uitkering, respectievelijk een Bbz-uitkering afgewezen, omdat geen bijstand wordt verleend aan de zelfstandige die geen levensvatbaar bedrijf of zelfstandig beroep uitoefent. Bij dit besluit heeft verweerder tevens het besluit van 30 juni 2010 herroepen. Tegen het besluit van 19 augustus 2010 heeft verzoekster bij brief van 25 augustus 2010 bezwaar gemaakt. Bij brief van 26 augustus 2010 heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Omdat dit verzoek ziet op de drie hiervoor vermelde besluiten, is sprake van drie verzoeken om voorlopige voorziening. Bij mondelinge uitspraak van 13 september 2010 heeft de voorzieningenrechter: - het verzoek toegewezen gericht op schorsing van het besluit van 19 augustus 2010 voor zover het betreft de weigering verzoekster een Bbz-uitkering toe te kennen; - het besluit van 19 augustus 2010 voor dat deel geschorst met ingang van 26 augustus 2010 tot een week na verzending van de door verweerder te nemen beslissing op het bezwaar van 25 augustus 2010; - verweerder gelast om vanaf 26 augustus 2010 aan verzoekster voorschotten te verstrekken ter hoogte van de voor haar geldende bijstandsnorm; - verweerder veroordeeld in de door verzoekster gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 874,-- , te betalen aan de griffier van de rechtbank; - verweerder gelast het door verzoekster betaalde griffierecht van € 41,-- aan haar te vergoeden; - de overige verzoeken om voorlopige voorziening afgewezen. De voorzieningenrechter heeft daartoe het volgende overwogen. Verzoekster heeft verklaard dat zij op grond van de haar nu ter beschikking staande exploitatiegegevens van haar onderneming zelfstandige wil blijven. Onduidelijk is echter of verzoekster voldoet aan het zogeheten urencriterium (1225 uur per jaar). Ter zitting heeft verweerder aangegeven van mening te zijn dat verzoekster ondanks de sluiting van zes maanden ook in 2010 aan dit wettelijke vereiste kan voldoen. In zijn rapportage van 18 augustus 2010 stelt verweerder echter, dat het niet te verwachten is dat verzoekster in het boek- of kalenderjaar 2010 zal kunnen voldoen aan het urencriterium van ten minste 1225 uur. Het besluit van 19 augustus 2010 is gebaseerd op verweerders standpunt dat de onderneming van verzoekster niet als een levensvatbaar bedrijf kan worden aangemerkt. Verweerders onderzoek naar de levensvatbaarheid van verzoeksters bedrijf heeft uitsluitend plaatsgevonden op basis van de jaarstukken van 2008, 2009 en de eerste vier maanden van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.