RECHTBANK HAARLEM Sector bestuursrecht zaaknummer: AWB 10 - 536 tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2010 in de zaak van: [eiser], wonende te Santpoort-Noord, eiser, gemachtigde: mr. M. Schouten, jurist bij SRK Rechtsbijstand, tegen: het college van burgemeester en wethouders van Velsen, verweerder, derde partij, [naam], wonende te Santpoort-Noord.
- Procesverloop Bij besluit van 22 september 2009 heeft verweerder aan de derde partij ontheffing als bedoeld in artikel 3.23 van de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) alsmede bouwvergunning verleend voor het veranderen en vergroten van een woonwinkelhuis met een dakopbouw op het terrein gelegen aan de Hagelingerweg 46 te Santpoort-Noord. Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 2 november 2009 beroep ingesteld. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend. Het beroep is behandeld ter zitting van 22 april 2010, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. drs. W. Dooijes. De derde partij is in persoon verschenen tezamen met [naam].
- Overwegingen 2.1 Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het vigerende bestemmingsplan omdat zowel de goothoogte als de bouwhoogte van het bouwwerk de krachtens de planvoorschriften geldende hoogte overschrijdt. Volgens het gemeentelijke Beleid Toepassing artikel 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening komt een dakopbouw in aanmerking voor het verlenen van ontheffing mits deze voldoet aan de loketcriteria, en eventueel de aanvullende gebiedsgerichte criteria, zoals genoemd in de Welstandsnota. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bouwplan hieraan voldoet. 2.2 De grieven van eiser betreffen de door hem gestelde vermindering van dag- en zonlicht in zijn tuin en op zijn dakterras als gevolg van het bouwplan. 2.3 Anders dan verweerder meent vormt een eventuele vermindering van dag- en zonlicht een belang dat verweerder bij de in het kader van artikel 3.23 Wro te verrichten belangenafweging in zijn beschouwingen dient te betrekken. Nu verweerder dit in het thans bestreden besluit heeft nagelaten - verweerder stelt zich op het standpunt dat een en ander slechts een privaatrechtelijke aangelegenheid betreft die geen rol kan spelen bij de onderhavige besluitvorming - ontbeert het besluit in zoverre een deugdelijke motivering. 2.4 Omdat alle partijen belang hebben bij een definitief oordeel over het geschil ziet de rechtbank aanleiding verweerder, met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb, in de gelegenheid te stellen alsnog de vereiste belangenafweging te verrichten en daartoe de relevante feiten en omstandigheden vast te stellen. 2.5 Partijen zullen na ontvangst van de reactie van verweerder in de gelegenheid worden gesteld hierop te reageren. 2.6 De rechtbank neemt thans, met verwijzing naar het bepaalde in artikel 8:80a van de Awb, geen beslissing over de vergoeding van het betaalde griffierecht en de gemaakte proceskosten.
- Beslissing De rechtbank: stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak zijn besluit nader te motiveren. Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, en op 27 mei 2010 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. J.K. N'Daw, griffier. afschrift verzonden op: Rechtsmiddel Ingevolge artikel 37, derde lid, van de Wet op de Raad van State kunnen partijen tegen deze tussenuitspraak nog geen hoger beroep instellen.