RECHTBANK HAARLEM Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer Zaaknummer: AWB 09/2228 Uitspraakdatum: 25 maart 2011 Uitspraak in het geding tussen X te Z, eiseres, gemachtigde: mr. A en De inspecteur van de Belastingdienst P, verweerder. 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1. De werkgever van eiseres heeft over de maand juni 2007 op het aan eiseres uitbetaalde loon van € 703.402 een bedrag van € 365.769 aan loonbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: LB/PVV) ingehouden. 1.2. Eiseres heeft tegen deze inhouding bij brief van 30 juli 2007 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 10 april 2009 het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Eiseres heeft daartegen bij brief van 5 mei 2009, ontvangen bij de rechtbank op 6 mei 2009, beroep ingesteld. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. 1.4. Op 3 september 2010 heeft de rechtbank een nader stuk van eiseres ontvangen, welke in kopie is doorgezonden naar verweerder. De reactie van verweerder op dit stuk heeft de rechtbank ontvangen op 24 september 2010; deze is in kopie naar eiseres gezonden. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2010. Eiseres is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A en mr. drs. B. Namens verweerder zijn verschenen mr. C en D. 1.6. Bij brief van 6 oktober 2010 heeft de rechtbank partijen medegedeeld dat zij het onderzoek ter zitting heropent om eiseres in de gelegenheid te stellen een getuige te laten horen. 1.7. Verweerder heeft op 3 november 2010 nader stukken ingediend. Een afschrift van deze stukken is verstrekt aan eiseres. 1.8. Partijen hebben ieder bij brieven van 9 november 2010 vragen gesteld ten behoeve van het getuigenverhoor. 1.9. Het onderzoek ter zitting is hervat op 16 november 2010. Eiseres is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A en mr. drs. B. Namens verweerder zijn verschenen mr. C en D. Als getuige is gehoord E. 2. Tussen partijen vaststaande feiten 2.1. Eiseres is geboren op [geboortedatum]. Zij is van 6 mei 1963 tot 31 augustus 2006 in loondienst bij F N.V. (hierna: F. Eiseres is werkzaam als assistente en secretaresse van de directie. Vanaf september 2006 ontvangt eiseres een uitkering op grond van de regeling Individuele vervroegde uittreding van F. Daarnaast geniet zij looninkomsten van G B.V. 2.2. De looninkomsten van eiseres bedragen in 2006 en 2007: Jaar 2006 2007 F € 97.174 € 757.410* G € 29.770 € 93.622 *Inclusief uitbetaling bonus van € 703.402. 2.3. In de jaren 1990 tot en met 1996 kent F aan eiseres jaarlijks een winstbonus toe, waarbij haar de mogelijkheid wordt geboden een door haar zelf te bepalen deel van de bonus te reserveren voor uitbetaling op een later tijdstip. In een door eiseres ondertekend memorandum van 7 juni 1990 is onder meer het volgende opgenomen: “Hiermede bevestig ik gaarne in te gaan op het voorstel van F om jaarlijks van mijn bonus een bedrag te reserveren voor uitkering over 10 jaar, waarbij F en ondergetekende jaarlijks een gelijk bedrag reserveren. Deze regeling kan jaarlijks door beide partijen worden herzien en het bedrag zal jaarlijks worden vastgesteld. Van de bonus, welke deze maand zal worden uitgekeerd, zal ƒ 25.000 worden gereserveerd door mijzelf en door F ƒ 25.000 beschikbaar worden gesteld. Mocht ik binnen deze termijn komen te overlijden, dan dient het door mij gespaarde bedrag uitgekeerd te worden aan mijn echtgenoot.” 2.4. F reserveert in de jaren 1990 tot en met 1996 telkens een door eiseres gekozen gedeelte van de vastgestelde bonus en stort deze in het zogenoemde “early retirement fund” (hierna: het fonds), waarbij F het voor eiseres gereserveerde bedrag verdubbelt door een gelijk bedrag in het fonds te storten (hierna: de verdubbeling). F keert telkens het resterende gedeelte van de vastgestelde bonus uit aan eiseres onder inhouding van loonheffing. 2.5. In 1997 kent de toenmalige voorzitter van de raad van bestuur van F, H, een eenmalige dotatie van ƒ 250.000 aan het fonds toe. 2.6. In de jaren 1990 tot en met 1997 houdt F over het gereserveerde gedeelte van de winstbonussen, over de verdubbeling door haarzelf en over de bijzondere dotatie van ƒ 250.000 geen loonheffing in. Eiseres neemt deze bedragen ook niet in haar aangiften voor de inkomstenbelasting op als genoten inkomsten uit dienstbetrekking. Voor de belastingjaren tot en met het jaar 2000 neemt eiseres geen rente-inkomsten in haar aangiften op en voor de belastingjaren vanaf het jaar 2001 neemt zij geen vordering op F in haar box 3-vermogen op. 2.7. F (vertegenwoordigd door E en I) en eiseres hebben op 27 april 2000 een ‘Overeenkomst inzake winstbonus’ getekend waarin onder meer het volgende is opgenomen: “(…) in aanmerking nemende: • dat Werkneemster sedert 6 mei 1963 in dienst van Werkgeefster werkzaam is; • dat Werkgeefster er belang bij heeft dat Werkneemster in dienst van Werkgeefster blijft; • dat Werkgeefster bereid is aan Werkneemster een Bonus toe te kennen, mede om deze verder aan zich te binden en aldus duurzaam te kunnen blijven beschikken over haar capaciteiten; 1 Werkgeefster kent aan Werkneemster voor het jaar 1990 recht toe op een winstbonus, verder te noemen: de Bonus. Deze toekenning geschiedt onder de opschortende voorwaarden: • dat Werkneemster tot 1 augustus 2006, verder te noemen “de Einddatum”, bij Werkgeefster in dienst blijft; • dat door de toekenning van de Bonus voor de Einddatum geen fiscaal belaste aanspraak ontstaat. 2. Voor elk kalenderjaar dat Werkneemster vervolgens ononderbroken in dienst van Werkgeefster werkzaam is geweest zal deze op 31 december van het betreffende jaar onder dezelfde opschortende voorwaarden opnieuw recht hebben op eenzelfde winstbonus, met dien verstande dat Werkgeefster gerechtigd zal zijn op elk door haar gewenst moment deze regeling te beëindigen. 3. De Bonus zal worden uitgekeerd op de Einddatum. 4. De Bonus wordt voor het eerst in 1990 toegekend en zal vervolgens ieder jaar opnieuw worden vastgesteld door Werkgeefster. 5. Als de dienstbetrekking van Werkneemster vóór de Einddatum komt te eindigen, zal daardoor komen vast te staan dat de opschortende voorwaarde niet zal worden vervuld en zal de Werkneemster jegens Werkgeefster geen rechten op de Bonus kunnen doen gelden. Als de dienstbetrekking echter komt te eindigen door het overlijden van Werkneemster of wordt beëindigd zonder dat deze beëindiging in overwegende mate valt toe te rekenen aan Werkneemster zal de op dat moment geldende waarde van het (voorwaardelijke) recht op de Bonus door Werkgeefster worden vergoed aan Werkneemster of haar rechtsopvolgers.” 2.8. Tot de stukken behoort een fotokopie van een grootboekrekening van F, waarop de stand van de rekening van eiseres per 1 januari 1998 is ƒ 799.694 en op 31 december 1998 is ƒ 855.673, na bijboeking in 1998 van een bedrag van ƒ 55.979 ten laste van de V&W-rekening. Tot de stukken behoort eveneens een handgeschreven en niet gedateerde opstelling met de per jaar gereserveerde en verdubbelde bedragen en bijschrijvingen van rente. Deze opstelling komt per ultimo van de jaren 1996, 1997 en 1998 uit op ƒ 747.378, ƒ 799.694 respectievelijk ƒ 855.673. In deze opstelling komt de bijzondere dotatie van ƒ 250.000 niet voor. 2.9. Ten slotte behoort tot de stukken een opstelling beginnend met de stand per 31 december 1996 van ƒ 747.378, verhoogd met de dotatie van ƒ 250.000 tot ƒ 997.378 (€ 452.590). In de opstelling zijn voor de jaren 1997 tot en met 2006 rentebedragen vermeld. De opstelling eindigt met de stand per 1 september 2006 van € 703.402. 2.10. In juni 2007 betaalt F het gehele voor eiseres gereserveerde bedrag van € 703.402 aan haar uit onder inhouding van € 365.769 aan loonheffing. Op de loonopgave van de maand juni 2007 staat het volgende vermeld: Loon voor loonheffing € 703.402,00 Loonheffing € 365.769,04 Netto € 337.632,96 2.11. E, voormalig voorzitter van de raad van bestuur (CEO) van F heeft met dagtekening 26 februari 2009 schriftelijk het volgende verklaard omtrent de inhoud van de bonusregeling van eiseres, zoals hij daarover geïnformeerd was door zijn voorganger H: “(…) Bij mijn benoeming tot CEO in 1998 heeft de heer H mij geïnformeerd over de bonusregeling: - De toegekende bonusbedragen kwamen onherroepelijk aan mevrouw X toe; - Voor zover zij dat wenste, kon zij (een deel) van de bonus in de F pot “60-65” storten; - Fverdubbelde het bedrag dat mevrouw X had besloten in de pot te stoppen; - F vergoedde over het volledige bedrag een rente aan mevrouw X; Door F werd het totale bedrag van de pot als geld van mevrouw X beschouwd.” 3. Geschil en standpunten van partijen 3.1. In geschil is of en, zo ja, tot welk bedrag de uitkering van € 703.402 in juni 2007 tot het in die maand genoten belastbare loon behoort. 3.2. Eiseres neemt primair het standpunt in dat zij het gereserveerde gedeelte van haar winstbonus, de verdubbeling door F en de bijzondere dotatie van ƒ 250.000 telkens bij toekenning heeft genoten als loon, omdat deze bedragen telkens op het moment van toekenning vorderbaar en inbaar waren en voorts rentedragend zijn geworden in de zin van artikel 13a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet LB 1964). Eiseres neemt subsidiair het standpunt in dat het gespaarde deel van de bonussen rentedragend is geworden op het moment van toekenning en derhalve op dat moment is genoten. Eiseres neemt meer subsidiair het standpunt in dat overeengekomen is dat het gespaarde deel van de bonussen op een ongebruikelijk tijdstip zal worden genoten en dat ingevolge artikel 13a, tweede lid, van de Wet LB 1964 daarmee geen rekening dient te worden gehouden, zodat dat gedeelte op het moment van toekenning is genoten. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en teruggaaf van het ingehouden bedrag aan loonheffing van € 365.769 of, (meer) subsidiair, een gedeelte van het ingehouden bedrag aan loonheffing. 3.3. Verweerder neemt primair het standpunt in dat de bonussen en de bijzondere dotatie van ƒ 250.000 niet rentedragend zijn geworden en ook niet anderszins zijn genoten op het moment van toekenning, zodat zij zijn genoten op het moment van uitbetaling in juni 2007. Verweerder neemt subsidiair het standpunt in dat uitsluitend de zuivere en na 1 januari 1994 gespaarde bedragen onder de werking van artikel 13a, tweede lid, van de Wet LB 1964 vallen. Hij berekent de hieraan toe te rekenen loonheffing op € 35.395. Verweerder concludeert primair tot ongegrondverklaring van het beroep. Subsidiair concludeert verweerder tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op het bezwaar en teruggaaf van een ingehouden bedrag aan loonheffing van € 35.395. 4. Beoordeling van het geschil 4.1. Ingevolge artikel 13a van de Wet LB 1964 wordt loon beschouwd te zijn genoten op het tijdstip waarop het (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.