RECHTBANK HAARLEM Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer Zaaknummer: AWB 09/6083 Uitspraakdatum: 13 april 2011 Uitspraak in het geding tussen Stichting X, gevestigd te Z, eiseres, gemachtigde: H. Benschop en de inspecteur van de Belastingdienst/Utrecht-Gooi, kantoor Utrecht, verweerder. 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1. Verweerder heeft met dagtekening 26 november 2008 aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 3.879, alsmede bij beschikking een verzuimboete van € 193 en heffingsrente van € 377. 1.2. Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 31 oktober 2009 de naheffingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente gehandhaafd. 1.3. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. 1.4. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2011. Namens eiseres is verschenen gemachtigde voornoemd. Namens verweerder zijn verschenen A en B. 2. Tussen partijen vaststaande feiten 2.1. Eiseres is opgericht op 25 maart 2003. Eiseres organiseert twee maal per jaar, in het voorjaar en in het najaar, een vakbeurs onder de naam “C”. Tijdens deze beurs kunnen beursdeelnemers tegen betaling een stand inrichten met de producten die zij komend seizoen zullen aanbieden. Beursdeelnemers zijn ondernemers die papierwaren, kantoorartikelen, schrijfwaren en “Gifts” verkopen aan detaillisten. 2.2. Eiseres organiseert de beurs, zorgt voor de promotie van de beurs en verzorgt een beursmagazine, waarin beursdeelnemers een advertentie plaatsen. De beursdeelnemer is op grond van de gesloten overeenkomst met eiseres verplicht voormelde prestaties van eiseres af te nemen. Deze prestaties factureert eiseres vooraf aan de beursdeelnemers. Naast voornoemde verplichte prestaties kunnen beursdeelnemers consumptiebonnen, lunches, diners, munten voor een beursverloting en parkeerkaarten bij eiseres afnemen. Deze prestaties factureert eiseres achteraf. 2.3. Eiseres heeft in 2006 de volgende aangiften omzetbelasting ingediend en heeft de volgens deze aangiften verschuldigde omzetbelasting tijdig voldaan: OB (alg. tarief) OB (laag tarief) Voorbelasting Saldo 1e kwartaal 48.100,00 417,00 38.845,00 9.672,00 2e kwartaal 0,00 0,00 0,00 0,00 3e kwartaal 0,00 0,00 0,00 0,00 4e kwartaal 53.210,00 340,00 47.662,00 5.888,00 totaal 101.310,00 757,00 86.507,00 15.560,00 2.4. Op 29 juli 2008 ontvangt verweerder een aanvulling op de aangiften (hierna: suppletie) van de gemachtigde van eiseres. Hierin wordt de volgende opstelling gegeven: omzet omzetbelasting Omzet 19% 408.770,00 77.666,00 Omzet 6% 11.285,00 677,00 ----------- 78.343,00 Voorbelasting 87.222,00 ------------- -/- 8.879,00 Voldaan op aangifte 15.560,00 ------------- Te ontvangen 24.439,00 2.5. Vervolgens heeft verweerder eiseres om een toelichting op de suppletie gevraagd, samen met facturen die verantwoordelijk zijn voor de afwijkende uitkomst en een uitdraai van het grootboek. Omdat de toelichting nieuwe vragen opriep bij verweerder heeft er een telefonisch contact plaatsgevonden tussen de gemachtigde en de controlerend ambtenaar. Daarbij zijn drie memoriaal boekingen aan de orde gekomen, waaronder de volgende boeking: “2. Belanghebbende heeft in 2006 creditfacturen uitgereikt aan beursdeelnemers van beurzen in 2003 en 2004. De hierop vermelde omzetbelasting is teruggeboekt op de af te dragen omzetbelasting. Het gaat om een bedrag van € 4.614,21” 2.6. Uit het grootboek van eiseres blijken de volgende verschuldigde bedragen: OB (alg. tarief) OB (laag tarief) Voorbelasting Saldo 1e kwartaal 52.499,39 441,60 39.309,04 13.631,95 2e kwartaal 0,00 0,00 5.337,87 -/- 5.337,87 3e kwartaal 45.338,75 0,00 24.602,98 20.735,77 4e kwartaal 8.065,72 315,90 17.972,17 -/- 9.590,55 totaal 105.903,86 757,50 87.222,06 19.439,30 2.7. Verweerder legt vervolgens met dagtekening 26 november 2008 aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006 een naheffingsaanslag omzetbelasting op van € 3.879 (€ 19.439 – € 15.560) uitgaande van de bedragen in het grootboek van eiseres, alsmede bij beschikking een verzuimboete van € 193 en heffingsrente van € 377. 3. Geschil 3.1. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Hierbij is enkel in geschil of verweerder terecht geen rekening heeft gehouden met de boeking van de creditfacturen voor een bedrag van € 4.614,21. Tevens is de verzuimboete in geschil. 3.2. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag en de boete. 3.3. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. 3.4. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de stukken van het geding. 4. Beoordeling van het geschil 4.1. Eiseres stelt zich op het standpunt dat ten onrechte een bedrag van € 4.614,21 door verweerder in aanmerking is genomen als verschuldigde omzetbelasting omdat voor dit bedrag omzetbelasting is gecrediteerd. De creditfacturen waarop die belasting staat vermeld zijn ontvangen door de ondernemers en deze ontvangst is bevestigd. 4.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat aan creditnota’s geen zelfstandige betekenis kan worden toegekend. Zij kunnen samen met de oorspronkelijke factuur een nieuwe factuur vormen, maar daarvan is hier geen sprake omdat niet voldaan is aan de voorwaarden voor herziening van te veel of ten onrechte gefactureerde btw. 4.3. Zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: HvJ EG) van 19 september 2000, zaak C-454/98, Schmeink & Cofreth/Manfred Strobel, BNB 2002/167 verlangt het beginsel van de neutraliteit van de btw dat de opsteller van de factuur de ten onrechte of te veel gefactureerde omzetbelasting kan herzien. Dit kan geschieden door uitreiking van een factuur die de oorspronkelijke factuur vervangt, dan wel aanvult. In laatstgenoemd geval, vormen de eerder uitgereikte factuur en de aanvullende factuur samen de uit te reiken factuur in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet). Deze regeling is inmiddels vastgelegd in artikel 35, lid 4, van de Wet: ieder document of bericht dat wijzigingen aanbrengt in, en specifiek en ondubbelzinnig verwijst naar de oorspronkelijke factuur, geldt als factuur. Voorts kan worden gewezen op het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 12 augustus 2004, CPP2004/1537 (hierna: het besluit) en de opvolger daarvan van 19 april 2007, CPP2007/308M, waarin de staatssecretaris aangeeft hoe de correctie van een factuur dient te geschieden. Er worden twee voorwaarden gesteld waaraan moet worden voldaan:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.