RECHTBANK HAARLEM Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer Zaaknummer: AWB 10/2288 Uitspraakdatum: 9 juni 2011 Uitspraak in het geding tussen [X] BV, gevestigd te [Z], eiseres, gemachtigde: drs. [A] en de inspecteur van de Belastingdienst/[P], verweerder. 1. Ontstaan en loop van het geding Bij gezamenlijk verzoek van 4 februari 2009 hebben eiseres, [X1] B.V., [X2] B.V., [X3] B.V., [X4] B.V. en [X5] B.V., verzocht met ingang van 1 januari 2009 als fiscale eenheid te worden aangemerkt in de zin van artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb). Verweerder heeft dit verzoek voor wat betreft voeging van [X2] B.V., [X3] B.V. en [X4] B.V. afgewezen bij beschikking van 21 december 2009 (hierna ook: de beschikking). Op 7 januari 2009 heeft verweerder het verzoek toegewezen voor wat betreft [X1] B.V. en [X5] B.V. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 7 april 2010 de beschikking gehandhaafd. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2011. Namens eiseres zijn daar verschenen [B] en [C], bijgestaan door [D], [E], [F] en [G]. Namens verweerder is verschenen [H], bijgestaan door [I]. 2. Tussen partijen vaststaande feiten 2.1. Eiseres is onderdeel van een Zweedse groep die zich bezighoudt met productie en handel in hout, papier en afgeleide producten. Eiseres is feitelijk in Nederland gevestigd en is een dochtermaatschappij van de Zweedse beursgenoteerde vennootschap [BEDRIJF A]. Eiseres is op 1 januari 2009 100% aandeelhoudster van de feitelijk in Nederland gevestigde vennootschappen: - [BEDRIJF B] B.V. - [BEDRIJF C] B.V. - [BEDRIJF D] B.V. - [BEDRIJF E] B.V. - [X1] B.V. - [BEDRIJF F] B.V. Daarnaast bezat eiseres 50% van de aandelen in [BEDRIJF G] B.V. De overige 50% aandelen in deze vennootschap waren in handen van [BEDRIJF E] B.V. Genoemde vennootschappen vormden vóór 1 januari 2009, tezamen met nog een aantal andere vennootschappen waarvan genoemde vennootschappen de aandelen (on)middellijk hielden, een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting met eiseres als moedermaatschappij. 2.2. Daarnaast bezat eiseres op 1 januari 2009 alle aandelen van de feitelijk in Zweden gevestigde vennootschap [BEDRIJF H] AB en 97% van de feitelijk in Duitsland gevestigde vennootschap [BEDRIJF I] AG (op 7 augustus 2009 omgezet naar een SE naar Duits recht). De resterende 3% van de aandelen in deze vennootschap zijn in handen van derden. [BEDRIJF I] AG bezat 100% van de aandelen van de eveneens in Duitsland gevestigde vennootschap [BEDRIJF J] GmbH. Laatstgenoemde vennootschap bezat alle aandelen in de feitelijk in Nederland gevestigde vennootschappen [X3] B.V. en [X4] B.V. [BEDRIJF J] GmbH bezat voorts 31% van de aandelen in de feitelijk in Nederland gevestigde vennootschap [X2] B.V. De resterende 69% van de aandelen in laatstgenoemde vennootschap waren in het bezit van [X1] B.V. 2.3. Eind 2009 zijn er aandelenoverdrachten geweest, die er uiteindelijk in geresulteerd hebben dat er per 1 januari 2010 een fiscale eenheid tot stand is gekomen met eiseres als moedermaatschappij en [X2] B.V., [X3] B.V. en [X4] B.V. als dochtermaatschappijen. 3. Geschil In geschil is of verweerder terecht het verzoek heeft afgewezen om te worden aangemerkt als een fiscale eenheid bestaande uit eiseres als moedervennootschap en de (deels) middellijk gehouden kleindochtervennootschappen [X2] B.V., [X3] B.V. en [X4] B.V. (hierna tezamen: de kleindochtervennootschappen). Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de aanslag. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. 4. Beoordeling van het geschil 4.1. Niet in geschil is dat eiseres in 2009 (middellijk) meer dan 95% van de aandelen in de kleindochtervennootschappen bezat. Het belang van eiseres in deze vennootschappen wordt geheel (97%) of gedeeltelijk (97% maal 31%) gehouden via in Duitsland gevestigde vennootschappen. Deze in Duitsland gevestigde vennootschappen hebben geen vaste inrichting in Nederland en kunnen geen deel uitmaken van een fiscale eenheid met eiseres als moedermaatschappij (X Holding BV HvJ EG, 25 februari 2010, zaak nr. C-337/08; hierna X Holding). 4.2. Artikel 15 lid 1 Wet Vpb vereist voor de totstandkoming van een fiscale eenheid dat de moedermaatschappij de juridische en economische eigendom bezit van ten minste 95% van de aandelen in het nominaal gestorte kapitaal van de dochtermaatschappij. Het tweede lid van genoemd artikel bepaalt dat onder een bezit als bedoeld in het eerste lid mede wordt verstaan een middellijk bezit van aandelen, mits deze onmiddellijk worden gehouden door één of meer belastingplichtigen die van de fiscale eenheid deel uitmaken. Ingevolge het derde lid onderdeel c dient de belastingplichtige in Nederland te zijn gevestigd om deel uit te kunnen maken van de fiscale eenheid. 4.3. Eiseres is van mening dat de ingeval van middellijk bezit van aandelen gestelde voorwaarde dat de tussenhoudster deel moet uitmaken van de fiscale eenheid, strijdig is met de vrijheid van vestiging als bedoeld in artikel 49 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VwEU). Immers een binnen de EU gevestigde tussenhoudster zonder vaste inrichting in Nederland, zoals in casu het geval is, kan geen deel uitmaken van de fiscale eenheid en derhalve niet voldoen aan genoemde voorwaarde. In dit verband beroept eiseres zich onder meer op het arrest Papillon van het Hof van Justitie EG (HvJ EG 27 november 2008, zaak nr. C-418/07; hierna Papillon). In dat arrest is de gestelde prejudiciële vraag aldus beantwoord dat de vrijheid van vestiging zich verzet tegen de wettelijke regeling van een lidstaat uit hoofde waarvan een regeling voor belastingheffing naar het groepsinkomen wordt toegepast op een in die lidstaat ingezeten moedervennootschap die eveneens in die lidstaat ingezeten dochter- en kleindochtervennootschappen houdt, terwijl toepassing van die regeling voor een dergelijke moedervennootschap is uitgesloten wanneer haar ingezeten kleindochtervennootschap via een in een andere lidstaat ingezeten dochtervennootschap wordt gehouden. 4.4. Teneinde het bestaan van een discriminatie vast te stellen, moet de vergelijkbaarheid van een communautaire situatie met een zuiver interne situatie worden onderzocht, daarbij rekening houdend met de door de betrokken nationale bepalingen nagestreefde doeleinden (punt 27 Papillon en punt 22 X Holding). 4.5. De onderhavige wettelijke regeling inzake de fiscale eenheid heeft tot doel om tot een bepaalde groep behorende vennootschappen voor de heffing van vennootschapsbelasting samen te voegen, zodat de werkzaamheden en het vermogen van de gevoegde vennootschappen deel uitmaken van de werkzaamheden en het vermogen van de moedermaatschappij. Hierdoor worden de winsten en verliezen van de in de fiscale eenheid opgenomen vennootschappen geconsolideerd op het niveau van de moedervennootschap en blijven transacties binnen deze groep van vennootschappen fiscaal neutraal. De wetgever gaat hierbij uit van volledige consolidatie met betrekking tot de vennootschappen die op verzoek van de betrokken belastingplichtigen in de fiscale eenheid zijn gevoegd. 4.6. Die doelstelling moet volgens eiseres zowel kunnen worden bereikt in de situatie van een in een lidstaat ingezeten moedervennootschap die ook in die lidstaat ingezeten kleindochtervennootschappen via een eveneens ingezeten dochtervennootschap houdt, als in de situatie van een in een lidstaat ingezeten moedervennootschap die daar eveneens ingezeten kleindochtervennootschappen houdt via een in een andere lidstaat gevestigde dochtervennootschap. 4.7. Verweerder heeft in dit verband naar voren gebracht dat het niet mogelijk is een fiscale eenheid te vormen tussen een feitelijk in Nederland gevestigde moedervennootschap en een feitelijk in Nederland gevestigde kleindochtervennootschap, indien de tussenhoudster weliswaar in Nederland is gevestigd, maar deze tussenhoudster niet is gevoegd in de fiscale eenheid. De rechtbank gaat voorbij aan deze stelling nu deze keuze de belastingplichtige in gevallen als de onderhavige, waarbij sprake is van een in een andere lidstaat gevestigde tussenhoudster, niet toekomt. De stelling van verweerder dat in bepaalde situaties waarbij sprake is van een in Nederland gevestigde tussenhoudster en waarbij desalniettemin van het aangaan van een fiscale eenheid wordt afgezien omdat dit nadelig kan uitwerken voor de betrokkenen, doet er niet aan af dat er in veel gevallen voor gekozen wordt om in binnenlandse situaties die vergelijkbaar zijn met de onderhavige een fiscale eenheid aan te gaan om voordelen als hiervoor in 4.5 omschreven te benutten. Het criterium dat de tussenhoudster deel moet uitmaken van de fiscale eenheid werkt aldus in feite ten nadele van grensoverschrijdende situaties als hier aan de orde omdat de keuzemogelijkheid ontbreekt. 4.8. Gelet op de doelstelling van de bepalingen van de fiscale eenheid zijn de twee genoemde situaties (binnenlands en grensoverschrijdend) dus objectief vergelijkbaar en leidt de wettelijke regeling tot een ongelijke behandeling op grond van de plaats waar zich de zetel van de dochtervennootschap, via welke de ingezeten moedervennootschap de ingezeten kleindochtervennootschappen houdt, bevindt. Dit levert een beperking op die in beginsel ingevolge de verdragsbepalingen inzake de vrijheid van vestiging verboden is (vgl. punt 24 X Holding). 4.9. Een beperking van de vrijheid van vestiging is slechts toelaatbaar wanneer zij gerechtvaardigd is uit hoofde van dwingende redenen van algemeen belang. Daarenboven moet in een dergelijk geval de beperking geschikt zijn om het aldus nagestreefde doel te verwezenlijken en mag zij niet verder gaan dan voor het bereiken van dat doel noodzakelijk is (Papillon punt 33 en X Holding punten 25 en 26). 4.10. De rechtbank stelt voorop dat de beoogde fiscale eenheid uitsluitend in Nederland gevestigde vennootschappen betreft. Verdeling van heffingsbevoegdheid gaat derhalve niet op als rechtvaardigingsgrond voor afwijzing van de verzochte fiscale eenheid. 4.11. De rechtbank is evenwel van oordeel dat het toestaan van een fiscale eenheid als door eiseres voorgestaan,het gevaar van binnenlandse dubbele verliesverrekening met zich brengt. Dit doet zich voor ingeval verliezen die in de relatie met de buitenlandse tussenhoudster tot uitdrukking zijn gekomen bij de moedermaatschappij door middel van de door haar in de buitenlandse tussenhoudster gehouden aandelen, (deels) zijn veroorzaakt door verliezen van de kleindochtermaatschappij, terwijl die verliezen eveneens binnen de fiscale eenheid zijn verrekend met de winsten van de moedermaatschappij. Ook in de situatie dat de deelnemingsvrijstelling van toepassing is op de aandelen in de buitenlandse tussenhoudster, bestaat genoemd gevaar van dubbele verliesverrekening, namelijk ingeval van liquidatie van de buitenlandse tussenhoudster waarbij op de voet van artikel 13d Wet Vpb verliezen in aanmerking worden genomen, terwijl die verliezen reeds binnen de fiscale eenheid tussen moedermaatschappij en kleindochtermaatschappij tot uitdrukking zijn gebracht. Verweerder heeft in dit verband voorts gewezen op de situatie dat een lening door de moedermaatschappij wordt verstrekt aan de niet gevoegde in een andere EU-lidstaat gevestigde tussenhoudster. Door verliezen van de in Nederland gevestigde kleindochtervennootschap kan deze vordering in waarde dalen en ten laste komen van de winst van de moedervennootschap terwijl het verlies van kleindochtervennootschap tevens in de winst van de fiscale eenheid tot uitdrukking is gekomen. Voorts kan, zo begrijpt de rechtbank het betoog van verweerder, een voorziening bij de moedervennootschap die betrekking heeft op de relatie met de buitenlandse tussenhoudster zijn veroorzaakt door een verlies bij de kleindochter. 4.12. Gelet op het hierboven geschetste gevaar van nationale dubbele verliesverrekening is de rechtbank van oordeel dat de weigering een fiscale eenheid toe te staan in situaties als de onderhavige de samenhang van de regeling van de fiscale eenheid waarborgt. De vraag is evenwel of de onderhavige regeling met daarin de gewraakte voorwaarde die erop neerkomt dat de tussenhoudster in Nederland moet zijn gevestigd of alhier over een vaste inrichting moet beschikken, niet verder gaat dan noodzakelijk is voor het waarborgen van genoemde samenhang van de regeling van de fiscale eenheid. In dit verband dient te worden beoordeeld of de genoemde doelstelling met minder beperkende maatregelen kan worden bereikt. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt. 4.13. Gelet op het hiervoor weergegeven gevaar voor dubbele verliesverrekening gaat het erom vast te stellen of en in hoeverre er een oorzakelijk verband bestaat tussen verliezen van de in een ander EU-land gevestigde tussenhoudster en de in Nederland gevestigde kleindochtervennootschap. Zoals in Papillon punten 53-59 is overwogen kunnen praktische moeilijkheden op zich geen inbreuk op de verdragsvrijheid rechtvaardigen en biedt de communautaire regelgeving, te weten richtlijn 77/799/EEG van de Raad van 19 december 1977 betreffende wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van directe belastingen (JO L 226, blz. 15), de lidstaten de mogelijkheid om van de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten alle inlichtingen te verlangen die relevant kunnen zijn voor de vaststelling van het precieze bedrag van de vennootschapsbelasting. Gesteld noch gebleken is dat het voor de Nederlandse belastingautoriteiten niet mogelijk zou zijn genoemd oorzakelijk verband vast te stellen met behulp van informatieverzoeken op basis van deze richtlijn. Door de onderhavige voorwaarde, namelijk dat de tussenhoudster(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.