RECHTBANK HAARLEM Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer Zaaknummer: AWB 09/5496 Uitspraakdatum: 15 februari 2011 Uitspraak in het geding tussen [X], wonende te [Z], eiser, en de inspecteur van de Belastingdienst/Amsterdam, verweerder. Ontstaan en loop van het geding 1.1. Verweerder heeft, gedagtekend 21 februari 2009, aan eiser voor het jaar 2006 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 44.269. Tevens is bij beschikking een bedrag van € 2.506 aan heffingsrente in rekening gebracht. 1.2. Verweerder heeft, gedagtekend 5 oktober, bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de navorderingsaanslag IB/PVV, evenals de daarbij genomen beschikking gehandhaafd. 1.3. Eiser heeft daartegen bij brief van 5 november 2009 beroep ingesteld. 1.4. Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Eiser heeft vervolgens nog een nader stuk ingediend. Alle stukken zijn in afschrift aan de wederpartij gezonden. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 december 2010 te Haarlem. Verschenen zijn eiser en zijn gemachtigden: mr. [A] en mr. [B]. Namens verweerder zijn verschenen: [C] en mr. [D]. Tussen partijen vaststaande feiten Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan: 2.1. Eiser is in contact gekomen met de aandeelhouder van [E] B.V. (hierna: de vennootschap), de heer [F]. De vennootschap was actief op de Russische koffiemarkt. De handel in koffie bleek in de periode eind 2004 - begin 2005 te weinig onderscheidend te zijn ten opzichte van oprukkende concurrentie. In 2005 is de vennootschap in contact gekomen met de wit- en bruingoed producent [G]. In samenwerking met [G] is besloten een totaal koffieconcept, inclusief een Senseo-kloon, de Diretto, te introduceren op de Russische markt. De vennootschap is met [G] een joint-venture aangegaan, waarbij de vennootschap zou zorgen voor de marketing en de verkoop van koffiepads, en [G] verantwoordelijk was voor de productie van de Diretto. Van de joint-venture is een letter of intent opgesteld, maar deze is nooit ondertekend. Tijdens de voortgang van de ontwikkeling van de Diretto ontstonden problemen. Halverwege 2006 was de Diretto klaar. De apparaten bleken echter niet bestand tegen vervoer in een drukcabine en voorts bleken de apparaten onbetrouwbaar wegens ontploffingsgevaar. Eiser heeft in de loop van 2006 zijn aandelenpakket in de vennootschap verkocht aan [F] voor minder dan de verkrijgingsprijs. 2.2. Eiser heeft op de navolgende data de navolgende bedragen aan de vennootschap verstrekt: Datum Bedrag in € 23-12-2003 56.000 30-03-2004 30.300 17-05-2004 140.000 08-09-2004 35.000 14-09-2004 35.000 06-01-2005 37.000 24-02-2005 45.000 13-04-2005 70.000 27-06-2005 50.000 03-08-2005 50.000 22-08-2005 60.000 01-09-2005 100.000 12-10-2005 50.000 24-11-2005 50.000 19-01-2006 10.000 21-02-2006 40.000 10-04-2006 60.000 17-05-2006 25.000 22-05-2006 20.000 Ter zake van deze geldverstrekkingen zijn vijf schriftelijke overeenkomsten opgesteld, te weten op 22 december 2003 voor € 56.000, op 17 mei 2004 voor € 166.000, op 31 december 2004 voor € 70.000, op 31 december 2005 voor € 512.000 en op 18 december 2006 voor € 155.000. Blijkens de overeenkomsten was een rente verschuldigd van acht percent op jaarbasis en diende de geldverstrekkingen na circa drie jaar te worden terugbetaald. Op de leningen is nimmer rente betaald. Ter zake van de geldverstrekkingen zijn geen zekerheden door eiser verlangd en zijn deze ook niet door de vennootschap gesteld. 2.3. Eiser heeft op 23 september 2004 43 van de 180 aandelen in de vennootschap verkregen voor € 4.300. Tot dat moment had eiser een bedrag van € 296.300 aan de vennootschap uitgeleend. Hierdoor kreeg eiser een belang van 23 percent in de vennootschap. 2.4. Het eigen vermogen, de omzet en de inkoopwaarde daarvan van de vennootschap bedroeg in de jaren: € € € 2003 -/- 171.225 35.911 14.128 2004 -/- 349.046 114.185 65.579 2005 -/- 634.132 129.518 116.180 2006 -/- 1.175.913 155.595 139.180 2.5. De vennootschap had in die jaren geen materiële vaste activa met stille reserves en had geen liquide middelen. Volgens een ”Valuation Study” opgemaakt door [H] B.V., gedagtekend 22 juli 2005, zou de waarde van de onderneming van de vennootschap kunnen oplopen tot twaalf miljoen euro. In de disclaimer staat vermeld: ”Please note that this valuation report is based on assumptions and forecasts that to a great extend are not based on a existing business. The extend to which these assumptions and forecasts are actually realised materially influence the content of this valuation report and therefore any direct and/or indirect opinion of conclusion recorded therein.” 2.6. Eiser heeft aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van negatief € 907.397. In de aangifte is onder de rubriek ”Ter beschikking gesteld vermogen”, in het onderdeel ”Aftrekbare kosten en lasten” een bedrag opgenomen van negatief € 958.644 ter zake van de afwaardering van vorderingen op de vennootschap. De aangifte heeft zonder nadere controle van de zijde van verweerder geleid tot een primitieve aanslag die is opgelegd conform de aangifte. 2.7. Bij het opleggen van de in geschil zijnde navorderingsaanslag heeft verweerder het aangegeven belastbare inkomen uit werk en woning als volgt gecorrigeerd: Aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning -/- € 907.397 Bij: afwaardering vorderingen niet aftrek aanvaard € 958.644 Af: in aanmerking te nemen persoonsgebonden aftrek -/- € 6.978 Belastbaar inkomen uit werk en woning volgens navorderingaanslag € 44.269 Geschil, standpunten en conclusies van partijen 3.1 In geschil is of verweerder terecht eiser niet heeft toegestaan de afwaardering van de vordering op de vennootschap op zijn belastbaar inkomen uit werk en woning in mindering te brengen. 3.2. Eiser stelt zich primair op het standpunt dat het totaal van de geldverstrekkingen onder de terbeschikkingstellingsregeling valt als bedoeld in artikel 3.92 Wet IB 2001. De wettekst maakt geen onderscheid tussen zakelijke en onzakelijke geldleningen. De wetgever heeft kennelijk gekozen voor een andere fiscale behandeling in de inkomstenbelasting in terbeschikkingsstellingssituaties dan de situatie die aan de orde was in de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 9 mei 2008. Derhalve kan dit arrest in de onderhavige zaak geen rol spelen. Subsidiair, voor het geval de onderhavige afwaardering wel mag worden getoetst aan de hand van voormeld arrest, stelt eiser zich op het standpunt dat ter zake van de onderhavige geldverstrekkingen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.