RECHTBANK HAARLEM Sector bestuursrecht zaaknummer: AWB 11 - 3359 uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 augustus 2011 in de zaak van: [naam verzoeker], wonende te [woonplaats] verzoeker, gemachtigde: mr. B. Kochheim-Bossink, advocaat te Aerdenhout, tegen: het college van burgemeester en wethouders van Zandvoort, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 27 april 2011 heeft verweerder verzoeker onder oplegging van een last onder dwangsom gelast binnen acht weken de overkapping bij de woning op het perceel [perceel] in zijn geheel te verwijderen en verwijderd te houden. Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 18 mei 2011, aangevuld bij brief van 22 juni 2011, bezwaar gemaakt. Bij brief van 21 juni 2011 is verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is behandeld ter zitting van 21 juli 2011, alwaar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door J. Pach. 2. Overwegingen 2.1 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voorzover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard. De beoordeling van het verzoek draagt een voorlopig karakter en is niet bindend in de hoofdzaak. 2.2 Ingevolge artikel 2.1, eerste lid en onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) – voor zover van belang – is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren voor zover dat geheel en/of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk of het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan. 2.3 Op 17 november 2010 is door toezichthouders van de werkeenheid Handhaving van de gemeente Zandvoort geconstateerd dat op het perceel [perceel] een overkapping is geplaatst zonder de daarvoor vereiste vergunning. Verweerder stelt zich op het standpunt dat sprake is van overtreding van artikel 2.1 eerste lid, onder a en onder c, van de Wabo. Teneinde de overtreding te beëindigen, heeft verweerder verzoeker onder oplegging van een last onder dwangsom gelast het bouwwerk binnen acht weken te verwijderen en verwijderd te houden. Verzoeker heeft daartegen bezwaar ingediend. Voorts heeft hij een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. 2.4 Verzoeker stelt zich ten eerste op het standpunt dat geen sprake is van een overtreding omdat de oorspronkelijke overkapping al ruim vóór 1990 legaal is gebouwd. Volgens de door verzoeker overgelegde getuigenverklaringen moet deze begin tachtiger jaren van de vorige eeuw zijn gebouwd. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst verzoeker naar diverse getuigenverklaringen. Voor de oorspronkelijke overkapping is, volgens verzoeker, of wel indertijd vergunning verleend, ofwel deze voldeed indertijd aan de in artikel 43, eerste lid, onder d, van de Woningwet (oud) genoemde voorwaarden voor vergunningsvrij bouwen. Vervolgens is de overkapping in 1997 en 2007 gerenoveerd waarbij de oppervlakte gelijk is gebleven. 2.5 De voorzieningenrechter is van oordeel dat de primaire grond van verzoeker niet kan slagen. Uit de stukken blijkt niet dat voor de oorspronkelijke overkapping, dan wel de later tweemaal gerenoveerde overkapping, ooit een bouwvergunning is verleend. Dat de overkapping in het verleden vergunningvrij kon worden opgericht is evenmin gebleken. De voorzieningenrechter overweegt daarbij het volgende. 2.6 Allereerst staat vast dat het door verzoeker genoemde artikel 43 Woningwet ten tijde dat de oorspronkelijke overkapping volgens verzoeker is gebouwd, zijnde tussen 1980 en 1990, niet de door verzoeker geciteerde inhoud had. Voor bouwvergunningvrij bouwen gold toen artikel 47, tweede lid, van de Woningwet 1962 waarin was bepaald dat geen bouwvergunning was vereist (…) voor: b. het bouwen van bouwwerken, die geen gebouw zijn van geringe afmetingen. Ingevolge artikel 1 van de Woningwet moest onder gebouw worden verstaan: elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Nu de overkapping een afdekking vormde voor de aan drie kanten ommuurde ruimte bij de ingang van de woning, ontstond door de realisering van de overkapping een voor mensen toegankelijke, overdekte, gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte, welke, ingevolge de jurisprudentie van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State uit die tijd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 december 1982, LJN:AP2769) als gebouw moest worden aangemerkt. Voor de overkapping was derhalve toen een bouwvergunning vereist. 2.7 Ten tijde van de renovatie in 1997 was artikel 43, eerste lid, onder d, van de Woningwet (oud) wel van kracht. Het artikel(lid) luidde evenwel tot 1999 aldus dat geen bouwvergunning was vereist voor het op een erf van een woning (…) bouwen van een overkapping met een open constructie, waarvan de hoogte van de voet af gemeten niet meer is dan 2,70 m. Een overkapping tussen gevels, zoals hier in geding, werd in de jurisprudentie van de Afdeling Rechtspraak niet aangemerkt als een vergunningvrije overkapping met een open constructie (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 augustus 1993, LJN: AQ0643). Dat betekent dat ook tijdens de renovatie in 1997 een bouwvergunning voor de overkapping was vereist. Dat bij wet van 24 september 1998, in werking getreden op 1 januari 1999, artikel 43 van de Woningwet is gewijzigd waardoor de bouwmogelijkheden voor overkappingen zijn verruimd en het bouwen van een overkapping tegen of naast woningen mogelijk werd, maakt dit niet anders. Voor de vraag of een bouwvergunning vereist is, is immers het moment waarop gebouwd wordt bepalend. 2.8 Ten tijde van de laatste renovatie in 2007 was het Besluit bouwvergunningsvrije/licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb) in werking getreden. Voorwaarde voor het vergunningsvrij bouwen van een overkapping ingevolge het Bblb was – onder meer – dat één meter achter de voorgevelrooilijn gebouwd moest worden. Onderhavige overkapping voldoet niet aan deze voorwaarde omdat gebouwd is op, of zelfs over, de voorgevelrooilijn. 2.9 Op grond van de op 1 oktober 2010 in werking getreden Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het bouwen zonder dat een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en onder c, is vereist, slechts mogelijk in de onder artikel 2, Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) genoemde gevallen. Een overkapping, zoals hier in geding, op de voorgevelrooilijn, voldoet niet aan de daarin genoemde criteria. 2.10 Het vorenstaande betekent dat verweerder terecht heeft gemeend dat voor onderhavige overkapping een vergunning is vereist. Nu de overkapping is gebouwd zonder de daarvoor vereiste vergunning was verweerder bevoegd handhavend op te treden. 2.11 Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan hiervan afzien. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. 2.12 Verweerder heeft aangegeven niet over te gaan tot legalisatie van de overkapping omdat het bouwwerk in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan Zandvoort-Zuid. De overkapping is aangebracht op gronden met de bestemming “Tuin of Onbebouwd erf” en is niet in overeenstemming met de bij die bestemming behorende planvoorschriften omdat deze een diepte heeft van meer dan 1,5 meter en de overkapping niet in directe aansluiting op de gevel van het hoofdgebouw aangebracht, maar aan de woning, boven de hoofdingang die in de uitbouw is gesitueerd. 2.13 Verzoeker betwist niet dat de overkapping in strijd is met de ter plaatse geldende planvoorschriften. Hij meent evenwel dat de overkapping, nu deze minstens 25 jaar ter plaatse aanwezig is, valt onder het overgangsrecht van het vigerende bestemmingsplan. Ingevolge artikel 22, eerste lid, van de planvoorschriften mogen bouwwerken welke ten tijde van de ter inzage legging van het ontwerp van dit plan bestaan, dan wel nadien worden gebouwd of kunnen worden gebouwd, met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet, en die in enigerlei opzicht van het plan afwijken, mits de bestaande afwijkingen naar de aard en omvang niet worden vergroot en behoudens onteigening overeenkomstig de wet:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.