RECHTBANK HAARLEM Sector civiel familie- en jeugdrecht alimentatie/omgang zaak-/rekestnr.: 181954/11-1839 beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 13 december 2011 in de zaak van: [naam vrouw], wonende te [plaats], hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. P.H. Visser, kantoorhoudende te Wormerveer, tegen [naam man], wonende te [plaats], hierna te noemen: de man, advocaat mr. C.S. M. Ruijgrok, kantoorhoudende te Amsterdam. 1 Procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift, met bijlagen, van de vrouw van 24 mei 2011, ingekomen op 27 mei 2011; - het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, van de man van 28 juli 2011; - het verweerschrift van de vrouw tegen het zelfstandig verzoek van de man, van 18 augustus 2011; - de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw van 18 augustus 2011; - de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man van 31 oktober 2011; - de brief, met bijlagen, van 10 november 2011 van de advocaat van de man. 1.2 De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 11 november 2011, alwaar partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. 2 Feiten en omstandigheden 2.1 Partijen hebben van april 1993 tot maart 2004 een affectieve relatie gehad. 2.2 Uit deze relatie zijn geboren de minderjarigen [naam]: - [naam kind 1], geboren op [datum] 1997 in de gemeente [plaats], - [naam kind 2], geboren op [datum] 2003 in de gemeente [plaats]. De man heeft de minderjarigen erkend. Partijen hebben gezamenlijk gezag. 2.3 Na de beëindiging van de relatie hebben partijen in een convenant vastgelegd dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) van € 500 per maand per kind moet voldoen. 3 Verzoek De vrouw heeft aangevoerd dat de man gehouden is de in het convenant vastgestelde kinderbijdrage te blijven betalen. De vastgestelde bijdrage was afgestemd op de behoefte van de kinderen. Met een beroep op het feit dat de man vanaf 1 januari 2010 slechts een kinderbijdrage van € 150 per kind per maand voldoet, verzoekt de vrouw de rechtbank te bepalen dat de man gehouden is de in het convenant vastgelegde kinderbijdrage van € 500 per kind per maand te betalen. Zij verzoekt als ingangsdatum te bepalen 1 januari 2010 en de te bepalen dat de door de man sindsdien betaalde bijdrage van € 150 per kind per maand hierin zal worden verrekend. Naar aanleiding van de zelfstandige verzoeken van de man betoogt de vrouw dat partijen al een omgangsregeling uitvoeren van een weekend in de twee weken die aansluit op het verzoek van de man. Ook is al uitgangspunt is dat vakanties en feestdagen bij helfte worden gedeeld. De vrouw is van mening dat gedetailleerde vastlegging van een omgangsregeling voor weekenden en vakanties uitvoeringsproblemen zal veroorzaken. Zij voert aan dat partijen de ruimte nodig hebben om aan omgang nadere invulling te geven, mede omdat [naam kind 1] nu 14 jaar is en eigen activiteiten in weekenden en vakanties heeft. Vaststelling van een informatie- en consultatieplicht acht de vrouw niet nodig, aangezien zij de man de vereiste informatie al geeft. Zij wijst erop dat de man ook via de kinderen wordt geïnformeerd. 4 Verweer en zelfstandig verzoek 4.1 De man heeft aangevoerd dat partijen, nadat het convenant was opgesteld, in onderling overleg nieuwe afspraken hebben gemaakt. Zij hebben onder andere, om fiscale redenen, afgesproken dat, in afwijking van de regeling in het convenant, het hoofdverblijf van [naam kind 1] bij de man zou zijn. De man verzoekt de rechtbank de door hem te betalen kinderbijdrage opnieuw te bepalen, aangezien sprake is van diverse wijzigingen van omstandigheden. Ten tijde van het verbreken van de relatie van partijen had de vrouw geen eigen inkomen en was de door de man te betalen kinderbijdrage geheel behoeftedekkend. De man stelt zich op het standpunt dat partijen naar verhouding van hun draagkracht in de behoefte van de kinderen moeten bijdragen. Uit een andere relatie heeft de man een in [land] woonachtig kind waarvoor hij onderhoudsplichtig is. Bovendien is hij na het sluiten van het convenant werkloos geworden. Hij heeft inmiddels een andere baan doch een lager inkomen. Voorts is, anders dan in het convenant is vastgelegd, geen vaste omgangsregeling tussen de man en de kinderen tot stand gekomen. De man verzoekt vaststelling van een nieuwe, op basis van draagkrachtvergelijking te bepalen, bijdrage, en als ingangsdatum te bepalen de datum van deze beschikking. 4.2 Bij zelfstandig verzoek heeft de man verzocht een omgangsregeling vast te stellen. Hij stelt voor een omgangsregeling te bepalen van een weekend in de twee weken. De man verzoekt voorts een regeling voor vakanties en feestdagen vast te stellen en heeft een voorstel hiervoor geformuleerd. Tenslotte verzoekt hij een regeling op te nemen die ertoe strekt dat de vrouw hem moet consulteren en informeren over school- en medische zaken van de kinderen. 5 Beoordeling 5.1 De (hoogte van de) behoefte van de minderjarigen aan de gevraagde kinderbijdrage staat als niet weersproken vast. 5.2 Ingevolge artikel 1: 401 BW kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud worden gewijzigd bij latere uitspraak, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. De rechtbank is van oordeel dat de door de man gegeven voorbeelden van gewijzigde omstandigheden wijzigingen in zin van voornoemd artikel vormen, die een herbeoordeling van de kinderbijdrage rechtvaardigen. 5.3 Als uitgangspunt geldt dat beide ouders naar rato van hun draagkracht moeten bijdragen in de kosten van de kinderen. De rechtbank zal dan ook de draagkracht van beide ouders berekenen en op basis daarvan bepalen wat het aandeel van ieder van hen in de behoefte van de minderjarigen dient te zijn. Voor de draagkrachtvergelijking zal de rechtbank voor beide ouders uitgaan van het normbedrag voor een alleenstaande en met de heffingskortingen die kunnen worden ontvangen. 5.4 Bij de beoordeling van de draagkracht van de man is de rechtbank uitgegaan van de volgende, aan de dossierstukken en het verhandelde ter zitting ontleende, niet dan wel onvoldoende betwiste (financiële) gegevens. Bedragen zijn op maandbasis en zullen op hele euro’s worden afgerond: - de door de man overgelegde salarisstroken van de maanden juni, augustus en september 2011 waaruit blijkt dat zijn inkomen € 5.069 bruto per maand bedraagt; - de vakantietoeslag van 8 % op jaarbasis; - de ingehouden pensioenpremie van € 525 per maand; - de aanvullende pensioenpremie/premie reparatie WAO/WIA-gat van € 3; - de fiscale bijtelling inkomensafhankelijke werkgeversbijdrage Zorgverzekeringswet van € 216; - bijtelling eigen-woningforfait van € 1.298 op jaarbasis; - fiscaal aftrekbare hypotheekrente van € 11.595 op jaarbasis. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende heffingskortingen: - algemene heffingskorting; - arbeidskorting; - de alleenstaande ouderkorting; - de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Voorts worden de volgende niet, of niet langer bestreden maandelijkse lasten van de man in aanmerking genomen: - aftrekbare hypotheekrente van € 966 per maand; - de aan de hypotheek gekoppelde premie levensverzekering van € 165 per maand; - het forfait overige eigenaarslasten van € 95 per maand; - de premie Zorgverzekeringswet, inclusief premie aanvullende verzekering, van € 185, waarvan een bedrag van € 45 geacht wordt te zijn verdisconteerd in de bijstandsnorm, en een verplicht eigen risico van € 14 per maand; - kosten omgangsregeling met de kinderen van partijen, te begroten op € 68 per maand; - de man betaalt voor een dochter uit een andere relatie een kinderbijdrage van € 300 per maand. 5.5 Partijen verschillen van mening over de vraag of, en zo ja tot welk bedrag, door de man opgevoerde kosten die verband houden met (de omgang met) het uit een andere relatie geboren kind, in de berekening van de draagkracht kunnen worden betrokken. De man heeft aangevoerd dat deze kosten gemiddeld € 350 per maand bedragen. De rechtbank zal deze omgangskosten in redelijkheid bepalen op € 100 per maand en dit bedrag in de berekening betrekken. 5.6 Tot slot houdt de rechtbank rekening met de bijstandsnorm voor een alleenstaande, exclusief de woonkostencomponent, en een draagkrachtpercentage van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.