RECHTBANK HAARLEM Sector Strafrecht Locatie Haarlem Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/996539-06 Uitspraakdatum: 27 januari 2012 Tegenspraak Strafvonnis Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 1 juli 2010, 25 november 2010, 26 november 2010, 1 december 2010, 22 december 2010, 21 maart 2011, 28 april 2011, 29 april 2011, 9 mei 2011, 20 mei 2011, 27 juni 2011, 26 september 2011, 27 september 2011, 10 oktober 2011, 7 november 2011, 11 november 2011 en 13 januari 2012 in de zaak tegen: [verdachte], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], wonende te [adres]. 1. Tenlastelegging Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat: 1. PROJECT 126 Hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 1 februari 2006, te Eindhoven en/of Heemstede, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zichzelf en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of het aanwenden van (een) listige kunstgre(e)p(
- en)en/of door een samenweefsel van verdichtsels, Schootse Poort Onroerend Goed Beheer BV en/of Philips Real Estate Investment Management B.V. (hierna te noemen PREIM) en/of Stichting Philips Pensioenfonds en/of [betrokkene 2] heeft bewogen tot afgifte van een goed, te weten een pakket onroerend goed (bestaande uit de registergoederen A t/m Y, BB, Z en AA zoals omschreven in de akte van levering D-0037) althans delen daarvan, hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader(
- s)met vooromschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid, - aan [betrokkene 2] en/of PREIM doen voorkomen dat er met Bouwfonds onderhandeld werd en uiteindelijk een principe akkoord was bereikt tot de aankoop door Philips van Symphony en de verkoop van Philips aan Bouwfonds van een pakket onroerend goed (de zogenaamde swap), terwijl verdachte en/of zijn mededaders wisten dat van dergelijke (swap-)onderhandelingen / een akkoord met betrekking tot de aankoop van dit pakket onroerend goed door Bouwfonds geen sprake (meer) was en/of; (D-1880) - [betrokkene 2] en/of PREIM voorgehouden en/of besloten dat de onroerende goederen/objecten in één pakket dienden te worden verkocht en/of dat er geen tender diende te worden uitgeschreven omdat dit voor PREIM/Stichting Philips Pensioenfonds beter zou zijn, terwijl verdachte en/of zijn mededaders wist(
- en)dat de verkoop op deze wijze werd gebruikt om hun eigen opbrengst/winst zeker te stellen en/of te maximaliseren en/of; - vervolgens (op 31 maart 2005) per brief aan [betrokkene 2] en/of PREIM, voorgesteld, de [vennootschap 3], mede op verzoek van Bouwfonds, op te laten treden als intermediair en/of (gedeeltelijke) eindbelegger met betrekking tot de verkoop van genoemd pakket onroerend goed, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(
- s)op genoemd tijdstip wist(
- en)dat niet de [vennootschap 3] maar [vennootschap 2] (hierna te noemen [vennootschap 2]) van medeverdachte [betrokkene 3], in beeld was als mogelijke intermediair en/of (gedeeltelijke) eindbelegger en/of dat de [vennootschap 3] / [vennootschap 2] niet als intermediair en/of (gedeeltelijke) eindbelegger zou gaan optreden en/of dat de [vennootschap 3] niet op verzoek van Bouwfonds naar voren was geschoven en/of; (D-0815) - (in de daaropvolgende periode) (schijn)onderhandelingen gevoerd met medeverdachte [betrokkene 3], in diens hoedanigheid als directeur/vertegenwoordiger van [vennootschap 2], over de verkoopprijs van genoemd pakket onroerend goed, terwijl verdachte en/of zijn mededader(
- s)met andere(
- n)dan genoemde [betrokkene 3] en/of [vennootschap 2] de verkoopprijs onderhandelden, althans de verkoopprijs niet in deze (schijn)onderhandelingen werd bepaald en/of; - vervolgens aan [betrokkene 2] en/of PREIM doen voorkomen dat met [vennootschap 2] als eindbelegger van het pakket onroerend goed overeenstemming was bereikt, terwijl verdachte en/of zijn mededaders wisten dat [vennootschap 2] slechts als "tussenpersoon" en/of stroman optrad en/of; (D-0816) - (op 8 november 2005) per brief aan [betrokkene 2] en/of PREIM medegedeeld dat het onderhandelingsresultaat, gezien de balanswaarde van het pakket (per 31 december 2004) en de toenmalige waarde van de drie kantoorcomplexen in verband met verslechterende marktomstandigheden, als "zéér aanvaardbaar" kan worden bestempeld, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededaders op dat moment wist(
- en)dat het onderhandelingsresultaat voor PREIM hoger had kunnen zijn en/of dat het pakket onroerend goed met winst zou worden doorverkocht, waarbij hij,verdachte en/of zijn mededaders een gedeelte van de winst zou(den) gaan ontvangen en/of; (D-0816 / D1329) - aan [betrokkene 2] en/of PREIM (per brief van 8 november 2005) aangegeven dat drie kantoorcomplexen die deel uitmaken van het pakket (objecten AA, Z en BB) een waardevermindering van circa EUR 10 a 15 miljoen hadden ondergaan en daarbij ter onderbouwing hiervan een afwaarderingrapport van [getuige 3] als bijlage bijgevoegd, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(
- s)wist(
- en)dat deze afwaardering (feitelijk) onjuist was en/of aan [getuige 3] (nadat zij tot een afwaardering van circa EUR 3,1 miljoen kwam) heeft/hebben aangegeven dat zij op een afwaardering van circa EUR 18 miljoen moest uitkomen en/of; (D-1323 en D-1325) - tegenover [betrokkene 2] en/of PREIM verzwegen dat het pakket onroerend goed, althans delen daarvan, nog dezelfde dag waarop het/die geleverd zou(den) gaan worden aan [vennootschap 2] (namelijk 1-2-2006), zou(den) worden doorverkocht aan Kanaalcentrum Utrecht BV en/of (vervolgens) aan Landquest NV en/of (vervolgens) aan Fortis Verzekeringen Vastgoed Maatschappij NV en/of dat het pakket onroerend goed, althans delen daarvan, voor een (aanzienlijk) hoger bedrag dan de verkoopsom van het pakket en/of die delen aan [vennootschap 2], zou(den) worden (door)verkocht aan genoemde rechtspersonen en/of - zich voorgedaan als (een) competente en/of betrouwbare en/of loyale en/of integere medewerker(
- s)binnen PREIM en/of PPF terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s), zijn/hun competenties niet heeft/hebben aangewend ten goede van zijn/hun werkgever en/of lastgever en/of heeft/hebben verzwegen dat hij, verdachte en/of zijn mededaders een eigen (geldelijk) belang had(den) bij deze verkooptransactie, waardoor Schootse Poort Onroerend Goed Beheer BV en/of Philips Real Estate Investment Management B.V en/of Stichting Philips Pensioenfonds en/of [betrokkene 2] werd(
- en)bewogen tot afgifte van het voornoemde pakket onroerend goed; en/of Hij op of omstreeks 1 februari 2006, althans in de periode 1 februari 2006 tot en met 13 november 2007 te Eindhoven en/of Heemstede en/of Nuenen en/of Weert en/of Haelen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk enig goed, te weten een pakket onroerend goed (bestaande uit de registergoederen A t/m Y, BB, Z en AA zoals omschreven in de akte van levering D-0037), althans delen daarvan of een deel van de opbrengsten van de verkoop van dit onroerend goed, dat geheel of ten dele toebehoorde aan Stichting Philips Pensioenfonds althans aan (een) ander(
- en)dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), welk goed of deel daarvan verdachte en/of zijn mededader(
- s)uit hoofde van zijn, verdachtes, persoonlijke dienstbetrekking als directeur bij Philips Real Estate Investment Management B.V. en/of uit hoofde van de persoonlijke dienstbetrekking van [medeverdachte 8] als hoofd portefeuillemanagement, dan wel als directeur, dan wel als werknemer, bij Philips Real Estate Investment Management B.V., in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had(den),wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend; 2. PROJECT 126: Hij in of omstreeks de periode van 27 juli 2004 tot en met 1 december 2006 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking bij Philips Electronics Nederland BV en/of Philips International BV en/of Philips Real Estate Investment Management B.V. en/of optredende als lasthebber van Stichting Philips Pensioenfonds, naar aanleiding van hetgeen hij, verdachte, in zijn betrekking en/of bij de uitvoering van zijn last(
- en)heeft gedaan en/of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, (telkens) een of meer giften, te weten de betaling van in totaal circa EUR 10.500.000 en/of de betaling van in totaal circa EUR 422.500,- en/of de betaling van een of meer geldbedrag(
- en)en/of (telkens) een of meer belofte(n), te weten de belofte tot betaling van 7/15 deel van de te behalen winst op project 126 door (de vennootschappen van) medeverdachte [medeverdachte 1], welk deel in totaal begroot werd op circa EUR 22.900.000,-, althans een of meer geldbedragen, heeft aangenomen, en dit aannemen in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever en/of lastgever; 3. PRIMAIR: PROJECT 126: Hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 1 juli 2007 te Hoofddorp en/of Weert en/of Haelen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (van) een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(
- en)tot een totaal bedrag van circa Euro 422.500,- (exclusief btw), in elk geval enig(
- e)geldbedrag(en), de werkelijke aard en/of de herkomst heeft verborgen en/of verhuld door voor te wenden dat dit/die voorwerp(en)/geldbedrag(
- en)was/waren verkregen op basis van een (valse of vervalste) factuur van [vennootschap 18] aan Coördinatie Bouwwezen BV (D-0541/D-0544/D-0820/ D-1447) en/of een (valse of vervalste) factuur van [vennootschap 18] aan [vennootschap 19] (D-0777) en/of een (valse of vervalste) factuur van [vennootschap 18] aan Wertha Vastgoed I BV (D-3212), althans dit/die voorwerp(en)/geldbedrag(
- en)voorhanden heeft gehad en/of heeft verworven, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(
- s)(telkens) wist(en), dan wel redelijkerwijs moest(
- en)vermoeden, dat dat/die voorwerp(en)/geldbedrag(
- en)geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf; SUBSIDIAIR: [vennootschap 18] op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 1 juli 2007 te Hoofddorp en/of Weert en/of Haelen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) (van) een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(
- en)tot een totaal bedrag van circa Euro 422.500,- (exclusief btw), in elk geval enig(
- e)geldbedrag(en), de werkelijke aard en/of de herkomst heeft verborgen en/of verhuld door voor te wenden dat dit/die voorwerp(en)/geld(bedragen) was/waren verkregen op basis van een (valse of vervalste) factuur van [vennootschap 18] aan Coordinatie Bouwwezen BV (D-0541/D-0544/D-0820/D-1447) en/of een (valse of vervalste) factuur van [vennootschap 18] aan [vennootschap 19] (D-0777) en/of een (valse of vervalste) factuur van [vennootschap 18] aan Wertha Vastgoed I BV (D-3212), althans dit/die voorwerp(en)/geldbedrag(
- en)voorhanden heeft gehad en/of heeft verworven, terwijl voornoemde [vennootschap 18] en/of haar mededader(
- s)(telkens) wist(en), dan wel redelijkerwijs moest(
- en)vermoeden, dat dat/die voorwerp(en)/geldbedrag(
- en)geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, tot welk(
- e)bovenomschreven strafbare feit(
- en)hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer (rechts)personen, althans alleen, (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan bovenomschreven verboden gedraging(
- en)verdachte (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven; 4. PRIMAIR: PROJECT CEYLONSTAETE: Hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2001 tot en met 2 april 2004 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een geldbedrag van circa Euro 5.445.363,- (Fl.12.000.000,-), in elk geval enig geldbedrag, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(
- n)aan Stichting Philips Pensioenfonds, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(
- e)goed(eren) verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als procuratiehouder bij Stichting Philips Pensioenfonds en/of van/als directeur van Philips Real Estate Investment Management BV, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; SUBSIDIAIR: Hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2001 tot en met 1 december 2006 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking bij Schootse Poort Holding B.V. en/of Schootse Poort Onroerend Goed Beheer B.V. en/of Philips Electronics Nederland B.V. en/of Philips International B.V. en/of Philips Real Estate Investment Management B.V. en/of optredende als lasthebber van Stichting Philips Pensioenfonds, naar aanleiding van hetgeen hij, verdachte, in zijn betrekking en/of bij de uitvoering van zijn last(
- en)heeft gedaan en/of nagelaten dan wel zal doen of nalaten (in het kader van het project Ceylonstaete), (telkens) een of meer gift(en), te weten een of meer geldbedragen van in totaal circa EUR 5.445.363 (Hfl 12.000.000), in elk geval enig geldbedrag, en/of (telkens) een of meer belofte(n), te weten de belofte tot betaling van de helft van de geprognosticeerde winst die Ceylonstaete BV zal behalen op de aan- en verkoop en/of exploitatie van het onroerend goed uit het pakket Ceylonstaete BV (tot een maximum van) Hfl. 24.000.000 zijnde derhalve Hfl. 12.000.000, althans de belofte tot de betaling van een of meer geldbedragen, heeft aangenomen, en dit aannemen in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever en/of lastgever; 5. PRIMAIR: PROJECT CEYLONSTAETE: Hij in of omstreeks de periode van 1 april 2002 tot en met 13 november 2007 te Haelen en/of Nuenen en/of Eindhoven, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (van) een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(
- en)tot een totaal bedrag van circa Euro 5.445.363,- (Hfl 12.000.000) (exclusief btw), in elk geval enig(
- e)geldbedrag(en), de werkelijke aard en/of de herkomst heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat/die voorwerp(en)/geldbedrag(
- en)was en/of wie het voorhanden had (te weten hij, verdachte) door voor te wenden dat dit/die voorwerp(en)/geldbedrag(
- en)was/waren verkregen op basis van een (valse of vervalste) winstdelingsovereenkomst tussen Ceylonstaete BV en Universum Beheer BV (D-0835) en/of een (valse of vervalste) vaststellingsovereenkomst tussen Ceylonstaete BV en Universum Beheer B.V. (D-0836) en/of door dit/die voorwerp(en)/geldbedrag(
- en)te ontvangen op de bankrekening van Universum Beheer B.V., van welke vennootschap hij, verdachte, middels aandelenverhoudingen die voor derden niet zichtbaar waren, (economisch) (mede)eigenaar was en/of door dit/die voorwerp(en)/geldbedrag(en), althans delen daarvan, door te storten of te doen laten doorstorten via de bankrekening van Universum Holding BV op een of meer Zwitserse bankrekening(
- en)(bij de Clariden Bank te Basel), althans dit/die voorwerp(en)/geldbedrag(
- en)voorhanden heeft gehad en/of heeft verworven, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(
- s)(telkens) wist(en), dan wel redelijkerwijs moest(
- en)vermoeden, dat dat/die voorwerp(en)/geldbedrag(
- en)geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf; SUBSIDIAIR: Universum Beheer B.V. in of omstreeks de periode van 1 april 2002 tot en met 13 november 2007 te Haelen en/of Nuenen en/of Eindhoven, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (van) een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(
- en)tot een totaal bedrag van circa Euro 5.445.363,- (Fl.12.000.000,-) (exclusief btw), in elk geval enig(
- e)geldbedrag(en), de werkelijke aard en/of de herkomst heeft verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op het/de voorwerp(en)/geldbedrag(
- en)was en/of wie het voorhanden had (te weten hij, verdachte) door voor te wenden dat dit/die voorwerp(en)/geldbedrag(
- en)was/waren verkregen op basis van een (valse of vervalste) winstdelingsovereenkomst tussen Ceylonstaete BV en Universum Beheer BV (D-0835) en/of een (valse of vervalste) vaststellingsovereenkomst tussen Ceylonstaete BV en de Universum Beheer B.V. en Ceylonstaete B.V (D-0836) en/of door dit/die voorwerp(en)/geldbedrag(
- en)te ontvangen op de bankrekening van Universum Beheer B.V., van welke vennootschap hij, verdachte, middels aandelenverhoudingen die voor derden niet zichtbaar waren, (economisch) (mede)eigenaar was en/of door dit/die voorwerp(en)/geldbedrag(en), althans delen daarvan, door te storten of te doen laten doorstorten via de bankrekening van Universum Holding BV op een of meer Zwitserse bankrekening(
- en)(bij de Clariden Bank te Basel), althans dit/die voorwerp(en)/geldbedrag(
- en)voorhanden heeft gehad en/of heeft verworven, terwijl voornoemde Universum Beheer B.V. en/of haar mededader(
- s)(telkens) wist(en), dan wel redelijkerwijs moest(
- en)vermoeden, dat dat/die voorwerp(en)/geldbedrag(
- en)geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, tot welk(
- e)bovenomschreven strafba(a)r(
- e)feit(
- en)hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer (rechts)personen, althans alleen, (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan bovenomschreven verboden gedraging(
- en)verdachte (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven; 6. PRIMAIR: PROJECT EUROCENTER: Hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2003 tot en met 13 november 2007 te Hoevelaken en/of Haelen en/of Roermond, in elk geval in Nederland en/of te Basel (Zwitserland), in elk geval in Zwitserland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (van) een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(
- en)tot een totaal van circa Euro 5.055.181,- (exclusief btw), in elk geval enig(
- e)geldbedrag(en), de werkelijke aard en/of de herkomst heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op het/de voorwerp(en)/geldbedrag(
- en)was en/of wie het voorhanden had (te weten hij, verdachte) door voor te wenden dat dit/die voorwerp(en)/geldbedrag(
- en)was/waren verkregen op basis van een (valse of vervalste) brief van Universum Vastgoed BV aan Bouwfonds Vastgoedontwikkeling CV (D-1982) en/of een (valse of vervalste) brief van Bouwfonds Ontwikkeling BV aan Universum Vastgoed BV (D-0620) en/of een (valse of vervalste) (bouwclaim)overeenkomst tussen Drente Park VOF/[vennootschap 20] en Universum Vastgoed BV (D-0036) en/of een (valse of vervalste) (bouwclaim)overeenkomst tussen Universum Vastgoed BV en [medeverdachte 14] (D-0860) en/of een (valse of vervalste) factuur van Universum Vastgoed BV aan [medeverdachte 14] (D-2237) en/of een (valse of vervalste) factuur van Universum Vastgoed BV aan Bouwfonds Ontwikkeling BV (D-1992) en/of drie, althans een of meer, (valse of vervalste) factu(u)r(
- en)van Universum Vastgoed BV aan Drentepark VOF (D-1636 en/of D-2076 en/of D-2078) en/of een (valse of vervalste) factuur van Universum Beheer BV aan Koblok Exploitaties BV (D-1593) en/of door dit/die voorwerp(en)/geldbedrag(
- en)te ontvangen op de bankrekening van Universum Vastgoed B.V. en/of Universum Beheer BV, van welke vennootschap(pen) hij, verdachte, middels aandelenverhoudingen die voor derden niet zichtbaar waren, (economisch) (mede)eigenaar was en/of door dit/die voorwerp(en)/geldbedrag(en), althans delen daarvan, na de liquidatie van Universum Vastgoed B.V., via de bankrekening van Universum Holding BV, door te storten naar een of meer Zwitserse bankrekening(
- en)(bij de Clariden Bank te Basel), althans dit/die voorwerp(en)/geldbedrag(
- en)voorhanden heeft gehad en/of heeft verworven, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(
- s)(telkens) wist(en), dan wel redelijkerwijs moest(
- en)vermoeden, dat dat/die voorwerp(en)/geldbedrag(
- en)geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf; SUBSIDIAIR: Universum Vastgoed B.V. en/of Universum Beheer B.V. en/of Universum Holding B.V. in of omstreeks de periode van 1 oktober 2003 tot en met 13 november 2007 te Hoevelaken en/of Haelen en/of Roermond, in elk geval in Nederland, en/of te Basel (Zwitserland), in elk geval in Zwitserland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (van) een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(
- en)tot een totaal van circa Euro 5.055.181,- (exclusief btw), in elk geval enig(
- e)geldbedrag(en), de werkelijke aard en/of de herkomst heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op het/de voorwerp(en)/geldbedrag(
- en)was en/of wie het voorhanden had (te weten hij, verdachte) door voor te wenden dat dit/die voorwerp(en)/geldbedrag(
- en)was/waren verkregen op basis een (valse of vervalste) brief van Universum Vastgoed BV aan Bouwfonds Vastgoedontwikkeling CV (D-1982) en/of een (valse of vervalste) brief van Bouwfonds Ontwikkeling BV aan Universum Vastgoed BV (D-0620) van een (valse of vervalste) (bouwclaim)overeenkomst tussen Drente Park VOF/[vennootschap 20] en Universum Vastgoed BV (D-0036) en/of een (valse of vervalste) (bouwclaim)overeenkomst tussen Universum Vastgoed BV en [medeverdachte 14] (D-0860) en/of een (valse of vervalste) factuur van Universum Vastgoed BV aan [medeverdachte 14] (D-2237) en/of een (valse of vervalste) factuur van Universum Vastgoed BV aan Bouwfonds Ontwikkeling BV (D-1992) en/of drie, althans een of meer, (valse of vervalste) factu(u)r(
- en)van Universum Vastgoed BV aan Drentepark VOF (D-1636 en/of D-2076 en/of D-2078) een (valse of vervalste) factuur van Universum Beheer BV aan Koblok Exploitaties BV (D-1593) en/of door dit/die voorwerp(en)/geldbedrag(
- en)te ontvangen op de bankrekening(
- en)van Universum Vastgoed B.V. en/of Universum Beheer B.V., van welke vennootschap hij, verdachte, middels aandelenverhoudingen die voor derden niet zichtbaar waren, (economisch) (mede)eigenaar was en/of door dit/die voorwerp(en)/geldbedrag(en), althans delen daarvan, na de liquidatie van Universum Vastgoed B.V., via de bankrekening van Universum Holding B.V., door te storten naar een of meer Zwitserse bankrekening(
- en)(bij de Clariden Bank te Basel), althans dit/die voorwerp(en)/geldbedrag(
- en)voorhanden heeft gehad en/of heeft verworven, terwijl voornoemde Universum Vastgoed B.V. en/of Universum Beheer B.V. en/of Universum Holding B.V. en/of zijn mededader(
- s)(telkens) wist(en), dan wel redelijkerwijs moest(
- en)vermoeden, dat dat/die voorwerp(en)/geldbedrag(
- en)geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, tot het plegen van welk(
- e)bovenomschreven strafba(a)r(
- e)feit(
- en)hij, verdachte en/of zijn mededader(s), (telkens) opdracht heeft/hebben gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(
- en)hij, verdachte en/of zijn mededader(s), (telkens) feitelijke leiding heeft/hebben gegeven; 7. PRIMAIR: PROJECT EUROCENTER: Universum Vastgoed BV op of omstreeks 15 april 2004 en/of 30 maart 2004 en/of 28 oktober 2003 en/of 21 december 2004, althans in de periode van oktober 2003 tot en met december 2004, te Roermond en/of Tilburg en/of Bloemendaal te Aerdenhout en/of Haelen en/of Haarlem en/of Rosmalen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, A - een overeenkomst tussen enerzijds Drentepark v.o.f. vertegenwoordigd door haar vennoten [vennootschap 6] en [vennootschap 20] en anderzijds Universum Vastgoed BV vertegenwoordigd door haar directeuren [betrokkene 1] en [medeverdachte 9], terzake - zakelijk weergegeven - een aan Universum Vastgoed BV te betalen vergoeding van EUR 2.586.547,- voor de bemiddeling en inspanning die Universum heeft verricht als gevolg waarvan een ontwikkelovereenkomst tot stand is gekomen tussen Schootse Poort en Bouwfonds Ontwikkeling BV en/of voor de in het bezit van Universum zijnde bouwclaim terzake van het project Eurocenter te Amsterdam, welke bouwclaim voorziet in de bouw van een woontoren en twee kantoortorens (D-0036), en/of B - een overeenkomst tussen enerzijds [medeverdachte 14] en anderzijds Universum Vastgoed BV, terzake - zakelijk weergegeven - een te betalen vergoeding van EUR 136.134,- voor de bemiddeling en inspanning die Universum Vastgoed BV heeft verricht en/of zal verrichten als gevolg waarvan een ontwikkelingsovereenkomst tot stand zal komen tussen Schootse Poort/Philips Pensioenfonds en Bouwfonds Vastgoedontwikkeling CV (D-0860), zijnde (telkens) een geschrift bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken en/of laten opmaken en/of vervalst en/of doen vervalsen en/of laten vervalsen, immers heeft/hebben Universum Vastgoed BV en/of haar mededader(
- s)A - in genoemde overeenkomst onder A opgenomen dat - zakelijk weergegeven - - Universum Vastgoed BV bemiddeling en inspanning heeft verricht als gevolg waarvan tussen Schootse Poort en Bouwfonds Ontwikkeling BV een ontwikkelovereenkomst is gesloten, terwijl in werkelijkheid Universum Vastgoed BV geen enkele bemiddeling of inspanning heeft verricht bij de totstandkoming van de ontwikkelovereenkomst tussen Schootse Poort en Bouwfonds Ontwikkeling BV en/of - Universum Vastgoed BV een bouwclaim terzake van het project Eurocenter in haar bezit heeft, terwijl in werkelijkheid Universum Vastgoed BV geen rechten kan doen gelden ten aanzien van het project Eurocenter en/of ten overstaan van Drentepark v.o.f., althans geen rechten en/of bouwclaim heeft ten waarde van de overeengekomen vergoeding van EUR 2.586.547,- en/of B - in genoemde overeenkomst onder B opgenomen dat - zakelijk weergegeven - - Universum Vastgoed BV bemiddeling en inspanning heeft verricht / zal verrichten als gevolg waarvan tussen Schootse Poort/Philips Pensioenfonds en Bouwfonds Vastgoedontwikkeling CV een overeenkomst tot stand zal komen, terwijl in werkelijkheid Universum Vastgoed BV geen bemiddeling of inspanning heeft verricht en/of zou verrichten bij de totstandkoming van de overeenkomst tussen Schootse Poort/Philips Pensioenfonds en Bouwfonds Vastgoedontwikkeling CV en/of - [medeverdachte 14] zich zal inspannen dat de bouwopdracht inzake het project Eurocenter wordt verstrekt aan een nader door het Bouwfonds aan te wijzen aannemer en/of aannemercombinatie, terwijl [medeverdachte 14] in werkelijkheid geen inspanningen zou gaan verrichten, dan wel Universum Vastgoed BV en/of haar mededader(
- s)ten tijde van de opstelling en ondertekening van de overeenkomst (D-0860) wist(
- en)dat [medeverdachte 14] geen inspanningen zoals genoemd zou gaan verrichten, zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(
- en)als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken, tot het plegen van welk(
- e)bovenomschreven strafba(a)r(
- e)feit(
- en)hij, verdachte en/of zijn mededader(s), (telkens) opdracht heeft/hebben gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(
- en)hij, verdachte en/of zijn mededader(s), (telkens) feitelijke leiding heeft/hebben gegeven; SUBSIDIAIR: Hij op of omstreeks 15 april 2004 en/of 30 maart 2004 en/of 28 oktober 2003 en/of 21 december 2004, althans in de periode van oktober 2003 tot en met december 2004, te Roermond en/of Tilburg en/of Bloemendaal te Aerdenhout en/of Haelen en/of Haarlem en/of Rosmalen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, A - een overeenkomst tussen enerzijds Drentepark v.o.f. vertegenwoordigd door haar vennoten [vennootschap 6] en [vennootschap 20] en anderzijds Universum Vastgoed BV vertegenwoordigd door haar directeuren [betrokkene 1] en [medeverdachte 9], terzake - zakelijk weergegeven - een aan Universum Vastgoed BV te betalen vergoeding van EUR 2.586.547,- voor de bemiddeling en inspanning die Universum Vastgoed BV heeft verricht als gevolg waarvan een ontwikkelovereenkomst tot stand is gekomen tussen Schootse Poort en Bouwfonds Ontwikkeling BV en/of voor de in het bezit van Universum Vastgoed BV zijnde bouwclaim terzake van het project Eurocenter te Amsterdam, welke bouwclaim voorziet in de bouw van een woontoren en twee kantoortorens (D-0036), en/of B - een overeenkomst tussen enerzijds [medeverdachte 14] en anderzijds Universum Vastgoed BV, terzake - zakelijk weergegeven - een te betalen vergoeding van EUR 136.134,- voor de bemiddeling en inspanning die Universum Vastgoed BV heeft verricht en/of zal verrichten als gevolg waarvan een ontwikkelingsovereenkomst tot stand zal komen tussen Schootse Poort/Philips Pensioenfonds en Bouwfonds Vastgoedontwikkeling CV (D-0860), zijnde (telkens) een geschrift bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken en/of laten opmaken en/of vervalst en/of doen vervalsen en/of laten vervalsen, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(
- s)A - in genoemde overeenkomst onder A opgenomen dat - zakelijk weergegeven - - Universum Vastgoed BV bemiddeling en inspanning heeft verricht als gevolg waarvan tussen Schootse Poort en Bouwfonds Ontwikkeling BV een ontwikkelovereenkomst is gesloten, terwijl in werkelijkheid Universum Vastgoed BV geen bemiddeling of inspanning heeft verricht bij de totstandkoming van de ontwikkelovereenkomst tussen Schootse Poort en Bouwfonds Ontwikkeling BV en/of - Universum Vastgoed BV een bouwclaim terzake van het project Eurocenter in haar bezit heeft, terwijl in werkelijkheid Universum Vastgoed BV geen rechten kan doen gelden ten aanzien van het project Eurocenter en/of ten overstaan van Drentepark v.o.f., althans geen rechten en/of bouwclaim heeft ten waarde van de overeengekomen vergoeding van EUR 2.586.547,- en/of B - in genoemde overeenkomst onder B opgenomen dat - zakelijk weergegeven - - Universum Vastgoed BV bemiddeling en inspanning heeft verricht / zal verrichten als gevolg waarvan tussen Schootse Poort/Philips Pensioenfonds en Bouwfonds Vastgoedontwikkeling CV een overeenkomst tot stand zal komen, terwijl in werkelijkheid Universum Vastgoed BV geen bemiddeling of inspanning heeft verricht en/of zou verrichten bij de totstandkoming van de overeenkomst tussen Schootse Poort/Philips Pensioenfonds en Bouwfonds Vastgoedontwikkeling CV en/of - [medeverdachte 14] zich zal inspannen dat de bouwopdracht inzake het project Eurocenter wordt verstrekt aan een nader door het Bouwfonds aan te wijzen aannemer en/of aannemercombinatie, terwijl [medeverdachte 14] in werkelijkheid geen inspanningen zou gaan verrichten, dan wel hij, verdachte en/of zijn mededader(
- s)ten tijde van de opstelling en ondertekening van de overeenkomst (D-0860) wist(
- en)dat [medeverdachte 14] geen inspanningen zoals genoemd zou gaan verrichten, zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(
- en)als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken, 8. PROJECT EUROCENTER: Hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2000 tot en met 1 december 2006 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking bij Schootse Poort Holding B.V. en/of Schootse Poort Onroerend Goed Beheer B.V. en/of Philips Electronics Nederland B.V. en/of Philips International B.V. en/of Philips Real Estate Investment Management B.V. en/of optredende als lasthebber van Stichting Philips Pensioenfonds, naar aanleiding van hetgeen hij, verdachte, in zijn betrekking en/of bij de uitvoering van zijn last(
- en)heeft gedaan en/of nagelaten dan wel zal doen of nalaten (zulks in het kader van het project Eurocenter), (telkens) een of meer belofte(n), te weten de belofte tot betaling van 25% van de winst (aan Universum Vastgoed BV) die Bouwfonds zal behalen op het project Eurocenter, althans Euro 2.000.000 (exclusief btw) wegens het vervallen van genoemde winstafspraak (D-0619) en/of de belofte tot betaling van een of meer geldbedrag(
- en)van in totaal circa EUR 4.055.181,- (exclusief btw), althans een of meer geldbedrag(en), en/of (telkens) een of meer gift(en), te weten een geldbedrag van in totaal circa EUR 2.000.000,- (exclusief btw, factuur D-1656/D-1992), en/of een of meer geldbedrag(
- en)van in totaal circa EUR 3.055.181,- (exclusief btw, factu(u)r(
- en)D-2237, D-1636, D-2076, D2078, D-1593), in elk geval enig geldbedrag, heeft aangenomen, en dit aannemen in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever en/of lastgever; 9. PROJECTEN EUROCENTER EN 126: Hij in of omstreeks de periode van 1 januari 1998 tot en met 13 november 2007 te Eindhoven en/of Hoevelaken en/of Hoofddorp en/of Heemstede en/of Weert en/of Haelen en/of Roermond en/of Tilburg en/of Aerdenhout en/of Bloemendaal en/of Rosmalen en/of 's Hertogenbosch en/of Den Haag en/of Bilthoven en/of Haarlem en/of Alphen aan den Rijn en/of Capelle aan den IJssel en/of IJsselstein en/of Waddinxveen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een organisatieverband van natuurlijke personen en/of rechtspersonen, bestaande uit hem, verdachte en/of [medeverdachte 1] en/of [betrokkene 14] en/of [medeverdachte 9] en/of [betrokkene 16] en/of [medeverdachte 6] en/of [betrokkene 3] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 8] en/of [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 7] en/of [betrokkene 6] en/of [medeverdachte 4] en/of [betrokkene 7] en/of [betrokkene 8] en/of Landquest NV en/of Kanaalcentrum Utrecht BV en/of Europalaan Utrecht BV en/of Idlewild Consultants BV en/of Universum Holding BV en/of Universum Beheer BV en/of [medeverdachte 15] en/of [medeverdachte 13] en/of [medeverdachte 14] en/of AFR Vastgoed BV (van 29 januari 2001 tot 10 april 2006 optredend onder de handelsnaam [vennootschap 2]) en/of [vennootschap 4] en/of [vennootschap 5] en/of [vennootschap 6] en/of een of meer andere(
- n)(rechts)perso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, namelijk onder meer: - oplichting van Stichting Philips Pensioenfonds en/of Philips Real Estate Investment Management BV en/of Schootse Poort Onroerend Goed Beheer BV en/of Bouwfonds (art 326 Sr) - verduistering in dienstbetrekking bij Stichting Philips Pensioenfonds en/of Philips Real Estate Investment Management BV en/of Schootse Poort Onroerend Goed Beheer BV en/of Bouwfonds (art 322 Sr) - valsheid in geschriften (art 225 Sr) - actieve en/of passieve niet-ambtelijke omkoping (art 328ter Sr) - witwassen (art 420bis en 420quater Sr) bestaande die deelneming onder meer uit: het bedenken en/of plannen en/of voorbereiden van vorenbedoelde misdrijven en/of het uitdenken en/of vastleggen van constructies waarop de met vorenbedoelde misdrijven verkregen gelden worden verdeeld en/of aan het zicht worden onttrokken van derden en/of het ten behoeve van vorenbedoelde misdrijven oprichten van vennootschappen en/of aangaan van samenwerkingsverbanden en/of inrichten van de (eigendoms)verhoudingen binnen vennootschappen en/of op andere wijze betrekken van derden en/of het ten behoeve van vorenbedoelde misdrijven doen van giften en/of beloften aan andere deelnemers van die organisatie en/of aan anderen in ruil voor medewerking en/of het verzwijgen tegenover de werkgever (Bouwfonds en/of Stichting Philips Pensioenfonds en/of Philips Real Estate Investment Management BV en/of Schootse Poort Onroerend Goed Beheer BV) van (deze) giften en/of beloften en/of het aanwenden en/of gebruik maken van de positie en/of specifieke kennis en/of vaardigheden van (een) andere deelnemer(
- s)van de organisatie en/of van anderen en/of het voor rekening van en/of op naam van de werkgever (doen of laten) aangaan van valse of vervalste en/of onzakelijke overeenkomsten en/of het ten behoeve van het aangaan van valse of vervalste overeenkomsten overleggen van valse of vervalste KBA's en/of notities en/of andere stukken en/of het (doen of laten) verrichten van (frauduleuze) betalingen aan de contractpartijen ter uitvoering van valse of vervalste overeenkomsten en/of het (doen of laten) verstrekken van geheime of vertrouwelijke informatie aan andere deelnemers van de organisatie en/of aan anderen en/of het (doen of laten) opnemen van valse of vervalste overeenkomsten en/of facturen en/of brieven in bedrijfsadministraties (van de werkgever) en/of het (doen of laten) opmaken en/of samenstellen van valse of vervalste facturen en/of overeenkomsten en/of brieven ten behoeve van de verdere doorgeleiding van de door middel van vorenbedoelde misdrijven verkregen (frauduleuze) gelden en/of het doen of laten beheren van de door middel van vorenbedoelde misdrijven verkregen gelden door andere deelnemers van de organisatie en/of het beheren van de door middel van vorenbedoelde misdrijven verkregen gelden voor andere deelnemers van de organisatie en/of het (doen of laten) beheren van de door middel van vorenbedoelde misdrijven verkregen gelden middels buitenlandse vennootschappen en/of buitenlandse bankrekeningen en/of het beleggen of bijwonen van bijeenkomsten en/of vergaderingen met de andere deelnemers van de organisatie, zulks ten behoeve van besluitvorming over vorenbedoelde misdrijven en/of het werven en/of selecteren en/of opleiden en/of coachen van nieuwe leden en/of huidige leden van de organisatie en/of het feitelijk leiding geven aan vorenbedoelde misdrijven; 2. Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak. Ontvankelijkheid openbaar ministerie De raadsman heeft het standpunt ingenomen dat om een samenstel van redenen in de strafzaak tegen verdachte het in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) verankerde recht op een fair trial is geschonden, tengevolge waarvan het openbaar ministerie in de visie van de raadsman zijn recht op vervolging van verdachte heeft verspeeld en mitsdien niet-ontvankelijk verklaard moet worden. Genoemde schending is niet beperkt gebleven tot verzuimen begaan tijdens het voorbereidend onderzoek, maar er hebben ook verzuimen tijdens het onderzoek ter terechtzitting plaatsgevonden; jurisprudentie van het EHRM leert dat bij de beoordeling van dit verweer een ruimere toets dan die van artikel 359a Sv moet worden gehanteerd, aldus de verdediging. Ter onderbouwing van het standpunt dat verdachte geen recht heeft gehad op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht heeft de raadsman gewezen op een aantal aspecten waarvan het eerste betreft de vrees van vooringenomenheid die de rechtbank op zich heeft geladen doordat de voorzitter tijdens het onderzoek ter terechtzitting in de zaken van twee medeverdachten en twee aan één van hen gelieerde vennootschappen de eerste acht regels van een gedicht heeft voorgedragen en daaraan heeft toegevoegd dat hem bij lezing van het dossier het gevoel bekroop dat in dat deel van het gedicht werd verklankt. Ondanks dat het namens verdachte daarop ingediende wrakingsverzoek is afgewezen, blijft verdachte de vrees van een bij de rechtbank bestaande vooringenomenheid koesteren, nu het door de voorzitter verwoorde gevoel betrekking had op het gehele dossier en dus kennelijk ook op verdachte. Een tweede aspect dat de raadsman naar voren brengt betreft de onwelwillende wijze waarop de rechtbank met verzoeken van de zijde van de verdediging is omgegaan tegenover een heel welwillende opstelling ten aanzien van door het openbaar ministerie gedane verzoeken. Verwezen wordt daarbij naar het toewijzen van de vordering van het openbaar ministerie [medeverdachte 1] als getuige in de zaak van onder meer verdachte te horen zonder dat de rechtbank over de noodzaak daarvan met de verdediging in discussie wilde. Als derde aspect heeft de raadsman, onder verwijzing naar jurisprudentie van het EHRM, benoemd dat in deze zaak het beginsel van de onschuldpresumptie is geschonden. Het complete dossier is niet alleen aan verdachte maar ook aan de aangevers verstrekt die deze stukken vervolgens aan journalisten hebben gegeven. Dit heeft geresulteerd in het verschijnen van een boek over deze zaak. Daarmee is de publieke beïnvloeding van de rechtbank door het openbaar ministerie minst genomen mogelijk gemaakt en bevorderd, aldus de raadsman. Bij dupliek heeft de raadsman hier nog aan toegevoegd dat de Minister van Veiligheid en Justitie zich in het kader van de door het openbaar ministerie met [betrokkene 9] aangegane transactie, publiekelijk over de schuld van de verdachten in deze zaak heeft uitgelaten, hetgeen - naar de rechtbank begrijpt - de publieke opinie eveneens heeft beïnvloed en de schuld van (onder meer) verdachte op voorhand al deed vaststaan. Een volgend punt van de raadsman betreft zijn vaststelling dat niet alleen het openbaar ministerie maar ook de rechtbank indirect heeft meegewerkt aan de ''naming and shaming'' van verdachte door te weigeren medewerking te verlenen aan het namens de verdediging voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling gedane verzoek dat verdachte op een zodanige wijze de rechtbank kon betreden dat hij niet kon worden gefilmd of gefotografeerd. Ook is volgens de raadsman sprake van een schending van het beginsel van "equality of arms" aangezien het openbaar ministerie onbeperkte toegang had tot het gehele dossier inclusief dat deel dat zich in de dataroom in Helmond - en later in Amsterdam - bevond en van de zich in die dataroom bevindende stukken ter terechtzitting ook gebruik heeft gemaakt, terwijl de verdediging van verdachte voor inzage in de stukken die zich in die dataroom bevonden moest afreizen naar genoemde plaatsen. Tot slot heeft de raadsman verzocht om bij zijn beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie tevens te betrekken de omstandigheid dat de vervolging van verdachte op het moment dat uitspraak wordt gedaan, ruim vier jaar gaande is, hetgeen een schending van de redelijke termijn oplevert. De officieren van justitie hebben bij repliek gereageerd op het hierboven weergegeven verweer en geconcludeerd dat geen sprake is van een schending van verdachtes recht op een fair trial als bedoeld in artikel 6 EVRM, zodat er geen reden is het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging De rechtbank stelt voorop dat niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging als in artikel 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen aan de orde komt en wel alleen dan als het vormverzuim daarin bestaat dat met opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. De door de raadsman aan zijn verweer ten grondslag gelegde aspecten van de vermeende vooringenomenheid van de rechtbank, het door de rechtbank niet willen bevorderen dat verdachte bij de behandeling van zijn zaak het gerechtsgebouw kan betreden zonder dat hij door de media kan worden gefilmd of gefotografeerd en de vermeende ongelijke behandeling door de rechtbank van verzoeken, wat er ook zij van de weinig precieze weergave van de feitelijke gegevens, hebben geen betrekking op schending van enig recht van verdachte waarvoor het openbaar ministerie verantwoordelijkheid draagt en kunnen reeds daarom niet leiden tot de door de verdediging bepleite niet-ontvankelijkheid. Ingevolge vaste jurisprudentie kan een ander door de raadsman genoemd punt, te weten overschrijding van de redelijke termijn bij de berechting van een zaak, voor zover daarvan hier al sprake is, evenmin tot die niet-ontvankelijkheid leiden. Aangezien de raadsman heeft bepleit dat bij de beoordeling of sprake is van een schending van verdachtes recht op een fair trial als bedoeld in artikel 6 EVRM, een ruimere toets moet worden aangelegd dan voortvloeit uit het in artikel 359a Sv bedoelde criterium en aan alle door hem genoemde aspecten in gezamenlijkheid het bepleite rechtsgevolg zou moeten worden verbonden, ziet de rechtbank aanleiding hieronder op die punten toch afzonderlijk in te gaan. Met betrekking tot de vermeende vooringenomenheid van de rechtbank geldt dat in de daarvoor geëigende procedure door een wrakingskamer van deze rechtbank reeds is beslist dat voor die beweerdelijke vooringenomenheid bij verdachte geen objectief gerechtvaardigde vrees heeft kunnen bestaan. Het moge zo zijn dat de verdediging het met die beslissing oneens is, op grond daarvan kan niet gezegd worden dat verdachtes recht op een behandeling van zijn zaak door een onpartijdig gerecht op enigerlei wijze in het geding is. Evenmin kan gezegd worden dat de rechtbank - al dan niet indirect - heeft meegewerkt aan de zogeheten "naming and shaming" van verdachte door hem niet behulpzaam te willen zijn bij het ongezien kunnen betreden van het gerechtsgebouw gedurende de dagen waarop de behandeling van zijn zaak heeft plaatsgevonden. Aandacht van de schrijvende en fotograferende pers voor de persoon van een verdachte is een vervelend maar nu eenmaal niet te vermijden gevolg van het in opspraak raken ten gevolge van een strafrechtelijk onderzoek. De rechtbank, meer in het bijzonder de voorzitter, gaat over de orde in de rechtszaal maar kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor in de pers uitgezonden beelden die van verdachte zijn gemaakt op de voor eenieder toegankelijke openbare weg, met betrekking tot welke plaats de rechtbank ook geen enkele zeggenschap kan of wil uitoefenen. Met betrekking tot de gestelde ongelijke behandeling van verzoeken van de verdediging merkt de rechtbank op dat zij tijdens de in verdachtes zaak gehouden regiezitting op 1 juli 2010 met inachtneming van het criterium van het verdedigingsbelang een aantal door de verdediging gedane verzoeken heeft afgewezen, maar ook diverse (getuigen)verzoeken heeft gehonoreerd, waaronder overigens het verzoek om [medeverdachte 1] als getuige te mogen horen, waarbij de rechtbank de rechter-commissaris in overweging heeft gegeven om, gelet op het tot op dat moment door onder meer deze getuige gedane beroep op zijn verschoningsrecht, eerst te sonderen of hij bereid zou zijn antwoord te geven op vragen. Op enig moment heeft het openbaar ministerie schriftelijk verzocht om [medeverdachte 1] als getuige ter terechtzitting in de zaken van diverse medeverdachten, waaronder die van verdachte, te mogen horen. Dit verzoek vloeide voort uit de inhoud van de verklaringen die [medeverdachte 1] als verdachte ter terechtzitting in zijn eigen zaak had afgelegd. Bij brief van 24 mei 2011 heeft de rechtbank aan onder meer de raadsman van verdachte aangegeven dat zij voornemens was deze vordering van het openbaar ministerie ter terechtzitting van 27 mei 2011 te bespreken zodat de diverse raadslieden daarop konden reageren en de rechtbank vervolgens met inachtneming van de ter terechtzitting ingenomen standpunten een beslissing kon nemen. Ter gelegenheid van die terechtzitting, waar een uitwisseling van standpunten door de namens diverse verdachten aanwezige raadslieden en de officier van justitie heeft plaatsgevonden, was de raadsman van verdachte - kennelijk om hem moverende redenen - niet aanwezig of vertegenwoordigd. Bij die gelegenheid heeft de rechtbank de vordering [medeverdachte 1] als getuige in de diverse zaken te horen, gehonoreerd en die beslissing ook gemotiveerd waarbij onder andere is ingegaan op het aspect van het niet beschikbaar zijn van de processen-verbaal van de terechtzittingen van [medeverdachte 1] (zie het proces-verbaal van de terechtzitting van 27 mei 2011). Voorts is de aanwezige raadsvrouw van verdachte aan het eind van de terechtzitting van 27 juni 2011, bij welke gelegenheid [medeverdachte 1] als getuige in de zaak van verdachte is gehoord, de mogelijkheid geboden om in overleg met verdachte te bezien of zij op een later moment nog vragen aan de getuige zou willen stellen, van welke gelegenheid eveneens geen gebruik is gemaakt. De hiervoor geschetste gang van zaken biedt naar het oordeel van de rechtbank geen enkel aanknopingspunt voor een ongelijke wijze waarop zij verzoeken van de verdediging respectievelijk van het openbaar ministerie zou behandelen. Ook ten aanzien van de toegankelijkheid van stukken uit het opsporingsdossier vermag de rechtbank niet in te zien dat het beginsel van equality of arms in het geding is. De in de zittingszaal aanwezige apparatuur waarmee stukken uit het procesdossier zijn getoond en een enkele keer geluidsopnamen van in het procesdossier opgenomen en uitgewerkte afgeluisterde (telefoon)gesprekken ten gehore zijn gebracht, is niet meer dan een hulpmiddel geweest waarvan het zowel de rechtbank, de officieren van justitie als ook de verdediging steeds vrij heeft gestaan om daarvan gebruik te maken. Bij aanvang van de inhoudelijke behandeling van verdachtes zaak heeft de rechtbank dit ook met zoveel woorden aangegeven. Daarnaast is het zo dat zich in de door de raadsman genoemde dataroom het totale opsporingsdossier - niet zijnde het procesdossier - bevindt waarvan de verdediging aan de hand van een haar verstrekte index van de inhoud van wat zich in die dataroom bevond, kennis kon nemen en in voorkomend geval om toevoeging aan het procesdossier kon verzoeken van bepaalde voor de verdachte van belang zijnde stukken, hetgeen in de zaak van verdachte overigens ook is gebeurd. Dat de ligging van die dataroom, eerst in Helmond en later in Amsterdam, voor raadslieden de nodige praktische problemen - waaronder het ongemak van een niet onaanzienlijke reistijd - met zich bracht, is een omstandigheid waarvoor door diverse raadslieden in een eerder stadium reeds aandacht is gevraagd en waarvoor de rechtbank ook begrip heeft getoond. De praktische ongemakken voor de verdediging ten spijt, gelet op de hiervoor geschetste gang van zaken kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat de verdediging niet een adequate toegang tot stukken heeft gehad en daardoor een achtergestelde positie was toebedeeld ten opzichte van het openbaar ministerie. Het gaat de rechtbank te ver om aan te nemen dat een deel van de negatieve publiciteit waaraan verdachte is blootgesteld, is veroorzaakt door het openbaar ministerie doordat deze het volledige dossier, zonder daaraan enige voorwaarde(
- n)te verbinden, aan de benadeelde partijen ter beschikking heeft gesteld, laat staan dat aangenomen moet worden dat het openbaar ministerie daarmee minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op beïnvloeding van de rechtbank buiten de terechtzitting om, zoals de verdediging heeft betoogd. Immers, het openbaar ministerie heeft ingevolge een op hem rustende wettelijke verplichting - overigens eerst nadat de raadkamer van deze rechtbank daartoe had bevolen - stukken uit het strafdossier verstrekt aan een benadeelde partij. Het openbaar ministerie kan, ook als het aan die verstrekking geen voorwaarden heeft willen verbinden of daarover afspraken met de benadeelde partij heeft willen maken hetgeen in de visie van de rechtbank mogelijk was geweest, niet verantwoordelijk worden gehouden voor hetgeen die benadeelde partij vervolgens met de haar verstrekte stukken doet. Weliswaar acht de rechtbank aannemelijk dat de media-aandacht en de daarin reeds verwerkte oordelen een zware wissel hebben getrokken op verdachte en zijn privéleven, deze omstandigheid raakt op geen enkele wijze de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en zou hooguit een rol kunnen spelen bij een eventuele strafoplegging. Ten aanzien van de door de raadsman bij dupliek nog aangevoerde omstandigheid dat door de Minister van Veiligheid en Justitie in het openbaar uitlatingen zijn gedaan die - naar de rechtbank begrijpt - betrekking hadden op een door het openbaar ministerie getroffen schikking met een - niet terechtstaande - medeverdachte is de rechtbank van oordeel dat daarin geen aanwijzingen kunnen worden gevonden voor een g[voornaam medeverdachte 9]hte en aan het met vervolging belaste openbaar ministerie toe te rekenen poging om het beslissingsproces van de rechter te beïnvloeden, waarbij overigens geldt dat gedane publieke uitlatingen altijd bezien moeten worden in de context waarin ze zijn gedaan. Daarbij komt dat de uitlatingen van de Minister geen betrekking hebben op de zaak of de persoon van verdachte maar op door het openbaar ministerie gesloten transacties in zaken die weliswaar deel uitmaken van het grotere onderzoek Klimop, maar die niet ter beoordeling aan de rechter zijn voorgelegd. Op grond van al het voorgaande komt de rechtbank tot de slotsom dat in onderhavige zaak van schending van het in artikel 6 EVRM neergelegde beginsel van fair trial om reden waarvan het openbaar ministerie zijn vervolgingsrecht zou hebben verspeeld, geen sprake is. De rechtbank stelt vast dat er daarnaast geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3 primair, 4 primair, 5 primair, 6 primair, 7 primair, 8 en 9 ten laste gelegde feiten en gevorderd dat verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. 4. Bewijs Bij de bespreking van de vraag of hetgeen verdachte is ten laste gelegd, bewezen kan worden geacht, besteedt de rechtbank in de eerste plaats aandacht aan de verweren die zijn g[voornaam medeverdachte 9]ht op vrijspraak en die naar het oordeel van de rechtbank tot die bepleite conclusie leiden en behandelt zij eventuele substantiële op het bewijs of de bruikbaarheid daarvan g[voornaam medeverdachte 9]hte verweren. Daarna zal de rechtbank in de vorm van een lopend betoog aangeven wat zij van het ten laste gelegde bewezen acht. In het kader van dat betoog wordt aandacht besteed aan van de zijde van het openbaar ministerie of van de verdediging ingenomen standpunten. Voor verwijzing naar vindplaatsen wordt gebruik gemaakt van voetnoten. Bij verwijzingen naar stukken van het strafdossier geldt dat steeds rechtstreeks wordt verwezen naar die stukken. Van het zogenaamde bewijsmiddelenoverzicht dat van de zijde van het openbaar ministerie aan de rechtbank en de (raadsman van) verdachte is overgelegd als bijlage bij het uitgesproken en tevens in geschrifte gepresenteerde requisitoir en dat hoofdzakelijk bestaat uit verwijzingen naar stukken van het strafdossier alsmede citaten daaruit, heeft de rechtbank daarbij geen gebruik gemaakt. 4.1. Vrijspraak Feit 1 Oplichting en/of verduistering in dienstbetrekking (project 126) Onder feit 1 is aan verdachte - kort samengevat - ten laste gelegd dat hij tezamen en in vereniging met een ander of anderen Stichting Philips Pensioenfonds (hierna: Philips Pensioenfonds) heeft opgelicht door met behulp van de in de tenlastelegging genoemde oplichtingsmiddelen Philips Pensioenfonds, dan wel Philips Real Estate Investment Management (hierna: PREIM), dan wel één van de directeuren van PREIM, te bewegen tot afgifte van een goed, te weten het in de tenlastelegging nader omschreven pakket met onroerende goederen dat in het strafdossier project 126 is gaan heten. Daarnaast bevat de tenlastelegging onder feit 1 het verwijt aan verdachte dat hij - kort samengevat - dit pakket met diverse onroerende goederen in zijn dienstbetrekking bij PREIM heeft verduisterd. Oplichting Voor een bewezenverklaring van het in artikel 326 Sr bedoelde delict oplichting moet een oorzakelijk verband bestaan tussen de aangewende (bedrieglijke) middelen en de door de dader beoogde afgifte van een goed. Dit causale verband ligt besloten in de woorden "bewegen tot". Vereist is dus niet alleen dat het desbetreffende oplichtingsmiddel geëigend is om iemand te bedriegen, maar tevens dat die betrokken persoon ("het slachtoffer") door het bedoelde middel daadwerkelijk is misleid. Om te kunnen spreken van "bewegen tot" is voldoende dat zonder de aanwending van het bedrieglijke middel de afgifte van het goed niet zou zijn gevolgd. Een nauwkeurige lezing van het onder feit 1 ten laste gelegde maakt duidelijk dat bewezen moet worden dat Schootse Poort Onroerend Goed Beheer BV, later geheten Philips Real Estate Investment Management BV dan wel Philips Pensioenfonds dan wel [betrokkene 2] door de in de tenlastelegging genoemde oplichtingsmiddelen is bewogen tot de afgifte van het pakket onroerend goed bestaande uit de registergoederen omschreven in de akte van levering die in het dossier is opgenomen onder documentnummer D-0037, waarbij de rechtbank begrijpt dat met die afgifte de verkoop en levering van de in die akte genoemde registergoederen is bedoeld. In het strafdossier wordt een gang van zaken rondom de verkoop van dit pakket onroerend goed geschetst waarbij - naar de rechtbank begrijpt - de veronderstelling is dat door verdachte en zijn medeverdachten op een zodanige wijze is gehandeld dat binnen Philips Pensioenfonds/PREIM bij [betrokkene 2] de overtuiging bestond dat er akkoord kon worden gegaan met het voorstel tot verkoop van het pakket onroerend goed van Philips Pensioenfonds aan [vennootschap 2] tegen een prijs van uiteindelijk € 384.510.000, terwijl voor verdachte en zijn medeverdachten op voorhand duidelijk was dat het pakket onroerend goed via enkele tussengelegen partijen zou worden doorverkocht tegen een hogere prijs en waarbij het verschil in prijs tussen de verkoop door Philips Pensioenfonds, de twee daarop volgende doorverkopen en de aankoop door Fortis Verzekeringen Vastgoed Maatschappij NV alsmede de nog te realiseren winsten uit verkoop van achtergebleven onroerend goed in twee ondernemingen van [medeverdachte 1], onder verdachte en diens medeverdachten verdeeld zou gaan worden.1 Deze veronderstelling ligt tevens besloten in de in de tenlastelegging omschreven oplichtingsmiddelen die - met uitzondering van die onder het eerste gedachtestreepje betreffende de swap - steeds betrekking hebben op de (hoogte van
- de)te realiseren of gerealiseerde prijs en de partij(
- en)aan wie het onroerend goed verkocht gaat worden. De rechtbank stelt voorop dat haar bij het interpreteren van een tenlastelegging een ruime vrijheid toekomt en het haar vrij staat aan de tenlastelegging een interpretatie te geven die redelijk is of die voor de hand ligt alsook een interpretatie die niet onverenigbaar is met haar bewoordingen. Een en ander laat onverlet dat verdachte onder feit 1 niet ten laste is gelegd dat PREIM dan wel Philips Pensioenfonds dan wel [betrokkene 2] is bewogen tot afgifte van het pakket onroerend goed voor een bepaalde, mogelijk niet markt-conforme prijs noch dat is bewogen tot afgifte van het pakket onroerend goed aan een bepaalde partij, te weten aan [vennootschap 2] als vermeende stroman van [medeverdachte 1]. Hoewel deze veronderstellingen wel in het strafdossier besloten liggen, zijn zij niet in de tekst van de tenlastelegging opgenomen. De haar toekomende vrijheid een tenlastelegging ruim te interpreteren reikt naar het oordeel van de rechtbank niet zo ver dat het begrip "afgifte van een goed" - dat in de context van dit dossier slechts kan betekenen de verkoop en levering van een nader omschreven pakket onroerende goederen door Philips Pensioenfonds - zo moet worden geïnterpreteerd dat daaronder wordt verstaan afgifte van een goed aan een bepaalde persoon of afgifte van een goed voor een bepaalde prijs of mogelijk beide. Alleen al het feit dat verschillende interpretaties mogelijk zijn, maakt duidelijk dat het de taak en bevoegdheden van de rechtbank te buiten zou gaan indien zij zou moeten uitmaken, zo dat al mogelijk is, welke uitleg het meest voor de hand ligt. Het voorgaande leidt er toe dat voor een bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde moet komen vast te staan dat Philips Pensioenfonds, dan wel PREIM, dan wel [betrokkene 2] door de genoemde oplichtingsmiddelen is bewogen tot de verkoop (en levering) van het pakket onroerend goed. Dit betekent ook dat, vooraleer zij kan toekomen aan de vraag of en zo ja, welke van de aan verdachte en zijn medeverdachten verweten gedragingen zoals vervat in de afzonderlijke oplichtingsmiddelen bewezen geacht kunnen worden, de rechtbank zich voor de vraag gesteld ziet wat voor Philips Pensioenfonds/PREIM nu precies de aanleiding is geweest om tot de verkoop van het pakket 126 over te gaan. In dat verband stelt de rechtbank, op grond van de zich in het dossier bevindende stukken en het verhandelde ter terechtzitting, het volgende vast. Aan- en verkoop van onroerend goed is een belangrijk onderdeel van de bedrijfsvoering binnen PREIM. Over deze taak en de daarbij behorende bevoegdheden verklaart onder meer [getuige 4] dat PREIM zich moest houden aan de strategische allocatie van vastgoed; zij moest zorgen dat de totale vastgoedportefeuille binnen een bepaalde omvang bleef. [betrokkene 2] zegt in dit verband dat er alleen belegd kon worden in direct Nederlands onroerend goed en dat de totale waarde van dit in onroerend goed belegd vermogen ten opzichte van het totaal belegd vermogen binnen een bepaalde bandbreedte moest blijven, eerst 10% plus of min 2% en later 12% plus of min 2%. In de jaren 2001 tot 2004 heeft PREIM onderhands pakketten onroerend goed verkocht aan een vaste groep kopers. Met onder meer deze verkopen werd invulling gegeven aan de noodzaak het percentage in onroerend goed belegd vermogen, dat in verband met onder meer snelle waardestijgingen van onroerend goed, boven de toenmalige maximale bandbreedte was uitgekomen, weer binnen die bandbreedte te brengen. In de loop van 2004 krijgt PREIM de mogelijkheid het project Symphony aan te kopen van Bouwfonds. Dit past in de binnen PREIM bestaande wens te investeren in onroerend goed en tegelijkertijd de bestaande onroerend goed-portefeuille te verjongen door ouder onroerend goed waaraan relatief hoge onderhoudskosten verbonden zijn, af te stoten. Middels een intern memo gedateerd 27 juli 2004, afkomstig van en ondertekend door verdachte, die op dat moment directeur is van PREIM, en g[voornaam medeverdachte 9]ht aan mededirecteur [betrokkene 2], vraagt verdachte overeenkomstig de binnen PREIM geldende werkwijze, toestemming met Bouwfonds onderhandelingen te mogen voeren over de aankoop door PREIM van het project Symphony. De aankoop van Symphony zal tot gevolg hebben dat de hiervoor genoemde bandbreedte van in onroerend goed belegd vermogen wordt overschreden, in verband waarmee PREIM genoodzaakt is ander onroerend goed af te stoten. Om die reden wordt in het memo van 27 juli 2004 toestemming gevraagd te bezien welk onroerend goed aan Bouwfonds kan worden verkocht in het kader van een ruil, een zogenaamde swap van onroerend goed. [betrokkene 2] heeft deze gang van zaken in zijn verklaringen bij de FIOD-ECD en later bij de rechter-commissaris bevestigd. Hoewel het van een zogeheten swap of ruil van onroerend goed tussen Bouwfonds en Philips Pensioenfonds niet is gekomen, is van belang dat op grond van zich in het dossier bevindende onderzoeksgegevens aangenomen kan worden dat deze swap of ruil voor Philips Pensioenfonds geen noodzakelijke voorwaarde was voor de aankoop van het project Symphony. Zo verklaart mededirecteur [betrokkene 2] dat het niet doorgaan van de swap geen reden was van de aankoop van Symphony af te zien.2 Met die aankoop heeft het College van Beheer van Philips Pensioenfonds in maart 2005 ook ingestemd, zonder dat haar instemming overigens formeel nodig was.3 [getuige 5] stelt als getuige bij de rechter-commissaris weliswaar dat de Beleggingscommissie haar advies en het College van Beheer haar beslissing heeft gebaseerd op de informatie dat sprake zou zijn van een ruil of swap en dat het College van Beheer geen toestemming zou hebben verleend voor een onderhandse verkoop van het pakket onroerend goed als het had geweten dat daarvan geen sprake was, maar hij geeft tevens aan dat in dat laatste geval het College van Beheer zou hebben geëist dat het pakket onroerend goed zou zijn getenderd.4 Hieruit kan worden afgeleid dat niet de verkoop zelf maar veeleer de methode waarop het pakket onroerend goed in de markt verkocht zou gaan worden binnen Philips Pensioenfonds een punt van discussie was. Zonder te willen treden in een beoordeling van de vraag of de kwestie rondom de in eerste instantie door verdachte aan mededirecteur [betrokkene 2] voorgestelde swap en de uiteindelijk gevolgde onderhandse verkoop van pakket 126 aan [vennootschap 2] misleidend is geweest, staat vast dat de aankoop van het project Symphony de doorslaggevende factor is geweest waardoor Philips Pensioenfonds zich genoodzaakt heeft gezien dit pakket onroerend goed te verkopen. De rechtbank heeft bij deze vaststelling onder ogen gezien dat op basis van de zich in het dossier bevindende onderzoeksgegevens de precieze gang van zaken bij het te koop aanbieden van het project Symphony door Bouwfonds aan Philips Pensioenfonds, niet duidelijk is geworden. Zo is het mogelijk [betrokkene 3] geweest die ergens in de eerste helft van 2004 de contacten met Philips Pensioenfonds over het van Bouwfonds aan te kopen project Symphony heeft aangeboord en daarvoor een courtage heeft ontvangen waarvan hij een groot deel heeft doorbetaald aan onder meer [medeverdachte 1], terwijl diezelfde [betrokkene 3] in een later stadium namens [vennootschap 2] als koper van pakket 126 optreedt, daarbij op de achtergrond gestuurd door wederom [medeverdachte 1]. In diezelfde periode hebben verdachte en [medeverdachte 1] al de nodige privécontacten, zo kan worden afgeleid uit het feit dat [medeverdachte 1] verdachte in het voorjaar van 2004 heeft gefêteerd op een bezoek van de Formule I-races in Monaco5 en uit het feit dat zij vermoedelijk in mei 2004 ook samen de MIPIM vastgoedbeurs in Cannes hebben bezocht.6 En dan is er nog de verklaring van [medeverdachte 8], inhoudende dat [medeverdachte 1] eind 2004 of begin 2005 met brochures van project Symphony bij hem kwam, terwijl [medeverdachte 1] wist dat Philips Pensioenfonds ander onroerend goed zou moeten afstoten als het dit project zou kopen.7 Hoewel op grond van voornoemde feiten en omstandigheden de nodige vraagtekens kunnen worden geplaatst bij de wijze waarop het project Symphony bij Philips Pensioenfonds in beeld is gekomen en niet uitgesloten kan worden geacht dat met betrekking tot deze aankoop sprake is geweest van een vooropgezet plan, zijn daarvoor in het dossier geen dan wel onvoldoende harde aanwijzingen te vinden, terwijl de rechtbank in dat verband ook vaststelt dat het bewerkstelligen dat het project Sympony door Philips Pensioenfonds zou worden aangekocht, niet als oplichtingsmiddel in de tenlastelegging is opgenomen. De hiervoor gedane constatering dat vaststaat dat de aankoop van het project Symphony door Philips Pensioenfonds het noodzakelijk maakte om pakket 126 te verkopen, leidt ertoe dat niet gezegd kan worden dat zonder aanwending van de onder feit 1 vermelde bedrieglijke (oplichtings)middelen de afgifte van het goed niet was gevolgd. Het oorzakelijke verband tussen die oplichtingsmiddelen en de verkoop van het onroerend goed ontbreekt, nu vastgesteld moet worden dat Philips Pensioenfonds/PREIM sowieso tot de verkoop - en dus de afgifte van het pakket onroerend goed - was overgegaan. Dit heeft tot gevolg dat het bestanddeel 'waardoor Schootse Poort Onroerend Goed Beheer BV en/of Philips Real Estate Investment Management B.V en/of Stichting Philips Pensioenfonds en/of [betrokkene 2] werd(
- en)bewogen tot afgifte van het voornoemde pakket onroerend goed', niet bewezen kan worden en dat verdachte om die reden zal worden vrijgesproken van de hem onder 1 ten laste gelegde oplichting. Verduistering in dienstbetrekking Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat in geval van vermogensbeheer van verduistering sprake is wanneer de vermogensbeheerder het goed dat hij uit dien hoofde onder zich heeft, niet heeft aangewend voor het doel waarvoor het bestemd was maar het zich wederrechtelijk heeft toegeëigend. Aangezien PREIM tot doel had het beheren van onroerend goed waarbij een zo goed mogelijk rendement of een zo groot mogelijke opbrengst wordt behaald en verdachte bij verkoop van het pakket onroerend goed een deel van de eigenlijke waarde, te weten een deel van de winst die hem tevoren bekend was, in eigen zak heeft gestoken, kan verduistering van het pakket onroerend goed of in ieder geval een deel van de opbrengst van dat pakket onroerend goed bewezen worden verklaard, aldus het openbaar ministerie. De raadsman van verdachte heeft hier tegenover gesteld dat verdachte geen vermogensbeheerder was en als zodanig ook geen onroerend goed portefeuille van Philips Pensioenfonds onder zich had. Verder concludeert de raadsman dat geen sprake is geweest van verduistering van een pakket onroerend goed of delen van de opbrengst daarvan, zodat verdachte ook van dat onderdeel van de tenlastelegging moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Het delict verduistering kan slechts worden gepleegd van een goed dat de dader anders dan door misdrijf onder zich heeft, waarbij het onder zich hebben daarvan enige betrekking tussen die persoon en het goed impliceert. Verdachte was tijdens de ten laste gelegde periode één van de directeuren en medebestuurder van PREIM, een vennootschap die zich bezighield met de aan- en verkoop en exploitatie van aan Philips Pensioenfonds toebehorend onroerend goed. Uit dien hoofde was verdachte samen met zijn medebestuurder(
- s)ook bevoegd om PREIM, die op haar beurt gevolmachtigd was Philips Pensioenfonds te vertegenwoordigen, bij onder meer het vervreemden van onroerend goed te vertegenwoordigen. Nog los van de vraag of verdachte in deze functie in een zodanige betrekking tot het in de tenlastelegging genoemde pakket onroerend goed of delen daarvan stond dat hij geacht kan worden die goederen onder zich te hebben gehad, komt het verwijt er in de kern op neer dat verdachte een deel van de opbrengst heeft gekregen die, nadat het pakket met onroerend goed door Philips Pensioenfonds aan [vennootschap 2] was verkocht, is gerealiseerd met het doorverkopen van datzelfde pakket onroerend goed of delen daarvan via meerdere tussengelegen vennootschappen aan Fortis Verzekeringen Vastgoed Maatschappij NV. De opbrengst is in die zienswijze gegenereerd met transacties waarbij Philips Pensioenfonds geen partij meer was, zodat - nog daargelaten of een deel van die opbrengst daadwerkelijk bij verdachte terecht is gekomen - om die reden geen sprake kan zijn van een wederrechtelijke toe-eigening van goederen of gelden die verdachte uit hoofde van zijn dienstbetrekking en anders dan door misdrijf onder zich had. Daarbij komt dat evenmin is gebleken dat één van de medeverdachten de met verkoop van het pakket onroerend goed gegenereerde winst(
- en)uit hoofde van enige dienstbetrekking bij Philips Pensioenfonds of PREIM onder zich heeft gehad. Het vorenstaande leidt ertoe dat naar het oordeel van de rechtbank de onder feit 1 ten laste gelegde verduistering niet kan worden bewezen. Verdachte zal daarom ook van dat onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken. Feit 4 primair: verduistering in dienstbetrekking (project Ceylonstaete) Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen hetgeen verdachte onder 4 primair ten laste is gelegd. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Verdachte is onder bedoeld feit ten laste gelegd - kort samengevat - de verduistering in dienstbetrekking van een bedrag van circa € 5.445.363 in de periode van 1 januari 2001 tot en met 2 april 2004. Op basis van de zich in het dossier bevindende stukken kan worden vastgesteld dat genoemd bedrag in die periode door Ceylonstaete BV in gedeeltes is betaald aan Universum Beheer BV op basis van een tweetal beweerdelijk valse overeenkomsten (D-0835 en D-0836). Deze betalingen worden in het dossier verondersteld door [betrokkene 9] te zijn gedaan als het voldoen van omkopingsgeld aan een vennootschap waarin verdachte gerechtigd was. Reeds om die reden kan er geen sprake zijn van een wederrechtelijke toe-eigening van gelden door verdachte die hij anders dan door misdrijf onder zich had. 4.2 Bespreking van op bewijsuitsluiting g[voornaam medeverdachte 9]hte verweren Feiten 4 en 5 Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat de eerste vier verklaringen die door [medeverdachte 9] bij de FIOD-ECD zijn afgelegd in de zaak van verdachte van het bewijs moeten worden uitgesloten, aangezien deze verklaringen door [medeverdachte 9] zijn afgelegd voordat hij een advocaat heeft kunnen raadplegen en [medeverdachte 9] niet uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van zijn recht een advocaat te kunnen consulteren. Hoewel de verdediging bekend is met de uit de Salduz-rechtspraak volgende regel dat een dergelijke uitsluiting van bewijs slechts geldt ten aanzien van de persoon die deze verklaringen heeft afgelegd, stelt zij dat in de omstandigheden waaronder de verhoren van medeverdachte [medeverdachte 9] hebben plaatsgevonden, aanleiding moet worden gevonden om in dit geval aan te nemen dat die bewijsuitsluiting ook mogelijk is hoewel de belangen van de verdachte niet (rechtstreeks) zijn geschaad. In dit verband wijst de verdediging op het arrest van de Hoge Raad van 1 juni 1999 (NJ 1999, 567) waaruit zou volgen dat de zogeheten Schutznorm onder omstandigheden relativering behoeft. De omstandigheden waarop de raadsman van verdachte doelt hebben allereerst betrekking op het feit dat, behalve dat [medeverdachte 9] voorafgaand aan die eerste vier verhoren geen raadsman heeft kunnen raadplegen terwijl hij daarom wel had verzocht, het tijdens die verhoren lichamelijk en psychisch niet goed ging met [medeverdachte 9]. [medeverdachte 9] is tijdens de verhoren psychisch in elkaar gestort en onder behandeling van een psychiater gesteld, ten gevolge waarvan hij niet meer in staat was tot het (behoorlijk) afleggen van een verklaring, aldus de verdediging. Ter onderbouwing van haar standpunt wijst de verdediging op de schriftelijke verklaring die [medeverdachte 9] bij gelegenheid van zijn verhoor als getuige bij de rechter-commissaris op 10 juni 2010 heeft overgelegd. Daarnaast is van belang dat bij het beluisteren van de audio-opname van het derde verhoor van [medeverdachte 9] is gebleken dat ontlastende onderdelen uit de verklaring van [medeverdachte 9] niet of slechts gedeeltelijk in het proces-verbaal terecht zijn gekomen en dat de processen-verbaal op bepaalde punten misleidend zijn doordat hetgeen de verhorend ambtenaren van de FIOD-ECD aan verdachte [medeverdachte 9] voorhouden in het proces-verbaal wordt weergegeven als diens eigen verklaring. Specifiek ten aanzien van dit derde verhoor van [medeverdachte 9] voert de verdediging aan dat dit proces-verbaal onvoldoende betrouwbaar is om tot het bewijs te worden gebezigd. Concluderend stelt de verdediging zich op het standpunt dat bij de verhoren van [medeverdachte 9] sprake is geweest van dusdanig ernstige schendingen - geen advocaat kunnen consulteren, lichamelijk en psychisch de weg kwijt zijn en toch doorgaan met verhoor, onjuist verbaliseren van verhoren en ontlastend bewijs daarbij weglaten - dat uitsluiting van gebruik voor het bewijs van deze verhoren ook in de zaak van verdachte het gevolg dient te zijn. De officier van justitie heeft in reactie op het door de verdediging ingenomen standpunt aangegeven dat er gedurende de verhoren van [medeverdachte 9] door de FIOD-ECD geen sprake is geweest van ongeoorloofde druk en dat door de verhorend verbalisanten steeds adequaat is gereageerd op medische signalen van [medeverdachte 9]. In dit verband wijst de officier van justitie op ambtshandeling AH-307 en de verklaring die verbalisant [verbalisant 1] op 4 november 2010 heeft afgelegd bij de rechter-commissaris over de gang van zaken rondom de verhoren van [medeverdachte 9]. Daarnaast heeft [medeverdachte 9] ter terechtzitting - weliswaar als verdachte in zijn eigen zaak - een verklaring afgelegd die grosso modo neerkomt op een bevestiging van hetgeen hij tijdens zijn derde verhoor bij de FIOD-ECD heeft gezegd. Volgens de officier van justitie zijn de processen-verbaal van verhoor van [medeverdachte 9] bruikbaar voor het bewijs in de zaak van verdachte. De rechtbank stelt vast dat medeverdachte [medeverdachte 9] op 13 en 14 november 2007 zijn eerste vier verklaringen (in het dossier opgenomen onder V16-01, V16-02, V16-03 en V16-04) heeft afgelegd zonder dat hij voorafgaand aan die verhoren een advocaat heeft kunnen raadplegen en hij bovendien ook niet uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van zijn recht om dat te kunnen doen. Dit levert op grond van de zogeheten Salduz-rechtspraak een vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a Sv dat in beginsel dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs van deze verklaringen van betrokkene in diens eigen strafzaak. Terecht heeft de raadsman van verdachte opgemerkt dat verdachte op grond van (inmiddels) vaststaande jurisprudentie (Hoge Raad 30 maart 2004, NJ 2004/376, Hoge Raad 7 juni 2011, NJ 2011/375 en Hoge Raad 1 november 2011, LJN BR2998) in beginsel geen beroep toekomt op schending van rechtsnormen, voor zover die normen jegens een medeverdachte zijn geschonden, aangezien daarmee geen inbreuk wordt gemaakt op rechtens te beschermen belangen van verdachte. Daarbij geldt wel dat indien door vormverzuimen bij de totstandkoming van de verklaring van de medeverdachte de betrouwbaarheid van die verklaring wezenlijk is beïnvloed, de verklaring om die reden buiten beschouwing gelaten moet worden. De rechtbank kan de raadsman overigens niet volgen in zijn redenering dat uit het door hem genoemde arrest valt af te leiden dat de aan derdenwerking van de Salduz-rechtspraak in de weg staande Schutznorm gerelativeerd moet worden; in die zaak ging het immers om een ernstige inbreuk op beginselen van een behoorlijke strafvervolging door een aan de verdachte in zijn hoedanigheid als kroongetuige gedane toezegging die in strijd was met de wet, welke inbreuk leidde tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie en waarbij de Hoge Raad onder meer overwoog dat aan die door het gerechtshof uitgesproken niet-ontvankelijkverklaring op zichzelf niet afdoet dat de belangen van de verdachte door de gedane toezegging niet zijn geschaad. Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de eerste vier verklaringen die door [medeverdachte 9] zijn afgelegd overweegt de rechtbank het volgende. Anders dan de verdediging heeft betoogd, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden dat de eerste vier verklaringen die [medeverdachte 9] heeft afgelegd - al dan niet als gevolg van het ontbreken van rechtsbijstand - als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt. De processen-verbaal van de eerste vier verhoren bevatten op zichzelf geen aanwijzingen dat [medeverdachte 9] tijdens die verhoren psychisch of lichamelijk niet in orde was. [medeverdachte 9] geeft gewoon antwoord op vragen en gelet op de inhoud van de door hem gegeven antwoorden weet hij de hem gestelde vragen kennelijk ook te duiden. De verhorend ambtenaren hebben in een daartoe opgesteld proces-verbaal van bevindingen (AH-307 pagina 4) bevestigd dat [medeverdachte 9] hen tijdens de verhoren op 13 en 14 november 2007 gewoon te woord heeft gestaan, waarbij hij rechtop in zijn stoel zat en oogcontact hield. Weliswaar heeft [medeverdachte 9] bij aanvang van het derde verhoor aangegeven dat hij wilde dat er een dokter naar hem zou kijken omdat hij die ochtend een paar steken in zijn rechterzij heeft gehad, maar tegelijkertijd geeft hij aan dat hij denkt wel in staat te zijn het verhoor te vervolgen. Ook de arts die [medeverdachte 9] tijdens een onderbreking van dit derde verhoor nog heeft gezien, heeft kennelijk geen belemmeringen geconstateerd waardoor het verhoor op dat moment niet kon worden voortgezet. Tijdens het vierde verhoor is [medeverdachte 9] op weg naar het toilet onwel geworden, waarbij het vervolgens ingeschakelde ambulancepersoneel na enige ter plekke uitgevoerde onderzoeken, geen aanleiding zag hem voor nader onderzoek mee te nemen naar het ziekenhuis. Dit vierde verhoor, dat overigens geen betrekking heeft op het project Ceylonstaete, is na deze onderbreking niet meer voortgezet. Dat de processen-verbaal van de eerste drie verhoren eindigen met de zinsnede "na doorlezing van deze tekst verklaar ik dat dit een juiste weergave is van wat ik heb gezegd" en door [medeverdachte 9] zijn ondertekend, duidt er minstgenomen niet op dat deze medeverdachte op dat moment in een - zoals de verdediging het noemt - psychisch deplorabele toestand verkeerde. De op voorgaande feiten en omstandigheden gebaseerde veronderstelling dat [medeverdachte 9] gedurende de eerste vier verhoren door de FIOD-ECD fysiek en mentaal weinig mankeerde, sluit bovendien aan bij hetgeen [medeverdachte 9] zelf over zijn gezondheidstoestand heeft gezegd in een door hem bij gelegenheid van zijn verhoor als getuige bij de rechter-commissaris op 10 juni 2010 overgelegde verklaring. Daarin zegt [medeverdachte 9] namelijk dat hij na zijn voorgeleiding bij de rechter-commissaris - dat is na 16 november 2007 en dus eerst nadat de eerste vier verhoren hebben plaatsgevonden - psychisch in elkaar is gestort waarbij hij onder behandeling van een arts (psychiater) is gesteld en medicijnen voorgeschreven heeft gekregen. Ten slotte vormt ook de omstandigheid dat [medeverdachte 9] ter terechtzitting op 9 mei 2011 - als verdachte in zijn eigen strafzaak - met betrekking tot het project Ceylonstaete een verklaring heeft afgelegd die inhoudelijk in grote lijnen overeenstemt met, althans niet compleet afwijkt van zijn derde bij de FIOD-ECD afgelegde verklaring, een belangrijke aanwijzing voor de betrouwbaarheid van laatstgenoemde verklaring. De raadsman noemt op pagina 56 van zijn pleitnota een aantal uitspraken van medeverdachte [medeverdachte 9] die, naar de rechtbank begrijpt, wel te horen zouden zijn op de geluidsopname van diens derde verhoor maar niet of onjuist in het desbetreffende proces-verbaal V16-03 terecht zijn gekomen, waardoor dit proces-verbaal van verhoor misleidend en onjuist zou zijn. Nadere bestudering van de door de raadsman vermelde uitspraken leert echter dat deze, op eentje na, juist deels wel of in ieder geval in soortgelijke bewoordingen in het proces-verbaal, aangeduid als V16-03, zijn opgenomen. Op pagina 57 van de pleitnota bespreekt de raadsman nog twee voorbeelden waarbij datgene dat feitelijk door de verhorend ambtenaren tegen verdachte is gezegd of aan hem is voorgehouden in het proces-verbaal staat weergegeven als iets dat verdachte zelf zou hebben gezegd. Tot slot noemt de raadsman twee voorbeelden op pagina 9 en pagina 10 van dit proces-verbaal waarin de verklaring van [medeverdachte 9] onjuist is geverbaliseerd (ten onrechte is het woordje "weer" twee keer in de tekst opgenomen en de zinsnede "en dat daar afspraken zijn gemaakt"). Al deze door de verdediging genoemde voorbeelden houden verband met een wijze van verbaliseren waarop naar het oordeel van de rechtbank mogelijk wel wat valt aan te merken, maar die op zichzelf zonder nadere aanwijzingen die hier ontbreken, nog niet leidt tot een onbetrouwbare of misleidende verklaring. Het hiervoor overwogene brengt de rechtbank tot de conclusie dat de eerste vier verklaringen die [medeverdachte 9] bij de FIOD-ECD heeft afgelegd in zaak van verdachte mogen meewerken aan het bewijs. 4.3. Redengevende feiten en omstandigheden8 4.3.1 Feiten 2 en 3 primair (project 126) Dienstverband verdachte Omstreeks 1985 is verdachte in dienst getreden bij de Stichting Philips Pensioenfonds (hierna Philips Pensioenfonds), gevestigd te Eindhoven9, waar hij vanaf 1990 tot 1 januari 2002 werkzaam is als Hoofd van de Afdeling Vastgoed.10 Met ingang van 2002 is er binnen het Philips concern een holdingstructuur ingevoerd met aan het hoofd Schootse Poort Holding BV - van 1 juni 2004 tot 29 augustus 2005 Philips Pension Competence Center BV geheten - waarvan Philips Electronics Nederland BV tot 29 augustus 2005 enig aandeelhouder is.11 Eén van de dochterondernemingen van de holding was Schootse Poort Onroerend Goed BV - vanaf 1 juni 2004 Philips Real Estate Investment Management BV (hierna: PREIM) geheten - houdt zich ingevolge een op 2 januari 2002 gesloten beheersovereenkomst met het Philips Pensioenfonds, bezig met het beheer van het direct in onroerend goed objecten belegde vermogen van Philips Pensioenfonds.12 De dienstbetrekkingen van werknemers die tot aan de invoering van die holdingstructuur in dienst waren van Philips Pensioenfonds zijn bij deze overgang van rechtswege overgegaan naar Schootse Poort Holding BV.13 In september 2005 is de holdingstructuur opgeheven door de verkoop van enkele dochterondernemingen aan derden en is PREIM als enige vennootschap achtergebleven.14 Verdachte is vanaf 1 januari 2002 één van de directeuren van Schootse Poort Onroerend Goed BV, later PREIM geheten, en is in die functie tot aan zijn vertrek per 1 december 2006 belast met de dagelijkse operationele leiding van deze vennootschap die is belast met de aan- en verkoop en exploitatie van onroerend goed.15 Op grond van de hiervoor reeds genoemde beheersovereenkomst was PREIM bevoegd tot het volledige beheer en de aan- en verkoop van onroerend goed van Philips Pensioenfonds. Verdachte deed als hoofd van de Afdeling Vastgoed en later als directeur van Schootse Poort Onroerend Goed BV/PREIM aanbevelingen over de aan- en verkoop van onroerend goed door middel van zogeheten directienotities g[voornaam medeverdachte 9]ht aan zijn mededirecteur(
- en)die door ondertekening van een dergelijke directienotitie een bepaald voornemen of een bepaalde beslissing accordeerde(n).16 Een voorgeschiedenis; de aankoop van het project Symphony In een memo gedateerd 27 juli 2004 en g[voornaam medeverdachte 9]ht aan zijn mededirecteur [betrokkene 2] b[voornaam medeverdachte 9]ht verdachte dat PREIM door Bouwfonds is benaderd om op te treden als eindbelegger voor het project Symphony en vraagt hij toestemming om met Bouwfonds (verdere) onderhandelingen te mogen voeren over de aankoop van dit project.17 Het project Symphony betreft de ontwikkeling en realisatie van een kavel in het projectgebied Gershwin aan de Zuidas in Amsterdam en omvat een woongebouw, een kantoorgebouw, een hotel en een bijbehorende parkeergarage.18 De aankoop van het project Symphony past in het in 2004 binnen PREIM levende idee om te beleggen in nieuw onroerend goed met de bedoeling de bestaande onroerend goed portefeuille te verjongen.19 Ingevolge de hiervoor reeds genoemde beheersovereenkomst waren er bepaalde grenzen waarbinnen het beheer van in onroerend goed belegd vermogen van Philips Pensioenfonds diende plaats te vinden. Zo diende de totale waarde van de onroerend goed-beleggingen ten opzichte van het totale te beleggen vermogen binnen bepaalde marges te blijven; in eerste instantie bedroeg het percentage maximaal in onroerend goed te beleggen vermogen 12%, later werd dat 10% met een marge van plus of min twee procent.20 Verdachte heeft de inhoud van dit mandaat in grote lijnen bevestigd.21 De investering in het project Symphony heeft tot gevolg dat PREIM is genoodzaakt onroerend goed af te stoten teneinde binnen de afgesproken bandbreedte van het in onroerend goed te beleggen vermogen te blijven.22 Om die reden vraagt verdachte in het hiervoor genoemde memo tevens toestemming na te mogen gaan welke complexen afgestoten zouden kunnen worden en of deze aan Bouwfonds verkocht zouden kunnen worden. Vanaf september/oktober 2004 worden formele onderhandelingen over de aankoop van project Symphony gevoerd, waarbij verdachte samen met [medeverdachte 8] namens Philips Pensioenfonds de onderhandelingen met Bouwfonds voert.23 In een uitdraai van een op de computer van verdachte aangetroffen (niet ondertekend) memo aan [betrokkene 2] met als datum 31 januari 2005 - naar welk memo overigens in de latere en wel door [betrokkene 2] voor akkoord ondertekende directienotitie d.d. 31 maart 2005 wordt verwezen - wordt gemeld dat met Bouwfonds een principeakkoord is bereikt over zowel de investering in Symphony als verkoop van delen van de bestaande portefeuille (de rechtbank begrijpt: van Philips Pensioenfonds).24 Kort na aanvang van de formele onderhandelingen tussen Bouwfonds en PREIM over Symphony is echter reeds duidelijk dat Bouwfonds geen interesse heeft in de aankoop van onroerend goed van Philips Pensioenfonds en daarmee is een swap dus van de baan.25 Op 16 juni 2005 is het dan nog in ontwikkeling zijnde project door Bouwfonds MAB Ontwikkeling BV verkocht aan Philips Pensioenfonds voor een bedrag van € 336.750.000 (inclusief BTW).26 De verkoop van het pakket onroerend goed op 1 februari 2006 (project 126) De aankoop van het project Symphony heeft geleid tot de verkoop van een groot pakket onroerend goed, bestaande uit woningen en drie kantoorcomplexen. Deze transactie - die in het strafdossier project 126 is gaan heten - heeft op 1 februari 2006 haar beslag gekregen wanneer Philips Pensioenfonds de bedrijfsgebouwen Unisys in de Haarlemmermeer, Telespy te Amsterdam en Kanaalcentrum te Utrecht alsmede een groot aantal woningen in Amsterdam voor een bedrag van € 384.510.000 verkoopt en levert aan [vennootschap 2] (hierna: [vennootschap 2]), een vennootschap van [betrokkene 3].27 Vier minuten nadat deze notariële overdracht heeft plaatsgevonden, verkoopt en levert [vennootschap 2] ditzelfde pakket onroerend goed, door tussenkomst van dezelfde notaris, voor een bedrag van € 386.510.000 aan Kanaalcentrum Utrecht BV.28 Deze vennootschap is kort voor 1 februari 2006 opg[voornaam medeverdachte 9]ht en kent als enig aandeelhouder en bestuurder Landquest NV,29 welke vennootschap op haar beurt wordt bestuurd door [medeverdachte 1].30 Kanaalcentrum Utrecht BV betaalt voor het pakket € 386.510.000, zodat de directe transactiewinst voor [vennootschap 2] € 2.000.000 bedraagt. Vijf minuten na de levering aan Kanaalcentrum Utrecht BV wordt het pakket onroerend goed met uitzondering van het kantoorgebouw Kanaalcentrum, opnieuw via dezelfde notaris voor een bedrag van € 399.110.000.31 doorverkocht en geleverd aan Landquest NV, zoals gezegd een vennootschap van [medeverdachte 1]. Ten slotte verkoopt en levert Landquest NV het pakket onroerend goed, met uitzondering van het kantoorgebouw Telespy, diezelfde dag aan Fortis Verzekeringen Vastgoed Maatschappij NV (hierna: Fortis) voor een bedrag van € 400.624.000.32 Op 31 juli 2006 wordt het complex Telespy door Lanquest NV verkocht aan TT Amsterdam Funding Company Ltd voor € 20.500.000,-33 en op 22 augustus 2007 wordt het kantorencomplex Kanaalcentrum door Europalaan Utrecht BV - een eveneens aan [medeverdachte 1] gelierde vennootschap34- welke vennootschap de economische eigendom van voornoemd kantorencomplex in maart 2007 overgedragen heeft gekregen van Kanaalcentrum Utrecht BV35, verkocht en geleverd aan HDGM Holdings LLC36. Met deze reeks (door)verkopen van het pakket onroerend goed op 1 februari 2006 hebben voornoemde vennootschappen van [medeverdachte 1] tientallen miljoenen euro's verdiend.37 [medeverdachte 1] komt bij PREIM aan tafel Bij een ontmoeting eind 2003 of begin 2004 heeft [medeverdachte 1] verdachte gevraagd wat hij, [medeverdachte 1], moest doen om bij hem (de rechtbank begrijpt: in zijn hoedanigheid van directeur van PREIM) aan tafel te komen. Nadat verdachte hierop heeft laten weten dat [medeverdachte 1] hem moest meenemen naar de races, bezoeken verdachte en [medeverdachte 1] op kosten van [medeverdachte 1] in 2004 de Formule 1-races in Monaco. In 2005 - en overigens ook in de daarop volgende twee jaren - heeft [medeverdachte 1] verdachte opnieuw meegenomen naar deze races en ook heeft hij tijdens een bezoek aan het MIPIM in Cannes in maart 2005 diens verblijfskosten betaald.38 Volgens [medeverdachte 1] werd de zakelijke relatie met verdachte steeds beter en kreeg hij op enig moment wetenschap van het feit dat Philips Pensioenfonds het project Symphony zou kopen waardoor er tevens onroerend goed door Philips Pensioenfonds afgestoten moest worden.39 [medeverdachte 1] wilde dat onroerend goed kopen en zijn doel was om als enige partij bij verdachte aan tafel te komen voor het door PREIM te verkopen pakket onroerend goed (hierna aan te duiden als pakket 126). Al snel is voor [medeverdachte 1] duidelijk geworden dat het om veel onroerend goed ging en dat hij de naam noch het geld had pakket 126 te kopen. Door [medeverdachte 1] is op dat moment de link gelegd met [betrokkene 3] die via zijn schoonfamilie, de familie [betrokkene 19], wel de naam en het geld had het pakket te kopen. Verdachte heeft [medeverdachte 1] hierop laten weten de naam [betrokkene 19] wel goed te vinden.40 Dat er vanaf half november 2004 tussen [betrokkene 3] namens [vennootschap 2] en verdachte in zijn hoedanigheid van directeur van PREIM wordt gesproken over de verkoop van pakket 126 aan een [betrokkene 19]-vennootschap kan worden afgeleid uit een brief gedateerd 30 november 2004 waarin [betrokkene 3], onder verwijzing naar een op 15 november 2004 gehouden bespreking, aangeeft dat [betrokkene 19] als koper van het pakket onroerend goed wil optreden.41 Vanaf 20 april 2005 is, met de ondertekening door [betrokkene 3] van een zogeheten geheimhoudingsverklaring, een formeel onderhandelingstraject tussen [vennootschap 2] en PREIM gaan lopen met betrekking tot de verkoop van pakket 126.42 Daarbij is nog van belang dat [betrokkene 3] aangeeft dat hij deze onderhandelingen nagenoeg uitsluitend met verdachte heeft gevoerd43 en dat hij [medeverdachte 1] heeft laten weten dat hij 2 miljoen euro wilde verdienen, waarna vervolgens mondeling is afgesproken dat hij, [betrokkene 3], twee miljoen zou verdienen als de aankoopprijs binnen de perken zou blijven.44 Deze gang van zaken, waarbij over de verkoop van pakket 126 door PREIM formeel onderhandelingen worden gevoerd met [vennootschap 2], terwijl [medeverdachte 1] op de achtergrond aanwezig is en sturend optreedt, vindt steun in diverse andere zich in het strafdossier bevindende onderzoeksgegevens. Zo zegt [medeverdachte 8] dat [medeverdachte 1] hem op enig moment heeft gezegd dat hij een goede kandidaat had om pakket 126 te kopen waarbij hij in de beleving van [medeverdachte 8] de naam van [betrokkene 3] heeft genoemd. Hoewel de bedoelingen van [medeverdachte 1] hem op dat moment niet duidelijk waren, wist [medeverdachte 8] destijds wel dat toen [betrokkene 3] als potentiële kandidaat-koper van pakket 126 bij PREIM aan tafel geraakte, [medeverdachte 1] daarachter zat.45 Er liepen twee trajecten, een formeel traject met [betrokkene 3] en een informeel traject met [medeverdachte 1], aldus [medeverdachte 8], die tevens vermoedde dat verdachte van de bemoeienis van [medeverdachte 1] met deze transactie op de hoogte was.46 [getuige 15] bevestigt dat hij van [medeverdachte 1] heeft gehoord dat [betrokkene 3] er in deze transactie tussen is geschoven om met [vennootschap 2] een partij van naam aan tafel te krijgen bij PREIM.47 Met betrekking tot het informele traject zegt [medeverdachte 1] met verdachte te hebben gesproken over onder meer de hoogte van de vraagprijs en de uiteindelijke koopprijs van pakket 126. Verdachte heeft [medeverdachte 1] bij die gelegenheden laten weten dat de vraagprijs in de markt € 400 miljoen zou zijn en gaandeweg de gesprekken is het [medeverdachte 1] duidelijk gemaakt dat de uiteindelijke koopprijs tussen de 380 en 390 miljoen euro zou liggen.48 Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het namens verdachte ingenomen standpunt dat erop neerkomt dat hij niets heeft geweten van een in het kader van de verkoop van pakket 126 bestaand informeel onderhandelingstraject met [medeverdachte 1] als gesprekspartner en daarbij ook niet betrokken is geweest, ongeloofwaardig. Bij dat oordeel heeft de rechtbank betrokken dat op basis van zich in het dossier bevindende onderzoeksgegevens vastgesteld kan worden dat verdachte in de periode vanaf omstreeks het voorjaar van 2004 diverse malen contact heeft gehad met [medeverdachte 1]. Verdachte heeft bijvoorbeeld aangegeven dat hij in het najaar van 2004 contact heeft gehad met [medeverdachte 1] over Symphony49, waarbij overigens onduidelijk blijft in welke hoedanigheid [medeverdachte 1] op dat moment bij dat project - dan nog in handen van Bouwfonds - betrokken is. Daarnaast heeft verdachte in dezelfde periode als waarin de onderhandelingen over pakket 126 met [vennootschap 2] op gang lijken te komen, diverse malen contact met [medeverdachte 1]. Zo heeft verdachte met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 9] op kosten van [medeverdachte 1] begin april 2005 enige dagen in Hotel De Crillon in Parijs verbleven,50 staat in een agenda van [medeverdachte 9] op 14 april 2005 een afspraak met [medeverdachte 1] en verdachte in het Mövenpick hotel in Den Bosch genoteerd51 en bezoekt verdachte in gezelschap van onder meer [medeverdachte 1] op diens kosten in mei 2005, net als in het jaar ervoor, de Formule I-races in Monaco.52 Verdeling van de (verwachte) winst in project 126 Vanaf de zomer van 2005 wanneer de prijs voor het te verkopen pakket 126 tussen [betrokkene 3] en verdachte definitief wordt vastgesteld, verkrijgt [medeverdachte 1] de door hem beoogde exclusiviteit.53 In diezelfde periode bereikt [medeverdachte 1], onder het voorbehoud van definitieve goedkeuring van de directie, overeenstemming met Fortis Vastgoed BV over de verkoop van een pakket onroerend goed aan een nog nader te noemen onderdeel van Fortis.54 Dat het daarbij gaat om pakket 126 waarover verdachte, uit hoofde van zijn functie bij PREIM, op dat moment verkooponderhandelingen voert met [betrokkene 3], valt af te leiden uit de verklaring van [getuige 16], toenmalig hoofd projectverwerving bij Fortis Vastgoed BV, aan wie [medeverdachte 1] had meegedeeld dat hij vastgoed van Philips kon verkopen.55 Op het woonadres van [betrokkene 17], een fiscalist die bij een onderneming van [medeverdachte 9] in dienst is geweest56, is een cd-rom aangetroffen met daarop onder de directory '[verdachte]' een bestand met de naam 'Symphony Fiscale aspecten winstverdeling.xls'. Volgens de documenteigenschappen van het bestand is het document op 24 april 2005 opgesteld.57 In een op 21 september 2005 gewijzigde versie van dit document58 is het volgende staatje opgenomen: [plaatje] [betrokkene 17] heeft over deze aantekeningen verklaard dat [medeverdachte 9] hem in 2005 heeft benaderd met de mededeling dat hij voor 1/15e deel gerechtigd was in de resultaten van een vastgoedportefeuille en dat hij, [medeverdachte 9], hem, [betrokkene 17], 20% van zijn aandeel gunde, vanwege de goede relatie en het feit dat hij [medeverdachte 9] altijd met raad en daad bijstond. [medeverdachte 9] vertelt [betrokkene 17] verder dat het om een grote vastgoedtransactie gaat, waarbij [medeverdachte 9] als adviseur is betrokken. [medeverdachte 9] gaf hem niet de indruk dat hij voor zijn winstaandeel intensieve inspanningen hoefde te verrichten. Met betrekking tot deze vastgoedtransactie weet [betrokkene 17] ook nog te melden dat de naam 'Kanaleneiland uit Utrecht' is genoemd.59 Vastgesteld kan worden dat het kantorencomplex Kanaalcentrum te Utrecht één van de registergoederen uit pakket 126 is, dat de in het overzicht opgenomen aankoopsom nagenoeg overeenkomt met de prijs waarvoor op 1 februari 2006 pakket 126 door Philips Pensioenfonds is verkocht en dat de genoemde verkoopsom enigszins in de buurt komt van de prijs waarvoor het pakket op dezelfde datum aan Fortis is verkocht. De in dit verband door de verdediging opgeworpen stelling dat aan dit document weinig waarde kan worden gehecht omdat het volgens de naam van het bestand zou gaan over project Symphony, gaat reeds niet op vanwege het feit dat de datum waarop deze versie van het bestand is opgesteld, dateert van na de aankoop van project Symphony door Philips Pensioenfonds, terwijl de aan- en verkoopsom van het project die als zogeheten stelposten in het overzicht zijn opgenomen, niet in de buurt komen van de koopsom die Philips Pensioenfonds voor project Symphony heeft betaald. Eveneens is op de bij [betrokkene 17] thuis in beslag genomen cd-rom een bestand aangetroffen met de bestandsnaam 'Overeenkomst Landquest-Universum Holding-Universum.doc'.60 Het bestand dat volgens de documenteigenschappen is opgemaakt op 19 juni 2005 bevat, bezien in samenhang met de eveneens bij [betrokkene 17] aangetroffen print van een e-mail gedateerd 20 juni 2005 aan [medeverdachte 9], een concept overeenkomst inhoudende een verdeling van het resultaat betreffende een onroerend goed-portefeuille die Landquest NV van "[vennootschap betrokkene 19]" heeft gekocht tussen Landquest (46,67%), Universum Holding BV (46,67%) en Universum BV (6,66%). De economische eigendom van aandelen in Universum Holding BV is op dat moment voor 99% in handen van verdachte,61 [vennootschap 19] - een vennootschap waarvan [medeverdachte 9] bestuurder is - is 100% aandeelhouder van Universum BV.62 Als bijlage bij genoemde e-mail van 20 juni 2005 is deze conceptovereenkomst kennelijk ter beoordeling aan [medeverdachte 9] voorgelegd, getuige de inhoud van het begeleidend schrijven van [betrokkene 17], dat onder meer inhoudt: "Natuurlijk hoor ik graag of [voornaam verdachte] en jij het hiermee eens zijn (per slot van rekening is jullie belang groter dan dat van mij)"63, waarbij de rechtbank begrijpt dat met "[voornaam verdachte]" verdachte is bedoeld. In de woning van [betrokkene 17] zijn ook twee velletjes met handgeschreven aantekeningen gevonden waarboven de datum 27 september 2005 staat vermeld. Op het eerste vel met aantekeningen staat onder meer vermeld: "Landquest is contractpartij (...) moet afrekenen met de overige partijen (...) Universum Holding : 46,67 Landquest : 46,67 [medeverdachte 9] (Beheer?) : 6,66% (...) Februari: verkoop 1e tranche -> liquiditeiten 20-30 mio vóór VpB + Kanaaleiland Alles zit dan in Landquest".64 In de hiervoor beschreven documenten en aantekeningen komt een verdeling van winst volgens een bepaalde verdeelsleutel naar voren. De daarin genoemde partijen, waaronder '[vennootschap betrokkene 19]', de bij een verdeling betrokken vennootschappen, waaronder - naar de rechtbank begrijpt - Landquest NV, de Universum vennootschappen en [vennootschap 19] en de genoemde bedragen, laten geen andere conclusie toe dan dat die documenten en aantekeningen betrekking hebben op winst die Landquest NV verwacht te realiseren met de verkoop van pakket 126. Op basis van deze stukken, met name als deze worden bezien in samenhang met de verklaring van [betrokkene 17], is eveneens de conclusie gerechtvaardigd dat met de in D-2273 opgenomen initialen "[initialen]", "[initialen]", "[initialen]" en "[initialen]" respectievelijk verdachte, [medeverdachte 1], [medeverdachte 9] en [betrokkene 17] zijn bedoeld die, al dan niet via hun vennootschappen, gerechtigd zijn tot een bepaald gedeelte van de winst die met verkoop van pakket 126 naar verwachting zal worden gerealiseerd en welke winst volgens die aantekeningen ergens tussen de 20 en 30 miljoen euro zal gaan bedragen. De inhoud van de bij [betrokkene 17] aangetroffen documenten en aantekeningen, zoals hiervoor beschreven, vindt ook steun in aantekeningen zoals die in één van de aantekeningenboeken van [medeverdachte 5] zijn opgetekend. Dit aantekeningenboek bevat bij de datum 2/6, waarvan de rechtbank aanneemt dat het, gezien het verloop van de data bij de diverse in het boek opgenomen aantekeningen, 2 juni 2005 betreft, een schematische weergave van de transacties rondom pakket 126, zoals deze kennelijk op dat moment zijn voorzien.65 [medeverdachte 5] eindigt deze aantekening met de zinsnede onder meer inhoudende dat Universum pas in 2008 zal meedelen in het resultaat. Nadat de transacties rondom pakket 126 op 1 februari 2006 hun beslag hebben gekregen, kan uit daarop betrekking hebbende aantekeningen worden afgeleid dat nadere schattingen zijn gemaakt van de daarbij door de vennootschappen van [medeverdachte 1] reeds behaalde en naar verwachting nog te behalen winsten. Zo worden bij [betrokkene 17] drie losse vellen met handgeschreven aantekeningen66 aangetroffen waarbij op het eerste vel onder meer het volgende staat genoteerd: [plaatje] Op het derde vel, vermoedelijk afkomstig uit een ander schrijfblok dan het eerste en tweede vel, is onder meer het volgende vermeld: [plaatje] In deze aantekeningen wordt er vanuit gegaan dat er na 1 februari 2006 per bank een bedrag van tussen 11 en 12,5 miljoen euro is binnengekomen. Dit strookt met de bevinding dat in de eerste twee weken van februari 2006 een bedrag van ongeveer € 11.810.936 is bijgeschreven op bankrekeningen van Kanaalcentrum Utrecht BV en Landquest NV67. De in de aantekeningen genoemde getallen 16 Netto na aftrek huurgarantie en Telespy 20,5 kunnen niet anders worden geïnterpreteerd dan dat zij verwijzen naar een (verwachte) opbrengst van het kantoorgebouw Telespy bij verkoop daarvan door Landquest NV. Op 31 juli 2006 heeft Landquest NV dit kantoorgebouw immers verkocht voor een bedrag van € 22.244.302 waarbij een huurgarantie ter hoogte van 6 miljoen euro voor de gehele looptijd is afgegeven.68 Voor het in de aantekeningen voorkomende Kanaaleiland (de rechtbank begrijpt dat daarmee kantorencomplex Kanaalcentrum is bedoeld) wordt kennelijk een opbrengst van 15 miljoen euro verwacht bij een verkoopprijs van 30 miljoen euro. Aan de inhoud van deze aantekeningen kan de vaststelling worden verbonden dat omstreeks 27 februari 2007 een winst uit project 126 wordt verwacht die ligt tussen 42 en 47 miljoen euro. In een in het aantekeningenboek van [medeverdachte 5] voorkomende aantekening bij de datum 27 juni (2006,
- rb)staat het getal 45 (de rechtbank begrijpt: 45 miljoen euro) vermeld als een resultaat dat wordt verdeeld volgens dezelfde verdeelsleutel als die voorkomt in bij [betrokkene 17] aangetroffen aantekeningen en documenten uit 2005 die hierboven reeds zijn beschreven. De aantekening van [medeverdachte 5]69 houdt voor zover hier van belang, in: 7/15 L 21 7/15 F 21 1/15 E 3 --- 45? Precies eenzelfde verdeling van 45 (de rechtbank begrijpt: 45 miljoen euro), zij het in een iets andere volgorde maar volgens dezelfde verdeelsleutel, komt voor in een schriftje met handgeschreven aantekeningen dat bij [medeverdachte 9] thuis is aangetroffen.70 In dat schriftje bevindt zich ook een aantekening, waar boven staat "29/6-06 Mövenpick" en die begint met "Winst 42 milj incl. Kanaaleiland, Unisys en Telespy"; deze aantekening eindigt met de volgende verdeling71: 10.500 --> 7/15 10.500 --> 7/15 1.500 --> 1/15 22.500 De opstelling waarbij 22.500 wordt verdeeld in 10.500, 10.500 en 1.500 - welke getallen de rechtbank opvat als dat daarmee geldbedragen van respectievelijk 10,5 miljoen euro en 1,5 miljoen euro zijn bedoeld - is eveneens terug te vinden in een andere bij [medeverdachte 9] thuis aangetroffen handgeschreven aantekening, waarbij onderaan de pagina de toevoeging: "ovk 11-3-2006" staat vermeld.72 De verdeelsleutel (7/15, 7/15, 1/15) die in al deze (in 2006 opgestelde) aantekeningen wordt gehanteerd en de in die aantekeningen terugkerende verdelingen van 45 en 22.500, bezien in onderling verband en in samenhang met de bij [betrokkene 17] aangetroffen documenten en aantekeningen uit 2005, kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden geïnterpreteerd dan dat zij gaan over een tussen [medeverdachte 1], [medeverdachte 9] en verdachte afgesproken verdeling van de helft van de (deels nog verwachte) winst die met de verkoop van pakket 126 is en nog zal worden behaald, welke winst op 45 miljoen euro wordt gesteld. Dit leidt tot de in aantekeningen beschreven verdeling van - naar de rechtbank begrijpt - 22,5 miljoen euro, waarbij [medeverdachte 1] en verdachte elk een bedrag van € 10.500.000 toekomt en [medeverdachte 9] recht heeft op € 1.500.000. Met betrekking tot deze aantekeningen is door de raadsman van verdachte betoogd dat verdachte de aantekeningen niet kent, dat hij bij het maken van deze aantekeningen niet aanwezig of anderszins betrokken is geweest en dat deze aantekeningen niet meer zijn dan ideeën waarover de opstellers van die aantekeningen hebben gefilosofeerd. Het moge wellicht zo zijn dat verdachte niet bij het opstellen van de hiervoor genoemde aantekeningen aanwezig is geweest, dat hij betrokken is bij en wetenschap heeft van de daarin neergelegde afspraken, leidt de rechtbank in het bijzonder af uit een opgenomen en afgeluisterd gesprek tijdens een ontmoeting die verdachte op 14 juni 2007 heeft met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 9] in het Mercure Hotel in Den Bosch. Bij deze gelegenheid spreken zij over verdeling van gelden volgens een verdeelsleutel die in deze aantekeningen steeds weer terugkomt. Zo zegt [medeverdachte 1] tegen verdachte: "[voornaam verdachte], die moet dan gewoon, voor ons in de, in het verrekenmodel, hoeveel was het ook weer, [naam] (...) zeven vijftiende en één vijftiende" wat verdachte vervolgens bevestigt met de woorden: "Zo gaat het." Buiten dat het zeer onwaarschijnlijk is te achten dat verdachte geen enkele weet heeft van een verdeling van gelden waarbij hij één van de gerechtigden is, kan deze bevestiging van verdachte tegenover [medeverdachte 1] moeilijk anders worden opgevat dan dat verdachte precies weet over welk verrekenmodel [medeverdachte 1] het heeft. [medeverdachte 9] zegt in hetzelfde gesprek vervolgens: "hebben we bij die vorige ook gedaan. Daar stond tien en een half, dat was eerst twee en twintig en een half, voor jullie ieder tien en een half en voor mij anderhalf. Zo wordt dat ook gedaan hè.".73 Deze tien en een half strookt in ieder geval met het in aantekeningen genoemde bedrag van € 10.500.000 als een deel van de winst waarop verdachte recht heeft. Belofte Ten aanzien van de achtergrond van deze winstverdeling overweegt de rechtbank het volgende. Zoals hiervoor is geconcludeerd biedt de inhoud van de diverse documenten en aantekeningen, beschouwd in samenhang met de verklaring van [betrokkene 17] en het hiervoor aangehaalde OVC-gesprek, bewijs dat er afspraken zijn gemaakt over een verdeling van een (verwachte) winst die met de (door)verkopen van pakket 126 door [medeverdachte 1], althans aan hem gelieerde vennootschappen is behaald en in welke winstverdeling verdachte één van de gerechtigden is. Tegelijkertijd geldt dat [medeverdachte 1] aan verdachte een toezegging heeft gedaan die ertoe leidde dat hij voor de aankoop van pakket 126, via het bedrijf van [betrokkene 3], exclusief bij PREIM aan tafel kwam.74 Naar het oordeel van de rechtbank kan het onder die omstandigheden niet anders zijn dan dat die toezegging inhield de belofte dat een gedeelte van de winst die [medeverdachte 1] met de verkoop van pakket 126 zou realiseren aan verdachte zou toekomen. [medeverdachte 1], [medeverdachte 9] en verdachte hebben volgens de diverse aantekeningen immers reeds medio 2005 de verwachting gehad van een aanzienlijke winst die met de (door)verkoop van pakket 126 aan onder meer Fortis in vennootschappen van [medeverdachte 1] gerealiseerd zou gaan worden, waarbij zij met betrekking tot die winst een verdeelsleutel hebben afgesproken inhoudende onder meer dat verdachte gerechtigd was tot 7/15e deel van die winst. Verdachte heeft in dit verband aangevoerd dat hem door [medeverdachte 1] geen enkele belofte of toezegging is gedaan; hij zegt met [medeverdachte 1] slechts gesproken te hebben over een toekomstige samenwerking en de wijze waarop die na beëindiging van zijn dienstverband bij Philips Pensioenfonds gestalte zou dienen te krijgen, hetgeen [medeverdachte 1] volgens verdachte ook met zoveel woorden heeft bevestigd. Hoewel [medeverdachte 1] erkent een toezegging aan verdachte te hebben gedaan en met betrekking tot de inhoud van de aan verdachte gedane toezegging - die door verdachte dus stellig wordt ontkend - verklaart dat deze inhield dat hij na beëindiging van diens dienstverband bij Philips Pensioenfonds samen met verdachte projecten zou gaan doen, waarmee verdachte zelf geld kon verdienen,75 acht de rechtbank een toezegging van die inhoud niet erg waarschijnlijk. Gesteld dat [medeverdachte 1] verdachte enkel een toekomstige samenwerking in onroerend goed projecten in het vooruitzicht zou hebben gesteld, valt niet goed in te zien waarom de daaruit voortvloeiende verdiensten voor verdachte al op voorhand bepaald dienden te worden. Even onwaarschijnlijk is dat als het gaat om de hoogte van die toekomstige verdiensten, deze volgens [medeverdachte 1] wordt gebaseerd op het streefgetal 7/15e deel van een referentiewinst van 20 tot 22 miljoen euro die naar verwachting met verkoop van pakket 126 zal worden gerealiseerd, zijnde een project dat verdachte op dat moment nog onderhanden heeft, terwijl in deze winstdeling ook andere personen ([medeverdachte 1], [medeverdachte 9] en [betrokkene 17]) zijn betrokken. In strijd met de goede trouw verzwijgen van de belofte en gift Op 9 februari 2006 heeft verdachte voor akkoord ondertekend de Gedragscode Philips Real Estate Investment Management BV, welke gedragscode op 1 januari 2006 in werking is getreden en de vóór die datum geldende gedragscode van PREIM verving.76 Volgens deze gedragscodes is het - zakelijk weergegeven - onder meer medewerkers van PREIM niet toegestaan giften in welke vorm dan ook, aan te nemen van (potentiële) zakelijke relaties van het Pensioenfonds. Verdachte heeft zich niet aan de gedragscode gehouden doorbij zijn werkgever geen melding te maken van het feit dat hij een belofte ontving - die steeds gerelateerd is geweest aan zijn functie - terwijl hij daartoe wel was gehouden.77 Onvoldoende bewijs voor de gift van 10,5 miljoen euro (feit 2) Naast de hiervoor besproken belofte tot betaling van 7/15e deel van de te behalen winst met pakket 126 wordt verdachte onder feit 2 het verwijt gemaakt dat hij een gift van 10,5 miljoen euro heeft ontvangen. Dit bedrag moet, zo volgt uit het dossier en uit het gehouden requisitoir, worden gezien als een eerste deelbetaling van die aan verdachte gedane belofte. Het openbaar ministerie heeft betoogd dat de ontvangst van deze gift bewezen kan worden verklaard op basis van de hiervoor al aangehaalde aantekeningen, het OVC-gesprek van 14 juni 2007 tussen [medeverdachte 1], [medeverdachte 9] en verdachte en met name ook van het feit dat [medeverdachte 9] op basis van een maatschapovereenkomst een betaling heeft ontvangen waarvan de hoogte overeenstemt met 1/15e gedeelte van de helft van de winst zoals die in de aantekeningen is geraamd. Aan de inhoud van het OVC-gesprek op 14 juni 2007 tussen verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 9] - dat hiervoor al is besproken - kan naar het oordeel van de rechtbank met name uit de door [medeverdachte 9] gebruikte bewoordingen: "hebben we bij die vorige ook gedaan. Daar stond tien en een half, dat was eerst twee en twintig en een half, voor jullie ieder tien en een half en voor mij anderhalf" een sterke aanwijzing worden ontleend dat verdachte op dat moment reeds een bedrag van 10,5 miljoen euro als onderdeel van het hem toegezegde totale bedrag van 21 miljoen euro betaald heeft gekregen. Het onderzoeksteam heeft een dergelijke betaling, al dan niet gefaseerd, op geen enkele wijze in de administratie van verdachte of aan hem te liëren (buitenlandse) vennootschappen kunnen traceren, terwijl dat in het geval deze betaling zou hebben plaatsgevonden, wel voor de hand had gelegen. Bovendien kan op basis van een eerder genoemde passage uit het aantekeningenboek van [medeverdachte 5] die inhoudt dat Universum pas in 2008 zal meedelen in het resultaat, niet uitgesloten worden geacht dat verdachte pas in een later stadium, na zijn vertrek bij Philips Pensioenfonds, zou worden betaald. Dit leidt ertoe dat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat verdachte daadwerkelijk een betaling van 10,5 miljoen euro in het kader van de hem door [medeverdachte 1] gedane toezegging heeft ontvangen, zodat hij van dit onderdeel van het onder feit 2 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Betaling van € 422.500,- als onderdeel van de gedane belofte (feit 2) In de administratie van Landquest NV, gevestigd te Hoofddorp, is een factuur aangetroffen afkomstig van Coördinatie Bouwwezen BV gedateerd 16 april 2007.78 Coördinatie Bouwwezen BV is een vennootschap die blijkens het handelsregister van de Kamer van Koophandel gevestigd is in Weert. Bestuurder van deze vennootschap is [betrokkene 20] (verder te noemen: [betrokkene 20]) die enig en zelfstandig bevoegd directeur is van de vennootschap.79 De aandelen van Coördinatie Bouwwezen BV zijn in handen van Antoniushof NV80 waarvan [betrokkene 20] de aandeelhouder is.81 Coördinatie Bouwwezen BV is een vennootschap die volledig in eigendom aan [betrokkene 20] toebehoort en waarin geen activiteiten meer plaatsvinden. Binnen deze vennootschap, die een eigen bankrekening heeft, is alleen [betrokkene 20] betalingsbevoegd.82 Voor de financiële zaken van onder meer Coördinatie Bouwwezen BV is [betrokkene 21] (verder te noemen: [betrokkene 21]) verantwoordelijk.83 Met voornoemde factuur brengt Coördinatie Bouwwezen BV een bedrag van € 450.000 ex BTW (€ 535.000 inclusief BTW) aan Landquest NV in rekening, waarbij als omschrijving op de factuur staat vermeld: 'inzake bemiddeling verkochte kantoorpanden aan Altera Vastgoed NV zijnde het pand/object Pegasus te Utrecht en het pand/object gebouw A aan de Claudius Prinsenlaan te Breda'.84 Op 21 april 2007 is voornoemd bedrag op de bankrekening van Coördinatie Bouwwezen BV bijgeschreven.85 Bij [medeverdachte 9] is aangetroffen een faxb[voornaam medeverdachte 9]ht gedateerd 6 april 2007 afkomstig van [betrokkene 21]. In dit faxb[voornaam medeverdachte 9]ht bevestigt [betrokkene 21] aan [medeverdachte 9] dat conform afspraak met [betrokkene 20] de overeengekomen transactie via Coördinatie Bouwwezen BV kan/zal plaatsvinden en dat hij, [betrokkene 21], de boekhoudkundige uitwerking nog met [medeverdachte 9] zal bespreken. Het faxb[voornaam medeverdachte 9]ht bevat verder de handgeschreven aantekening van [voornaam medeverdachte 9] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 9]) aan [voornaam medeverdachte 1] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1]) dat hij [medeverdachte 1] hierbij het briefhoofd stuurt van de BV die [betrokkene 20] verkiest voor de bekende € 450.000 en waarin hij vraagt of zij over de tekst van de factuur nog overleg zullen hebben.86 In de administratie van Coördinatie Bouwwezen BV is een factuur aangetroffen met de datum 16 april 2007 afkomstig van [vennootschap 18] waarmee laatstgenoemde vennootschap een bedrag van € 400.000,- exclusief BTW (€ 476.000 inclusief BTW) in rekening brengt. Het begeleidend schrijven bij deze factuur is ondertekend door verdachte.87 [vennootschap 18] is een vennootschap gevestigd te Weert waarin verdachte sedert 4 januari 2007 enig bestuurder is. Enig aandeelhouder van deze vennootschap was tot 4 januari 2007 Universum BV te Haelen.88 Na 4 j