← Nederland

ECLI:NL:RBHAA:2012:BV2320

RECHTBANK HAARLEM Sector civiel familie- en jeugdrecht toestemming plaatsing buiten Nederland (art. 1:306 BW) zaak-/rekestnr.: 186946 / FA RK 11-3870 beschikking van de kinderrechter van 17 januari 2012 naar aanleiding van een verzoek van de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, afdeling Jeugdbescherming, locatie Haarlem, gevestigd te Haarlem, hierna te noemen: de Stichting, met betrekking tot de minderjarige: - [naam minderjarige], geboren op [datum] 1995 in de gemeente [plaats], verblijvende bij zijn ouders in [plaats] (Groot-Brittannië) kind van [naam moeder], wonende in [plaats] (Groot-Brittannië), hierna te noemen: de moeder, en [naam vader], wonende in [plaats] (Groot-Brittannië), hierna te noemen: de vader. De voogdij over de minderjarige wordt uitgeoefend door de Stichting. 1 Procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift, met bijlagen, van de Stichting, ingekomen op 16 november

  1. 1.2 De kinderrechter heeft het verzochte behandeld op de zitting met gesloten deuren van 19 december
  2. Hierbij is verschenen en gehoord: - de Stichting, vertegenwoordigd door mevrouw M. Stiekema. De ouders en de minderjarige zijn, met afbericht, niet ter zitting verschenen. 1.3 De minderjarige is in de gelegenheid gesteld in raadkamer te worden gehoord. 2 Feiten en omstandigheden Bij beschikking van deze rechtbank van 26 juli 2005 is de Stichting tot tijdelijk voogdes benoemd over deze minderjarige. 3 Verzoek 3.1 De Stichting heeft de kinderrechter verzocht om op grond van artikel 1:306 BW toestemming te verlenen voor de plaatsing van de minderjarige buiten Nederland. 3.2 De Stichting heeft aan dit verzoek ten grondslag gelegd dat zij deze plaatsing voor de minderjarige wenselijk acht. 4 Beoordeling 4.1 Uit de overgelegde stukken en hetgeen op de zitting naar voren is gekomen, blijkt dat de minderjarige op 1 juli 2011 niet is teruggekeerd van een bezoek aan zijn ouders in Groot-Brittannië. Volgens de Stichting heeft de minderjarige de afgelopen jaren regelmatig aangegeven dat hij terug wilde keren naar zijn ouders. De voorgeschiedenis, de ambivalente houding van de moeder in de voorafgaande periode en het niet nakomen van afspraken omtrent het contact met de minderjarige alsook het feit dat bij de minderjarige sprake is van een reactieve hechtingsstoornis heeft de Stichting doen besluiten aan de wens van de minderjarige voorbij te gaan. Kennelijk was het niet terugkeren van een bezoek de enige oplossing voor de minderjarige om weer bij zijn ouders te kunnen wonen. 4.2 De Stichting heeft daarop contact heeft gezocht met lokale (hulpverlenende) instanties in Groot-Brittannië om te onderzoeken of deze bereid zouden zijn de voogdij over de minderjarige over te nemen. Op 23 juli 2011 heeft [plaats] Children and Young Peoples Rights Service aangegeven de voogdij niet over te nemen. Naar aanleiding van een huisbezoek door deze instantie zijn er geen zorgen over de ontwikkeling en leefsituatie van de minderjarige en worden geen gronden gezien voor een voogdijmaatregel. Op advies van de Raad voor de Kinderbescherming heeft de Stichting melding gedaan bij de Centrale Autoriteit, zodat de minderjarige bekend is, mocht er onverhoopt iets gebeuren in de opvoedingssituatie. 4.3 Op de zitting heeft de Stichting naar voren gebracht dat er eenmaal per veertien dagen contact is met de minderjarige en zijn ouders. De minderjarige heeft aangegeven dat hij het naar zijn zin heeft bij zijn ouders en zijn broertjes en zusjes. Ook de moeder heeft laten weten dat de thuisplaatsing van de minderjarige goed verloopt. Sinds oktober

(2011)gaat de minderjarige naar school en zodra hij de Engelse taal voldoende beheerst, mag hij doorstromen naar de 11th grade. De Stichting heeft aangegeven dat zij niet langer zorgen hebben over de opvoedingssituatie en de ontwikkeling van de minderjarige en dat zij binnen afzienbare tijd de rechtbank zullen verzoeken om opheffing van de voogdij en herstel van het gezag van de moeder. Ambtshalve is de rechtbank bekend dat dit verzoek op 29 december 2011 is ingediend (zaak- en rekestnr [nummer]). 4.4 Gelet op het voorgaande is de rechtbank met de Stichting en de Raad voor de Kinderbescherming van oordeel dat de plaatsing van de minderjarige bij zijn ouders in Groot-Brittannië wenselijk is. Het verzoek zal om die reden dan ook worden toegewezen. 5 Beslissing De kinderrechter: 5.1 Verleent toestemming voor de plaatsing van de minderjarige buiten Nederland, te weten bij zijn ouders in [plaats] (Groot-Brittannië). 5.2 Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Otter, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Lurvink-Betlem, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2012. Tegen deze beschikking kan – voorzover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze aan hen op andere wijze bekend is geworden.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.