← Nederland

ECLI:NL:RBHAA:2012:BV2658

RECHTBANK HAARLEM Sector bestuursrecht zaaknummer: AWB 10 - 4641 uitspraak van de meervoudige kamer van 25 januari 2012 in de zaak van: [naam eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres, tegen: het college van burgemeester en wethouders van Zandvoort, verweerder.

  1. Procesverloop Bij besluit van 11 mei 2010 heeft verweerder het verzoek om het vaststellen van een dwangsom wegens niet tijdig beslissen afgewezen. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder verwezen naar het advies van de commissie bezwaarschriften. Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 3 september 2010 beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft op 2 december 2011 een nader stuk toegezonden. Het beroep is - gelijktijdig met de zaken AWB 10-5761, AWB 11-141, AWB 11-1945, AWB 11-2306 en AWB 11-400 - behandeld ter zitting van 15 december
  2. Eiseres is in persoon verschenen vergezeld van haar gezinsleden. Verweerder is vertegenwoordigd door J. Pach en M. de Vries, beiden werkzaam bij de gemeente Zandvoort.
  3. Overwegingen 2.1 In de periode 2006 tot en met 2010 heeft [naam familie ] verweerder herhaaldelijk verzocht om handhavend op te treden tegen het bouwen in afwijking van bouwvergunningen op het perceel [locatie]. 2.2 Bij brief van 15 februari 2010 heeft [naam echtgenoot] bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn handhavingsverzoek van medio
  4. Verweerder heeft het bezwaar doorgezonden aan deze rechtbank als zijnde een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Bij uitspraak van 16 april 2010 (AWB 10-899) heeft deze rechtbank het beroep gegrond verklaard en verweerder verplicht om binnen twee weken alsnog een besluit op het handhavingsverzoek te nemen. Bij besluit van 28 april 2010 heeft verweerder een besluit genomen op het verzoek om handhaving. 2.3 Op 21 april 2010 heeft eiseres verweerder verzocht een dwangsom vast te stellen en uit te betalen wegens het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek om handhaving. Dit verzoek is bij besluit van 11 mei 2010 door verweerder afgewezen. Het hiertegen gerichte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 23 juli 2010 ongegrond verklaard. Thans is het tegen dit besluit gerichte beroep aan de orde. 2.4 Verweerder stelt zich op het standpunt dat de dwangsomregeling van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (hierna: Wet dwangsom) niet van toepassing is nu het verzoek om handhaving vóór 1 oktober 2009 is ingediend. Eiseres betwist dit standpunt en stelt dat de Wet dwangsom wel van toepassing is. Eiseres refereert aan de verzoeken om handhaving van 26 november 2009 en 29 november 2009, derhalve verzoeken van na 1 oktober
  5. 2.5 Op 1 oktober 2009 is de Wet dwangsom (Staatsblad 2009, nr. 383) in werking getreden. In artikel III, eerste lid, van de Wet dwangsom is bepaald dat op het niet tijdig beslissen op een aanvraag die, of een bezwaar- of beroepschrift dat is ingediend voor het tijdstip waarop paragraaf 4.1.3.2 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is geworden, het recht zoals dit gold voor dat tijdstip van toepassing blijft. In het tweede lid is bepaald dat op een bezwaar- of beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit dat is ingediend voor het tijdstip waarop afdeling 8.2.4a van toepassing is geworden, het recht zoals dit gold voor dat tijdstip van toepassing blijft. 2.6 Nu uit de processtukken blijkt dat de verzoeken om handhavend op te treden zijn ingediend vóór oktober 2009 is naar het oordeel van de rechtbank de Wet dwangsom niet van toepassing. De brief van 26 november 2009 maakt dit oordeel niet anders omdat wordt gerefereerd aan een eerder schrijven en gevraagd wordt naar de stand van zaken. De brief van 29 december 2009 is door deze rechtbank in de uitspraak van 16 april 2010 aangemerkt als ingebrekestelling. 2.7 Verweerder heeft zich derhalve terecht, onder verwijzing naar het overgangsrecht van artikel III, eerste lid, van de Wet dwangsom, op het standpunt gesteld dat de Wet dwangsom niet van toepassing is op de onderhavige verzoeken om handhaving nu deze zijn ingediend voor 1 oktober
  6. Dat was anders ten aanzien van het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen dat heeft geleid tot de uitspraak van 16 april 2010, omdat ingevolge artikel III, tweede lid, van de Wet dwangsom op een beroep dat is ingediend na 1 oktober 2009 deze wet wel van toepassing is. 2.8 Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
  7. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. M. Janse van Mantgem, voorzitter van de meervoudige kamer, mr. A.C. Terwiel - Kuneman en mr. drs. L. Beijen, leden, in tegenwoordigheid van M.J.E. de Jong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 januari
  8. afschrift verzonden op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.