Rechtbank Haarlem – ECLI:NL:RBHAA:2012:BW4202
RECHTBANK HAARLEM Sector kanton Locatie Haarlem zaak/rolnr.: 493602 \ CV EXPL 10-17073 datum uitspraak: 7 maart 2012 VONNIS VAN DE MEERVOUDIGE KAMER VAN DE SECTOR KANTON inzake de vereniging met volledige rechtspersoonlijkheid ANVR: Algemene Nederlandse Vereniging van Reisondernemingen te Baarn eiseres hierna te noemen ANVR gemachtigde mr. N.A. de Leeuw tegen 1. de vennootschap naar Duits recht Deutsche Lufthansa Aktiengesellschaft te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer hierna ook te noemen Lufthansa 2. de vennootschap naar Oostenrijks recht Austrian Airlines AG te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer hierna ook te noemen Austrian Airlines 3. de vennootschap naar Zwitsers recht Swiss International Air Lines AG te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer hierna ook te noemen Swiss Air Lines 4. de vennootschap naar Engels recht British Midland Airways Limited te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer hierna ook te noemen British Midland 5. de vennootschap naar het recht van de staat Delaware, Verenigde Staten van Amerika, Continental Airlines Inc. te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer hierna ook te noemen Continental Airlines 6. de vennootschap naar het recht van de staat Delaware, Verenigde Staten van Amerika, United Airlines Inc. te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer hierna ook te noemen United Airlines 7. de rechtspersoon naar Canadees recht Air Canada te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer hierna ook te noemen Air Canada gedaagden hierna gezamenlijk ook te noemen gedaagden en/of de luchtvaartmaatschappijen gemachtigde mr. E.C. Douma De procedure Voor de loop van het geding verwijst de rechtbank naar de volgende stukken:
De feiten a. ANVR is een vereniging met als doel de belangen van de bij haar aangesloten reisondernemingen te behartigen, welk doel zij onder meer tracht te bereiken door het voeren van juridische procedures ten behoeve van collectieve branchebelangen. b. Gedaagden hebben zich aangesloten bij de Star Alliance, een samenwerkingsverband van 27 luchtvaartmaatschappijen. c. Gedaagden zijn voorts aangesloten bij de International Air Transport Association (hierna: IATA), het samenwerkingsverband van internationaal opererende luchtvaartmaatschappijen. d. De reisagenten die aangesloten zijn bij ANVR, zijn geaccrediteerd bij IATA. e. Bij brieven van 31 mei 2010 hebben Lufthansa, Swiss Air Lines en British Midland gezamenlijk en Austrian Airlines voor zich aan de afzonderlijke reisagenten meegedeeld dat de lopende agentuurovereenkomsten worden beëindigd per 30 september 2010. Bij die brieven was een voorstel gevoegd om tot een nieuwe overeenkomst te komen. Daarin staat onder meer dat de reisagent vanaf 1 oktober 2010 voor zijn klanten een vlucht kan boeken bij Lufthansa, British Midland, Swiss Airlines respectievelijk Austrian Airlines voor een nettoprijs en dat de reisagent daarvoor geen aanspraak kan maken op commissie. f. Bij brieven van 11 juni 2010 heeft ANVR aan de genoemde luchtvaartmaatschappijen meegedeeld dat zij het niet eens is met de gehanteerde opzeggingstermijn, dat het achterwege laten van een beloning (provisie) onacceptabel is en dat de reisagenten aanspraak maken op een bedrag aan “goodwill” bij opzegging van de bestaande overeenkomsten. Voorts heeft ANVR meegedeeld dat nog wordt onderzocht of het nieuwe voorstel, waarin de reisagenten geen recht op provisie meer hebben, zich wel verdraagt met de Nederlandse en Europese wet- en regelgeving en de IATA-resoluties inzake agentuur. g. Bij brieven van 15 juli 2010 hebben Lufthansa, Austrian Airlines, Swiss Air Lines en British Midland aan de afzonderlijke reisagenten een nieuw voorstel tot overeenkomst gedaan, ingaande op 1 januari 2011. Dit nieuwe voorstel hield onder meer het volgende in:
De reisagenten kunnen evenwel nog steeds bij LH, OS, BD en LX tickets verkopen, waarbij LH, OS, BD en LX contractpartijen blijven bij de vervoersovereenkomst.
Daartoe dienen de reisagenten in Nederland een nieuwe contractuele afspraak te maken die op dit punt afwijkt van de traditionele Passenger Sales Agency overeenkomsten.
BIJGEVOLG WORDT OVEREENGEKOMEN ALS VOLGT:
Artikel 1 1. Alle eerdere, nog van kracht zijnde, agentuurovereenkomsten tussen partijen zullen na 31 december 2010 geen rechtskracht meer hebben, omdat zij middels ondertekening van deze agentuurovereenkomst met wederzijds goedvinden per 31 december 2010 worden beëindigd.
Artikel 2 Vanaf 1 januari 2011 kan de Reisagent voor zijn klanten bij LH, OS, BD en LX vluchten boeken voor een bedrag gelijk aan het door LH, OS, BD en LX gehanteerde “netto tarief”, waarbij ook vergoedingen en lasten zijn inbegrepen, hierna te noemen: “Nettoprijs”. (…) Artikel 4 1. De Reisagent geeft advies en bemiddelt bij de totstandkoming van de overeenkomst en verricht boekingsdiensten uitsluitend voor zijn opdrachtgevers (de klanten-reizigers), en niet voor LH, OS, BD en LX.
Artikel 5 1. De contractuele relatie tussen de Reisagent en LH, OS, BD en LX wordt beheerst door de van toepassing zijnde IATA resoluties, waarvan de Reisagent erkent en aanvaardt dat ze deel uitmaken van deze overeenkomst.
Daartoe wordt begrepen het “Passenger Sales Agency Agreement” dat partijen hebben afgesloten (Resolutie 824), doch met uitzondering van a. artikel 9 van het “Passenger Sales Agency Agreement”en b. hoofdstuk 9 van IATA Resolutie 814, bijlage “A” (voorwaarden voor de betaling van commissie).
De artikelen 404 tot en met 411, 431 lid 1, 435, 436, 437 lid 1, 442 van Boek 7 Burgerlijk Wetboek gelden niet tussen partijen.
Artikel 6 1. Het staat de Reisagent vrij om van zijn klanten-reizigers een vergoeding te vragen voor zijn werkzaamheden en om de hoogte van de vergoeding zelf te bepalen.
“Bij gebreke van een overeenkomst ter zake tussen de partijen en onverminderd de toepassing van de dwingende bepalingen van de Lid-Staten inzake beloningen, heeft de handelsagent recht op een beloning overeenkomstig de in de plaats waar hij zijn werkzaamheden verricht geldende gebruiken bij de vertegenwoordiging van de goederen waarop de agentuurovereenkomst betrekking heeft, bij het ontbreken van dergelijke gebruiken heeft de handelsagent recht op een redelijke beloning waarbij rekening wordt gehouden met alle op de transactie betrekking hebbende elementen.”
De vordering ANVR vordert dat de rechtbank bij vonnis, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht zal verklaren:
Primair:
I. dat de samenwerking tussen ANVR-(reis)agenten en de luchtvaartmaatschappijen zich kwalificeert als agentuurovereenkomst in de zin van artikel 7:428 BW;
II. dat de luchtvaartmaatschappijen gehouden zijn om een (redelijke) beloning te betalen aan agenten in het kader van deze agentuurovereenkomsten en dat deze beloning minimaal 1% (dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen percentage) zal bedragen;
III. dat gedaagden 1 tot en met 4 onrechtmatig, althans in strijd met de tussen hen en ANVR-reisagenten geldende contractuele verhoudingen, hebben gehandeld door op 15 juli 2010 het aanbod gedaan bij brief van 31 mei 2010 eenzijdig in te trekken, dan wel te wijzigen;
IV. dat gedaagden 1 tot en met 4 onrechtmatig, althans schadeplichtig en in strijd met de tussen hen en ANVR-reisagenten geldende contractuele verhoudingen op 31 mei 2010 de bestaande agentuurovereenkomst hebben opgezegd;
V. dat voor zover gedaagden 1 tot en met 4 op 15 juli 2010 een nieuw voorstel konden doen, zij onrechtmatig jegens reisagenten hebben gehandeld door die reisagenten af te laten zien van vorderingen op grond van artikel 7:442 BW, althans dat zo'n bepaling in de op 15 juli 2010 aangeboden agentuurovereenkomst nietig is;
VI. dat Continental Airlines onrechtmatig heeft gehandeld jegens reisagenten door als voorwaarde voor een nieuwe samenwerking met ingang van 1 maart 2011 te stellen dat zij (reisagenten) afstand doen van rechten op het instellen van de goodwillvordering overeenkomstig artikel 7:442 BW;
VII. dat gedaagden 5 tot en met 7 onrechtmatig, althans in strijd met contractuele en wettelijke verplichtingen (artikel 7:428 BW en verder) handelen door de commissie (beloning) eenzijdig te verlagen met ingang van 1 maart 2011 naar nul procent;
Subsidiair VIII. dat de door gedaagden 1 tot en met 4 op 31 mei respectievelijk 15 juli 2010 aangeboden overeenkomsten zich kwalificeren als agentuurovereenkomsten in de zin der wet;
IX. dat de luchtvaartmaatschappijen gehouden zijn om aan reisagenten een redelijke beloning te verstrekken ter zake door reisagenten ten behoeve van de luchtvaartmaatschappijen gesloten vervoersovereenkomsten, zijnde minimaal 1% van het commissionabele bedrag van het ticket, althans een zodanige beloning die de rechtbank in goede justitie zal vermenen te bepalen; één ander met veroordeling van de luchtvaartmaatschappijen in de kosten van de procedure.
ANVR heeft het volgende -verkort weergegeven- aan de vordering ten grondslag gelegd:
In deze procedure gaat het om de vraag of gedaagden 1 tot en met 4 een agentuurovereenkomst naar Nederlands recht kunnen (en mogen) aanbieden waarin expliciet staat opgenomen dat de IATA-reisagent geen recht op provisie heeft c.q. voor zover gedaagden 5 tot en met 7 betreft eenzijdig het recht op beloning kunnen/mogen afschaffen door naar 0% commissie over te gaan.
Op grond van artikel 7:430 BW heeft de principaal de plicht om de handelsagent in staat te stellen zijn opdrachtbemiddeling goed te kunnen uitvoeren.
In de literatuur wordt algemeen betoogd dat het betalen van provisie één van de wezenlijke kenmerken is van de agentuurovereenkomst en één van de belangrijkste verplichtingen van de principaal. Op grond van de dwingendrechtelijke normen van artikel 7:430 BW dient de handelsagent een beloning te krijgen voor de bemiddelingsdiensten.
Dit geldt temeer nu de wetgever, gezien de definitiebepalingen van artikel 7:430 BW ervan uitgaat dat de handelsagent een beloning moet ontvangen voor de werkzaamheden.
Partijen hebben altijd samengewerkt op basis van een agentuurverhouding. De luchtvaartmaatschappijen beschouwen hun nieuwe contracten nog steeds als agentuurovereenkomst.
De wettelijke bepalingen omtrent de agentuurovereenkomst verzetten zich tegen de handelwijze van de luchtvaartmaatschappijen. De IATA-resoluties gaan eveneens uit van een agentuurrelatie.
Het kan niet zo zijn dat de luchtvaartmaatschappijen de agentuurrelatie van partijen wensen voort te zetten, zelf aansluiting zoeken bij de agentuurovereenkomst en een agentuurrelatie beogen, aansluiting zoeken bij IATA-resoluties die eveneens een agentuurrelatie voorschrijven en dan vervolgens besluiten om het belangrijkste element, namelijk de beloning door de principaal, nadrukkelijk van toepassing uit te sluiten.
Gezien de definitie van de handelsagent, waarin nadrukkelijk is bepaald dat de werkzaamheden van de agent tegen beloning worden verricht, alsook artikel 7:431 leden 1 en 2 BW, waarbij dwingendrechtelijk van beloning wordt uitgegaan, is het de luchtvaartmaatschappijen niet toegestaan om daarvan ten nadele van de leden van ANVR af te wijken.
IATA-resoluties De luchtvaartmaatschappijen zijn aangesloten bij IATA. IATA schrijft door middel van resoluties regels voor op basis waarvan luchtvaartmaatschappijen moeten samenwerken met agenten bij de distributie van tickets.
Een reisagent die aan voorgeschreven eisen voor toelating voldoet, kan door accordering van de PSAA IATA-agent worden.
De IATA resoluties gaan uit van een agentuurrelatie, waarbij de luchtvaartmaatschappij de agent beloont voor diens werkzaamheden.
De door Lufthansa, Austrian Airlines, British Midland en Swiss Airlines aangeboden overeenkomsten gaan uit van de toepasselijkheid van de IATA-resoluties, maar sluiten daarbij uit artikel 9 van de PSAA en hoofdstuk 9 van de IATA resolutie 814. Deze luchtvaartmaatschappijen bieden derhalve in strijd met de binnen IATA geldende regels, in strijd met de IATA-resoluties en in strijd met het mededingingsrecht aan de leden van ANVR een overeenkomst aan.
Mededingingsregels De luchtvaartmaatschappijen handelen in strijd met het kartelverbod van artikel 101 VWEU, c.q. artikel 6 Mw. Zij maken ook misbruik van hun machtspositie ex artikel 102 VWEU c.q. artikel 24 Mw door opzegging c.q. éénzijdige wijziging van de agentuurovereenkomsten met ANVR-agenten en met aanbieding van overeenkomsten met bepalingen die in strijd zijn met de wet en met de redelijkheid en billijkheid en door éénzijdig de provisie met ingang van 1 maart 2011 te verlagen naar nul procent.
Er is sprake van een onderling afgestemde feitelijke gedraging ten aanzien van het afschaffen van de commissie c.q. de verlaging daarvan tot 0%.
Er vindt overduidelijk afstemming tussen gedaagden plaats, die kennelijk verder gaat dan hetgeen gebruikelijk en toegestaan kan worden geacht.
Misbruik van machtspositie Op grond van het bepaalde bij artikel 102 VWEU (c.q. artikel 24 Mw) is het onverenigbaar met de interne markt en verboden, dat een of meer ondernemingen misbruik maken van een machtspositie op de interne markt of op een wezenlijk deel daarvan.
In de huidige situatie maken de luchtvaartmaatschappijen misbruik van hun economische machtspositie op de markten voor het aanbieden van luchtvaartdiensten op de aanpalende markt voor de aankoop van bemiddelingsdiensten van reisagenten. Indien en voor zover een reisagent niet akkoord zou gaan met 0% commissie en daarmee niet meer namens een luchtvaartmaatschappij diensten zou mogen verkopen, kan die reisagent een deel van de klanten niet meer bedienen. Immers, op bepaalde stedenparen hebben agenten alsdan niet meer de mogelijkheid om producten te verkopen, terwijl dit nu juist uitgangspunt is van de “open” erkenningsregeling van IATA.
De luchtvaartmaatschappijen maken onderscheid naar agenten van verschillende landen, op het gebied van prijzen en beschikbaarheid van tickets, vergoedingen voor geleverde diensten, etc. Kortom, er vindt compartimentering van markten plaats met tot gevolg beperking c.q. vervalsing van de mededinging binnen de interne markt, waarbij eveneens ten aanzien van handelspartners ongelijke voorwaarden voor gelijkwaardige prestaties worden toegepast.
Strijd met de redelijkheid en billijkheid De luchtvaartmaatschappijen dienen zich ook de belangen aan te trekken van de IATA-reisagenten. Het kan niet zo zijn dat de luchtvaartmaatschappijen bestaande agentuurovereenkomsten met agenten simpelweg opzeggen (met een te korte, onregelmatige en onrechtmatige opzegtermijn) of éénzijdig wijzigen met als enkel doel om de overeenkomsten op andere wijze te continueren door middel van het aanbieden van een nieuwe overeenkomst, waarbij zij geen rekening houden met de gerechtvaardigde belangen van haar contractspartijen, overeenkomsten aanbieden die in strijd zijn met de IATA-resoluties, de wettelijke bepalingen inzake de agentuurovereenkomst, het mededingingsrecht en de redelijkheid en billijkheid.
Het is bovendien in strijd met de redelijkheid en billijkheid om reisagenten op zodanige wijze onder druk te zetten om een nieuwe agentuurovereenkomst te tekenen, waarbij zij afstand dienen te doen van hun recht op vergoeding c.q. commissie.
Het verweer De luchtvaartmaatschappijen hebben het volgende -samengevat- als verweer aangevoerd:
Niet-ontvankelijkheid ANVR moet in haar vorderingen tegen United Airlines, Continental Airlines en Air Canada op grond van het bepaalde bij artikel 3:305a lid 2 BW niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat met deze luchtvaartmaatschappijen geen overleg heeft plaatsgevonden en zij dus rauwelijks zijn gedagvaard.
Geen belang In het licht van 168 retour ontvangen, door de reisagenten getekende overeenkomsten waarbij de reisagenten de 0% commissie hebben aanvaard, betwisten de luchtvaartmaatschappijen dat ANVR belang heeft bij de door haar ingestelde vorderingen.
Contractvrijheid Er is geen rechtsregel op grond waarvan de luchtvaartmaatschappijen gehouden zouden zijn om tegen hun zin in, na opzegging van de agentuurovereenkomsten, toch aan de reisagenten verbonden te blijven op grond van (nieuwe) agentuurovereenkomsten met 1% commissie.
Opzeggingen De opzeggingen van de agentuurovereenkomsten zijn uiting van de contractvrijheid van de luchtvaartmaatschappijen en hun wil om niet langer commissie te betalen.
Agentuurovereenkomst Op grond van artikel 6 lid van de Richtlijn 86/653/EEG kan het recht op loon bij overeenkomst worden uitgesloten. De Nederlandse wet kent geen dwingendrechtelijke bepalingen inzake het recht op loon.
Uit artikel 7:445 lid 1 BW volgt dat partijen kunnen afwijken van artikel 7:425 BW, artikel 7:426 lid 1 BW en artikel 7:428 lid 1 BW. Partijen kunnen dus overeenkomen dat “tegen beloning” niet wordt overeengekomen dan wel uitdrukkelijk wordt uitgesloten in de tussen hen van toepassing zijnde overeenkomst.
De luchtvaartmaatschappijen betwisten dat de zorgplicht van de principaal (artikel 7:430 BW) ook betrekking heeft op betaling van commissie.
Het enkele feit dat in artikel 7:428 lid 1 BW “tegen beloning” wordt genoemd, betekent niet dat de beloning in de vorm van een te betalen commissie onlosmakelijk is verbonden met de agentuurovereenkomst.
IATA-regels Uit artikel 9 van Richtlijn 824 volgt dat de luchtvaartmaatschappijen met de agent afspreken welke commissie wordt betaald. Dat kan ook nihil zijn.
Mededingingsrecht - kartelverbod - misbruik van machtspositie De luchtvaartmaatschappijen beschikken over een (onderlinge) “antitrust immunity” en het staat hen steeds vrij om onderling met elkaar af te spreken en om ook desgewenst gezamenlijk op te trekken. Dit houdt verband met hun marktaandeel en dat is van een zodanige, beperkte omvang dat er geen sprake is van enige strijd met het mededingingsrecht, zowel ten aanzien van het kartelverbod als ten aanzien van misbruik van machtspositie.
Redelijkheid en billijkheid ANVR ziet nog steeds de contractvrijheid over het hoofd. De luchtvaartmaatschappijen hadden met hun opzegging niet het enkele doel om de overeenkomst op andere wijze voort te zetten. Zij wilden een einde maken aan de overeenkomsten met 1% commissie en daarbij stelden zij de reisagenten in de gelegenheid om zonder commissie verder te gaan.
Onrechtmatige contractuele voorwaarden De luchtvaartmaatschappijen hebben voorstellen gedaan die door de reisagenten kunnen worden aanvaard dan wel afgewezen. Ook hier geldt de contractvrijheid.
De beoordeling van het geschil Ontvankelijkheid ANVR 1. De luchtvaartmaatschappijen hebben als meest verstrekkende verweer gevoerd dat ANVR in haar vorderingen tegen United Airlines, Continental Airlines en Air Canada op grond van het bepaalde in artikel 3:305a lid 2 BW niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat ANVR voorafgaand aan de onderhavige procedure geen overleg met deze luchtvaartmaatschappijen heeft gevoerd en zij dus rauwelijks zijn gedagvaard.
Belang 4. De luchtvaartmaatschappijen hebben voorts aangevoerd dat ANVR geen belang heeft bij de door haar ingestelde vorderingen, nu de luchtvaartmaatschappijen met een groot aantal reisagenten overeenkomsten hebben afgesloten, waarin de betaling van commissie is uitgesloten. Volgens de luchtvaartmaatschappijen hebben deze bij ANVR aangesloten reisagenten daardoor geen belang bij deze procedure en kan ANVR (dus) niet de belangen behartigen van deze reisagenten.
Agentuurovereenkomst 7. Vooropgesteld wordt dat het partijdebat zich toespitst op de kwalificatie van de rechtsverhoudingen tussen de luchtvaartmaatschappijen enerzijds en de afzonderlijke reisagenten anderzijds. Meer in het bijzonder gaat het hierbij om de kwalificatie van de nieuwe overeenkomsten, zoals aangeboden door Lufthansa, Austrian Airlines, Swiss Air Lines en British Midland aan de afzonderlijke reisagenten op 31 mei 2010 respectievelijk 15 juli 2010 en zoals geaccepteerd door een aantal van hen. De in het petitum (onder primair en subsidiair) geformuleerde vorderingen onder I en VIII hebben hierop betrekking.
Artikel 7:428 lid 1 BW definieert de agentuurovereenkomst als een overeenkomst waarbij de ene partij, de principaal, aan de andere partij, de handelsagent, opdraagt, en deze zich verbindt, voor een bepaalde of onbepaalde tijd en tegen beloning bij de totstandkoming van overeenkomsten bemiddeling te verlenen, en deze eventueel op naam en voor rekening van de principaal te sluiten zonder aan deze ondergeschikt te zijn. Of de nieuwe overeenkomsten aan deze wettelijke omschrijving voldoen, dient te worden beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden van het geval in onderlinge samenhang en verband bezien.
Bevoegdheid van de sector kanton 19. Nu de rechtbank tot het oordeel komt dat de nieuwe overeenkomsten tussen de gedaagden sub 1 tot en met 4 en de leden van de ANVR niet kunnen worden gekwalificeerd als agentuurovereenkomsten, is de sector kanton niet bevoegd ten aanzien van de overige, op deze nieuwe overeenkomsten voortbouwende vorderingen van ANVR (vorderingen V en VI). Daarom dient een gedeeltelijke verwijzing te volgen naar de sector civiel van deze rechtbank.
Beslissing De rechtbank:
Verwijst de zaak naar de rol van:
WOENSDAG 4 APRIL 2012 voor uitlating door beide partijen als weergegeven onder 20.
Houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mrs. F.J.P. Veenhof, T.A.M. Tijhuis en E.J. Bellaart en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.
Coll.