RECHTBANK HAARLEM Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer Zaaknummers: AWB 10/5512 en 10/6208 Uitspraakdatum: 13 april 2012 Uitspraak in de gedingen tussen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X] B.V., gevestigd te [Z], eiseres, gemachtigde: mr.drs. P.W. van der Kleij, en de inspecteur van de Belastingdienst/[P], verweerder. 1. Ontstaan en loop van de gedingen 1.1.1. Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2004 een aanslag vennootschapsbelasting (hierna: de aanslag 2004) opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 964.001. Bij afzonderlijke beschikking is een bedrag van € 33.679 aan heffingsrente in rekening gebracht. Bovendien is een verzuimboete van € 340 opgelegd. 1.1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 30 oktober 2010, waarvan de motivering is verzonden op 30 september 2010, de aanslag verminderd naar een belastbaar bedrag van € 377.117 en de heffingsrente teruggebracht naar een bedrag van € 5.651. De verzuimboete is komen te vervallen. 1.1.3. Eiseres heeft daartegen bij brief van 20 oktober 2010, per fax ontvangen bij de rechtbank op dezelfde datum, beroep ingesteld. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. 1.2.1. Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2005 een aanslag vennootschapsbelasting (hierna: de aanslag 2005) opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 150.000. Bij afzonderlijke beschikking is een bedrag van € 9.051 aan heffingsrente in rekening gebracht. 1.2.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 6 november 2010, waarvan de motivering op 30 september 2010 is verzonden, de aanslag verminderd tot nihil, het verlies nader vastgesteld op € 76.326 en de heffingsrente teruggebracht tot nihil. 1.2.3. Eiseres heeft daartegen bij brief van 20 oktober 2010, per fax ontvangen bij de rechtbank op dezelfde datum, beroep ingesteld. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. 1.3. Eiseres heeft beide beroepen nader aangevuld bij brieven van 22 november 2010, 7 januari 2011 en 29 april 2011. Bovendien heeft zij bij brief van 31 mei 2011 een conclusie van repliek en bij brief van 22 augustus 2011 een nadere conclusie ingediend. Deze zijn in afschrift verstrekt aan verweerder. Verweerder heeft bij brief van 11 april 2011 zijn verweerschriften nader aangevuld. Bovendien heeft hij bij brief van 5 juli 2011 een conclusie van dupliek en op 21 september 2011 een nadere conclusie ingediend. Deze zijn in afschrift verstrekt aan eiseres. 1.4. Eiseres heeft op 11 november 2011 een schriftelijke pleitnota ingediend en op 23 november een nader stuk. Deze zijn in afschrift verstrekt aan verweerder. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2011. Beide zaken zijn gelijktijdig behandeld. Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde, bijgestaan door [A]. Namens verweerder zijn mr. R.S. van Mook, mr. H.H. Hoffmann en mr. W.F.E.M. Egelie verschenen. Verweerder heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en de wederpartij. 2. Tussen partijen vaststaande feiten 2.1. Eiseres is opgericht op 12 oktober 1989. Zij is in 2004 gevestigd op Aruba en met ingang van 1 januari 2005 gevestigd op de toenmalige Nederlandse Antillen (Curaçao). Tot 15 april 2004 is zij gevoegd in een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting met [BEDRIJF A] B.V. (hierna: [BEDRIJF A]). Op dat moment bezit eiseres het aan derden verhuurde bedrijfspand [adres] (hierna: [adres]) en een aan de familie [NAAM] verhuurde woning aan de [adres] (hierna: [adres]). 2.2. Op 15 april 2004 worden de aandelen in eiseres door [BEDRIJF A] verkocht aan de vennootschap naar het recht van de [BEDRIJF B] N.V. (hierna: [BEDRIJF B]), de moedermaatschappij van [BEDRIJF A], waardoor de fiscale eenheid met [BEDRIJF A] wordt verbroken. Vanaf die datum is eiseres zelfstandig belastingplichtige voor de vennootschapsbelasting. Zij wordt in de belastingheffing in Nederland betrokken als beperkt binnenlands belastingplichtige met een vaste inrichting in Nederland (hierna: VI). 2.3. Begin 2004 heeft [BEDRIJF B] een vordering van circa € 9,7 miljoen luidende in Arubaanse guldens (AWG) op de vennootschap naar het recht van de Nederlandse [BEDRIJF C] N.V. (hierna: [BEDRIJF C]). Op 1 juli 2004 draagt [BEDRIJF B] de vordering op [BEDRIJF C] over aan [BEDRIJF D] N.V. (hierna: [BEDRIJF D]). [BEDRIJF D] is eveneens gevestigd op de Nederlandse Antillen. 2.4. Op 19 juli 2004 verkoopt [BEDRIJF B] alle aandelen in eiseres aan [BEDRIJF D]. 2.5. De aandelen van [BEDRIJF D] worden gehouden door de Stichting [BEDRIJF E], gevestigd op de Nederlandse Antillen, die aldus indirect ook de aandelen in eiseres houdt. Deze stichting fungeert als family trust. Een van de begunstigden van deze trust is [B] sr. (hierna: [B]). Directeur van [BEDRIJF D] is [BEDRIJF F] N.V., waarvan in 2010 de naam is gewijzigd in [BEDRIJF F] N.V. (hierna: [BEDRIJF F]), gevestigd op de Nederlandse Antillen. Tot 1 januari 2005 was [B] directeur van eiseres, daarna [BEDRIJF F]. 2.6. Vooruitlopend op de verkoop van de aandelen in eiseres aan [BEDRIJF D] is per 1 juli 2004 de vordering van [BEDRIJF B] (nadien [BEDRIJF D]) op [BEDRIJF C] ‘administratief afgesplitst’ en is een deel ter grootte van € 2.500.000 luidende in euro’s (in plaats van AWG) in de rekening-courant van eiseres met [BEDRIJF D] geboekt. Er is een op 9 december 2004 opgemaakte leenovereenkomst tussen [BEDRIJF D] en eiseres waarbij [BEDRIJF D] aan eiseres € 2.500.000 leent tegen een rente van 8% per jaar. Er is geen geldstroom geweest van eiseres naar [BEDRIJF C]. Er is wel een overeenkomst van geldlening van 19 juli 2004 tussen eiseres en [BEDRIJF C] waarbij [BEDRIJF C] erkent aan eiseres schuldig te zijn een bedrag van € 2.500.000 met een jaarlijkse rente van 10%. 2.7. De rekening-courant van eiseres met [BEDRIJF D] is per 1 juli 2004 voor een bedrag van € 2.500.000 gedebiteerd. 2.8. Middels hypotheekakte van 5 november 2004 verleent eiseres aan ING een hypotheek op [adres] voor een bedrag van € 3.360.000. 2.9. Bij de overeenkomst van geldlening van 9 december 2004 wordt de schuld van eiseres aan [BEDRIJF D] met ingang van deze datum verhoogd naar € 3.500.000 onder gelijk blijvende condities. 2.10. Op 27 december 2004 koopt eiseres van [BEDRIJF A] het bedrijfspand [adres] te Alkmaar (hierna: [adres]) voor een bedrag van € 931.000. De totale investering in het pand bedraagt circa € 990.000. Het pand wordt geleverd op 30 december 2004. Het pand is niet verhuurd. 2.11. Middels akte van bijpandstelling van 30 december 2004 verleent eiseres het recht van eerste hypotheek op [adres] aan ING bank. 2.12. Middels hypotheekakte van eveneens 30 december 2004 verleent eiseres het recht van tweede hypotheek op [adres] aan [BEDRIJF D] voor een bedrag van € 3.500.000. 2.13. In zijn brief van 15 februari 2010 aan verweerder schrijft [A] namens eiseres: “Aanwending geleend bedrag in 2004 van € 3.500.000 Op 19 juli werd een 10% lening van € 2.500.000 verstrekt aan [[BEDRIJF C]]. (….) (….) Ter beschikking gekomen middelen in 2004: Hypotheek per 1 juli [[BEDRIJF D]] 3.500.000 Ontvangen baten minus lasten 26.000 ING Bank (….) 2.363.000 5.889.000 Aangewend in 2004 voor: Investeringen 990.000 Aflossing [[BEDRIJF A]] 1.189.000 *) Vennootschapsbelasting 297.000 ING Bank, aflossing hypotheek 914.000 Lening [[BEDRIJF C]] 2.500.000 5.890.000 *) inclusief betaling dividend € 325.000” 2.14. Met betrekking tot het jaar 2004 heeft eiseres aangifte gedaan voor de VI naar een belastbaar bedrag van € 258.768. Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder het aangegeven belastbaar bedrag gecorrigeerd met de volgende bedragen: “Aangegeven belastbaar bedrag 2004 + € 258.768 Niet in geschil zijnde correctie: Huur pand [adres] + € 6.963 In geschil zijnde correctie: “Hypotheek” [[BEDRIJF D]] 8% x 2.500.000 (6 maanden) + € 100.000 “Hypotheek” [[BEDRIJF D]] 8% x 1.000.000 (22 dagen) + € 5.000 Kosten hypotheekakte en royementskosten + € 6.386 Belastbaar bedrag 2004 na bezwaar + € 377.117” 2.15. Met betrekking tot het jaar 2005 heeft eiseres aangifte gedaan voor de VI naar een belastbaar bedrag van -/- € 331.241. Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder het aangegeven belastbaar bedrag gecorrigeerd met de volgende bedragen: “Aangegeven belastbaar bedrag 2005 -/-€ 331.241 Niet in geschil zijnde correctie: Huur pand [adres] + € 9.830 In geschil zijnde correctie: Rente lening [[BEDRIJF D]]: - eerste deel van € 2.500.000; geen aftrek + € 200.000 - tweede deel van € 1.000.000; aftrek a 3,5% + € 45.000 rente belastingdienst + € 85 Belastbaar bedrag na bezwaar -/- € 76.326” 3. Geschil en standpunten van partijen 3.1. In geschil is of verweerder de aanslagen 2004 en 2005 tot het juiste bedrag heeft vastgesteld. Specifiek gaat het om de door verweerder aangebrachte correcties voor 2004 van € 111.386 en voor 2005 van € 245.085. 3.2. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vermindering van de aanslag 2004 tot een berekend naar een belastbaar bedrag van € 265.731, alsmede vermindering van de aanslag 2005 naar nihil en vaststelling van het verlies over 2005 op € 321.411. 3.3. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. 3.4. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken. 4. Beoordeling van het geschil 4.1. Het beroepschrift tegen de uitspraken op bezwaar van 30 oktober 2010 respectievelijk 6 november 2011, gedateerd 20 oktober 2010 is prematuur ingediend. Nu de motivering van de uitspraken op bezwaar als bijlage bij de brief van verweerder van 30 september 2010 is meegezonden, kon eiseres redelijkerwijs menen dat de uitspraken op bezwaar reeds tot stand waren gekomen (artikel 6:10 van de Algemene wet bestuursrecht). De rechtbank oordeelt dat niet-ontvankelijkverklaring van het beroep met betrekking tot de aanslagen 2004 en 2005 derhalve achterwege kan blijven. 4.2. In de jaren 2004 en 2005 is eiseres feitelijk op Aruba en in de Nederlandse Antillen gevestigd. Zij is aldaar belastingplichtig. Op grond van de Belastingregeling voor het Koninkrijk (hierna: BRK) is de belastingheffing over bepaalde Nederlandse vermogensbestanddelen en Nederlandse bronnen van inkomen toegewezen aan Nederland. In het onderhavige geval betreft dit het in Nederland gelegen onroerend goed dat op grond van artikel 4 BRK aan Nederland is toegewezen. Op grond van artikel 4, vierde lid, BRK wordt onroerend goed van een onderneming behandeld als een vaste inrichting waarop artikel 5, tweede en vierde lid van de BRK van toepassing is, de zogenoemde zelfstandigheidsfictie. Partijen gaan hier ook vanuit. Ook ter zake van de belastingheffing op grond van de Nederlandse nationale wet is geen verschil van mening. In haar aangiften voor de vennootschapsbelasting geeft eiseres haar volledige fiscale winst aan onder aftrek van het deel van de winst dat toerekenbaar is aan het hoofdhuis op Aruba c.q. de Nederlandse Antillen. Wat resteert is het resultaat van de VI in Nederland. 4.3. Over de aan de VI toe te rekenen baten zijn partijen het eens. Dit betreft de in die jaren ontvangen huur en, voor wat betreft de huur ter zake van [adres], de bij compromis nader vastgestelde huur. Ook over afschrijving en overige op het onroerend goed betrekking hebbende kosten is geen verschil van mening, zoals de financieringslasten ter zake van de aan de ING Bank verstrekte eerste hypotheek. Het geschil betreft de (hypotheek)rente verschuldigd aan [BEDRIJF D] en de kosten die verband houden met het vestigen van een tweede hypotheek ten behoeve van [BEDRIJF D]. 4.4. Artikel 23 BRK bepaalt dat schulden welke zijn verzekerd door een hypotheek op onroerende goederen, alsmede de rente over zodanige schulden, als negatieve bestanddelen van het vermogen respectievelijk inkomen, in aanmerking worden genomen in het land waar die onroerende goederen zijn gelegen. Kort samengevat komt het standpunt van eiseres er op neer dat de (hypotheek)schuld van € 3.500.000 aan [BEDRIJF D] als negatief vermogensbestanddeel moet worden toegerekend aan de VI en dat de uit dien hoofde verschuldigde rente en kosten hoe dan ook op grond van artikel 23 BRK aftrekbaar zijn. In reactie op het standpunt van verweerder stelt zij dat er zakelijke motieven ten grondslag liggen aan (het ontstaan van) deze schuld en de vestiging van de hypotheek. 4.5. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat, voorzover de rentelasten toerekenbaar zijn aan de VI, artikel 10d van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb) van toepassing is, hetgeen tot gevolg heeft dat voor het jaar 2004 € 101.596 en voor het jaar 2005 € 280.000 niet aftrekbaar is. Verweerder voegt daaraan toe dat artikel 23 BRK niet van toepassing is en indien dat wel het geval is, artikel 35a BRK dan eveneens van toepassing is. Subsidiair stelt verweerder dat een rente van 8% niet zakelijk is en dat dit slechts 3,5% zou moeten zijn en dat de rente over het deel van de lening van € 1.000.000 in geen geval aftrekbaar kan zijn vóór 30 december 2004, nu pas op die datum de hypotheek is gevestigd. 4.6. Hoewel eiseres uitgaat van een totale schuld van € 3.500.000 aan [BEDRIJF D] en stelt dat de rente over die schuld aftrekbaar is, wordt door beide partijen onderscheid gemaakt tussen de aanvankelijke schuld van € 2.500.000 en de latere schuld van € 1.000.000 aan [BEDRIJF D]. De rechtbank zal hierna op beide leningen ingaan. Lening van € 2.500.000 4.7. Allereerst dient de rechtbank te onderzoeken de meest verstrekkende standpunten, namelijk de vraag of er bij de VI recht bestaat op de aftrek van rente over deze schuld van € 2.500.000. De VI bestaat uit het in Nederland gelegen onroerend goed. Artikel 5, tweede lid, BRK heeft tot gevolg dat de aan de VI toe te rekenen winst dient te worden gesteld op de winst welke met de VI zou zijn behaald indien zij een onafhankelijke onderneming zou zijn. Anders dan eisers meent, staat de toewijzing ex artikel 23 BRK aan Nederland van de door hypotheek verzekerde schuld en de daarmee samenhangende rente, er niet aan in de weg dat de aftrek van die rente wordt beperkt door de uitwerking van de zelfstandigheidsfictie. Artikel 5, tweede lid van het BRK is immers uitdrukkelijk van toepassing verklaard bij het bepalen van de inkomsten uit onroerend zaken welke deel uitmaken van de winst van een onderneming, hetgeen in casu het geval is. 4.8. Nu op de balansdata 31 december 2004 en 31 december 2005 de onroerende zaken in de VI zijn verhypothekeerd voor onder andere deze schuld van € 2.500.000 is het in beginsel aan verweerder feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat de zelfstandigheidsfictie meebrengt dat de rente niet als negatief inkomensbestanddeel in mindering kan worden gebracht op de winst van deze VI. Hoewel verweerder een en ander in een ander juridisch vat heeft gegoten, is aannemelijk geworden dat de rente niet mag worden afgetrokken. Vast staat immers dat per 1 juli 2004 eiseres een deel van de vordering op [BEDRIJF C] voor een bedrag van € 2.500.000 heeft overgenomen van [BEDRIJF D]. Eveneens staat vast dat eiseres op dezelfde datum een schuld is aangegaan met [BEDRIJF D]. Op dat moment was eiseres reeds eigenaar van de [adres] en de [adres]. Gesteld noch gebleken is dat het vestigen van de hypothecaire zekerheid op 30 december 2004 voor dit deel van de schuld ad € 2.500.000 verband houdt met de (her)financiering van onroerend goed in Nederland. Bovendien beschikte eiseres op 31 december 2003 over aanzienlijke liquide middelen zodat het onduidelijk is welke verbanden er zijn tussen de schulden van eiseres en haar vermogensbestanddelen. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het veeleer voor de hand aan te nemen dat de € 2.500.000 is aangewend om de vordering op [BEDRIJF C] over te nemen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de bedragen (in euro’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.