RECHTBANK HAARLEM Sector bestuursrecht zaaknummer: AWB 11 - 5257 uitspraak van de meervoudige kamer van 2 juli 2012 in de zaak van: [naam eiser], wonende te [woonplaats], eiser, gemachtigde: mr. G.A.M. Verschuren, werkzaam bij de Algemene Onderwijsbond, tegen: de voorzitter van het college van bestuur van de Stichting [naam], verweerder, gemachtigde: mr. V.G.A. Kellenaar, Leeuwendaal juristen. 1. Procesverloop Bij besluit van 19 april 2011 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat eiser wordt geschorst voor maximaal vier weken, waarbij hem de toegang tot een viertal scholen wordt ontzegd. Bij besluit van 25 mei 2011 is de schorsing verlengd met vier weken voor wat betreft de school [naam school 1]. Bij besluit van 15 juni 2011 heeft verweerder aan eiser een schriftelijke berisping gegeven, waarbij een niet-vrijblijvend coachingstraject is aangekondigd. Tegen deze besluiten heeft eiser bezwaar gemaakt. Bij besluit op bezwaar van 13 september 2011 heeft verweerder de schorsingen gehandhaafd en de berisping omgezet in een voorwaardelijke berisping met een proeftijd van twee jaar. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld. Bij besluit van 7 september 2011 heeft verweerder eiser (gedeeltelijk) overgeplaatst en is zijn akte van aanstelling per 6 september 2011 gewijzigd. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt, waarbij hij heeft verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep. Verweerder heeft hiermee ingestemd, waarna ook de rechtbank heeft ingestemd met het rechtstreeks beroep. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend. De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 22 mei 2012, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder werd vertegenwoordigd door mr. V.G.A. Kellenaar en [naam], clusterdirecteur bij de Stichting [naam]. 2. Overwegingen 2.1 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser is sinds 34 jaar bij verweerder werkzaam in vaste dienst, als leraar lichamelijke opvoeding. Op grond van zijn akte van aanstelling was hij werkzaam op de openbare basisscholen [naam school 2], [naam school 3], [naam school 1] en [naam school 4]. Op of rond 15 april 2011 heeft verweerder een klacht ontvangen van een ouder over eisers optreden tijdens de gymles van 11 april 2011 op [naam school 1]. De klacht had betrekking op het door eiser hardhandig beetpakken van een leerling en seksuele intimidatie. Aan eiser is vervolgens bij besluit van 19 april 2011 een ordemaatregel opgelegd inhoudende dat hij voor een periode van maximaal vier weken geschorst werd voor alle vier de basisscholen. Op 26 april 2011 is in een gesprek aan eiser meegedeeld dat hij niet schuldig werd geacht aan seksuele intimidatie. De schorsing is op 25 mei 2011 verlengd met een periode van vier weken voor alleen [naam school 1]. Eiser is vervolgens schriftelijk berispt als disciplinaire maatregel en er is aan hem een coachingstraject opgelegd. Verweerder stelt daarbij dat sprake is van plichtsverzuim in verband met het hardhandig beetpakken van een leerling bij de revers van zijn jas. De schriftelijke berisping is in bezwaar omgezet in een voorwaardelijke berisping met een proeftijd van twee jaar. Voorts heeft verweerder besloten eiser over te plaatsen door zijn werkzaamheden bij [naam school 1] te beëindigen en hem in gelijke mate extra te werk te stellen aan de [naam school 3]. Zijn akte van aanstelling is in die zin aangepast dat eiser thans nog werkzaam is bij [naam school 3], [naam school 4] en [naam school 2]. 2.2 Tussen partijen staat vast dat er geen enkele grond is om aan te nemen dat sprake is geweest van seksuele intimidatie door eiser. Ten aanzien van de schorsing op 19 april 2011. 2.3 Eiser is het niet eens met de schorsing. Verweerder heeft in het bestreden besluit volgens hem niet gemotiveerd waarom de schorsing in het belang van de instelling dringend noodzakelijk was. Bovendien vindt eiser dat verweerder dit per school afzonderlijk had moeten motiveren. Er heeft geen kenbare belangenafweging plaatsgevonden. Verweerder heeft niet duidelijk gemaakt welk onderzoek gedaan moest worden in zijn afwezigheid, terwijl niet is gesteld dat de aanwezigheid van eiser op school een onderzoek zou frustreren. Verweerder heeft eiser ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld conform artikel 4.12, tweede lid, van de CAO op het primair onderwijs (hierna: CAO PO) zijn zienswijze kenbaar te maken. Bovendien had verweerder aan eiser kunnen vragen vrijwillig afwezig te zijn. 2.4 Verweerder stelt zich op het standpunt dat de klacht over hardhandig optreden door eiser – en aanvankelijk ook over seksuele intimidatie – voldoende reden is om een schorsing als ordemaatregel op te leggen, zodat het waarheidsgehalte van de klacht kon worden onderzocht en de rust op scholen bewaard kon blijven. Eiser is ervan op de hoogte gesteld dat dit de reden was van het besluit. Voorts vindt verweerder dat er wel voldoende rekening is gehouden met eisers belangen, door na de klacht onderzoek te verrichten en hoor en wederhoor toe te passen. Hierdoor is duidelijk geworden dat alleen sprake was van fysieke intimidatie en niet van seksuele intimidatie. Eiser is in dat verband in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze te geven en eiser heeft dit ook op papier gezet voor het gesprek van 18 april 2011. Uit zijn aard is de aanwezigheid op het werk van een wegens intimidatie aangeklaagde werknemer belemmerend voor een onderzoek naar dit gedrag. De dringende noodzakelijkheid van de schorsing is gelegen in het onderzoek naar fysieke intimidatie en oorspronkelijk ook het onderzoek naar seksuele intimidatie. De vrees voor escalatie, nog meer klachten, onjuiste beeldvorming en verlies van leerlingen is een dwingend belang als hier bedoeld. De commotie was ook ontstaan buiten [naam school 1], zodat de eerste schorsing voor de vier scholen gerechtvaardigd was, aldus verweerder. 2.5 Artikel 4.12, eerste lid, van de CAO PO bepaalt dat de werknemer kan worden geschorst, indien het belang van de instelling dit dringend noodzakelijk vereist voor een periode van maximaal vier weken, welke periode met maximaal vier weken kan worden verlengd. In het tweede lid is bepaald dat voordat tot schorsing als bedoeld in het eerste lid wordt overgegaan, de werknemer in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken. Een besluit tot schorsing wordt vervolgens zo spoedig mogelijk daarna doch uiterlijk binnen drie dagen schriftelijk aan de werknemer kenbaar gemaakt, waarbij de zienswijze van de werknemer in het schorsingsbesluit wordt opgenomen. 2.6 De bevoegdheid tot schorsing is een discretionaire bevoegdheid. Het bevoegd gezag kan schorsen en heeft hierin een zekere beleidsvrijheid. Er dient een belangenafweging te worden gemaakt tussen het belang van de dienst en het belang van de ambtenaar in kwestie. Deze belangenafweging wordt getoetst aan artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarbij geldt dat de feiten en omstandigheden ten tijde van het nemen van het schorsingsbesluit niet onomstotelijk vast hoeven te staan. Het is voldoende als de informatie waarop men zich baseert zodanig is dat een maatregel nodig is en de informatie op het eerste gezicht niet onjuist is (CRvB 26 mei 2004, TAR 2004/130). In het onderhavige geval heeft er op 11 april 2011 een incident plaatsgevonden. In eerste instantie was er sprake van een mondelinge klacht over het gedrag van eiser ten opzichte van een leerling. Daarna kwam een schriftelijke klacht van de betrokken ouder, die tevens aangaf van plan te zijn om aangifte te doen bij de politie. Ook zijn er mondelinge opmerkingen van een andere ouder ontvangen, heeft de leerkracht van groep 7/8 een schriftelijke verklaring gegeven over haar bevindingen en is er een verslag gemaakt van verklaringen van kinderen uit groep 7/8. Eiser heeft zelf ook een verklaring gegeven over hetgeen gebeurd was. Geoordeeld wordt dan ook dat er op 19 april 2011 voldoende feitelijke grondslag was voor de aan eiser opgelegde schorsing, terwijl gelet op de aard van de klacht (fysieke en seksuele intimidatie), alsmede de impact van het gebeurde op school, verweerder in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot schorsing gebruik kon maken, ook ten aanzien van de andere drie scholen. 2.7 De rechtbank volgt eiser evenmin in zijn stelling dat hij niet in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze op de schorsing te geven. Verweerder heeft op 15 april 2011 aan eiser laten weten voornemens te zijn hem te schorsen. Vervolgens heeft eiser zijn versie van het gebeurde op papier gezet en blijkens het gespreksverslag van 18 april 2011 is eisers zienswijze besproken, waarna op 19 april 2011 het officiële besluit tot schorsing is genomen. 2.8 Wel is de rechtbank van oordeel dat de opgelegde schorsing onnodig lang geduurd heeft. Immers, ingevolge artikel 4.12, eerste lid, van de CAO PO kan de schorsing voor een periode van maximaal vier weken worden opgelegd. In dit geval derhalve uiterlijk tot 17 mei 2011. Verweerder heeft het besluit tot verlenging van de schorsing echter pas genomen op 25 mei 2011, zodat de eerste schorsing in strijd met de CAO PO te lang heeft voortgeduurd. Dat er een meivakantie tussendoor kwam, maakt dit niet anders. Ten aanzien van de verlenging van de schorsing op 25 mei 2011. 2.9 Eiser is het voorts niet eens met de verlenging van de schorsing voor [naam school 1]. Eiser bestrijdt dat sprake was van een escalerende situatie. Ook was het onderzoek al afgerond en heeft verweerder niet aangegeven wat er nog meer onderzocht moest worden, waardoor verdere afwezigheid van eiser op school noodzakelijk was. Voorts is eiser ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze te geven ten aanzien van de verlenging van de schorsing. 2.10 Verweerder stelt zich op het standpunt dat verlenging van de schorsing noodzakelijk was, om escalatie van de situatie op [naam school 1] te voorkomen. Verweerder heeft hiertoe aangevoerd dat de betrokken ouder, alsmede de kring ouders om haar heen dermate boos was, dat dit voor erg veel commotie zorgde. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de CAO PO geen verplichting kent om eiser voorafgaand aan het besluit tot verlenging zijn zienswijze te laten geven. 2.11 De rechtbank stelt op basis van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting vast dat verweerder het onderzoek naar hetgeen was voorgevallen, eind april al had afgerond. Immers, daarna hebben geen onderzoekshandelingen meer plaatsgevonden. Verder was in ieder geval op 26 april 2011 voor verweerder duidelijk dat geen sprake was van seksuele intimidatie. Bovendien heeft verweerder tot de verlenging op 25 mei 2011 (maar ook tot, aansluitend bij r.o. 2.8, 17 mei 2011) genoeg tijd gehad om de onderzoeksbevindingen op een rij te zetten, hetgeen volgens verweerder nodig was. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot verlenging van de schorsing voor [naam school 1], nu verweerder geen blijk heeft gegeven van een zorgvuldige belangenafweging. Weliswaar is sprake geweest van het beetpakken van een leerling, maar dit feit was niet zodanig ernstig (verweerder heeft eiser hiervoor later ook alleen een (voorwaardelijke) schriftelijke berisping opgelegd), dat vanwege dit incident in het belang van de school een verstrekkende maatregel als verdere verlenging van de schorsing op 25 mei 2011 nog noodzakelijk was. De enkele stelling van verweerder dat sprake was van commotie van de zijde van de betrokken ouder en het kringetje ouders daaromheen is onvoldoende voor een verlenging van de schorsing, te meer nu verweerder niet duidelijk heeft kunnen maken welke stappen zijn ondernomen om de ontstane commotie te de-escaleren. Uit de gedingstukken blijkt bovendien dat er geen sprake was van commotie onder eisers collega’s of dat sprake was van een conflictsituatie met de directie. Nu vooral sprake was van commotie van de zijde van de ouder en er sprake was van een kleine gemeenschap waar verhalen de ronde gingen, had het op de weg van verweerder gelegen om eiser te steunen tegenover de ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.