ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE LEEUWARDEN meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken ======================================================== Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht ======================================================== Reg.nrs.: 97/40 WET 97/41 WET 97/42 WET 97/44 WET 97/45 WET Inzake de gedingen tussen
- Landelijke Vereniging tot Behoud van de Waddenzee (verkort: de Waddenvereniging), statutair gevestigd te Harlingen;
- Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Vogels, statutair gevestigd te Zeist;
- Stichting Natuur en Milieu, statutair gevestigd te Utrecht;
- Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland, statutair gevestigd te 's Graveland;
- Stichting Het Wereld Natuur Fonds - Nederland, statutair gevestigd te Zeist;
- Stichting Greenpeace Nederland, statutair gevestigd te Amsterdam;
- Stichting Friese Milieufederatie, statutair gevestigd te Leeuwarden;
- Stichting Federatief Overleg voor Natuur-, Landschaps- en Milieubeheer in de Provincie Groningen, statutair gevestigd te Groningen;
- Vereniging Milieufederatie Noord-Holland, statutair gevestigd te Bergen;
- Stichting Duinbehoud, statutair gevestigd te Leiden, eisers, gemachtigde: mr. J. Veltman, werkzaam in dienst van de Waddenvereniging, en de minister van Economische Zaken, verweerder, gemachtigde: mr. E.J. Daalder, advocaat te Den Haag. 1 Procesverloop Eisers hebben op 2 januari 1997 beroep aangetekend (aangevuld bij brief met bijlagen van 14 maart 1997) tegen vijf beslissingen op bezwaar van 25 november
- In deze besluiten heeft verweerder de bezwaren van eisers deels gegrond en deels ongegrond verklaard en -onder herroeping van de primaire besluiten van 26 februari 1996- aan de besloten vennootschap Nederlandse Aardoliemaatschappij B.V. (NAM) onder het stellen van voorschriften goedkeuring verleend voor het verrichten van proefboringen naar aardgas in de Noordzeekustzone op de locaties Ballonplaat A (beroep met reg.nr. 97/40 WET), Plaatgat A (97/42 WET), Pinkegat A (97/44 WET) en Huibertplaat D (97/45 WET) en de locatie Ballum A op Ameland (97/41 WET). Deze goedkeuringsbesluiten worden hierna aangeduid als 'locatiebesluiten'. Verweerder heeft de op de gedingen betrekking hebbende stukken ter griffie ingezonden en verweerschriften ingediend. Namens eisers en de NAM, die als derde-belanghebbende aan de gedingen deelneemt, zijn nadere stukken ingezonden. Afschriften van de gedingstukken zijn aan partijen toegezonden. Bij verzoekschrift van 4 maart 1997 hebben eisers de president van de rechtbank verzocht de locatiebesluiten voor de Noordzeekustzone bij wege van voorlopige voorziening op grond van art. 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb) te schorsen. Bij uitspraak van 28 april 1997 heeft de president de goedkeuringsbesluiten voor de locaties Pinkegat, Plaatgat, Huibertplaat en Ballonplaat geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de uitspraak van de rechtbank in de hoofdzaken. In het kader van het vooronderzoek en de behandeling van het verzoek van 4 maart 1997 is verweerder verzocht een aantal nadere stukken in te zenden. Bij brief van 27 maart 1997 heeft verweerder de rechtbank verzocht om de integrale kennisname van het Plan van Gasafzet 1996 van de NV Nederlands Gasunie aan eisers te onthouden, zulks op grond van art. 8:29 Awb. Verweerder heeft dit verzoek nader onderbouwd in een schrijven van 30 juni 1997, waarin is aangegeven dat dit plan bedrijfsgegevens bevat die vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld. Op verzoek van de rechtbank heeft verweerder bij schrijven van 10 oktober 1997 aangegeven welke bedrijfsgegevens uit het integrale Plan van Gasafzet 1996 dermate gevoelig zijn, dat openbaarmaking daarvan de belangen van de Gasunie zou kunnen schaden. De rechtbank heeft op het verzoek beslist bij beschikking van 19 november 1997, waarin is bepaald dat eisers slechts beperkt kennis mogen nemen van het door verweerder overgelegde Plan van Gasafzet
- Deze tussenbeslissing is aan deze uitspraak gehecht. Op 10 juni 1997 heeft de rechtbank de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB) te Den Haag benoemd tot deskundige als bedoeld in art. 8:47 Awb om terzake van het aan de bestreden besluiten ten grondslag liggende milieu-effectrapport "Proefboringen naar aardgas in de Noordzeekustzone en op Ameland" (hierna: het MER) een onderzoek in te stellen. In de opdracht aan StAB heeft de rechtbank verzocht advies uit te brengen met betrekking tot de vraag in hoeverre het MER en de aanvullingen daarop voldoen aan de ter zake relevante bepalingen van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm), waarvan in het bijzonder de artikelen 7.10, 7.27 lid 2 en 7.
- Tevens is de StAB verzocht om aandacht te besteden aan de vraag in hoeverre het MER aan de daarvoor opgestelde richtlijnen voldoet. Eisers hebben de president op 13 augustus 1997 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van het locatiebesluit Ballum. Het verzoek is behandeld ter zitting van 22 september
- De president heeft bij uitspraak van 21 oktober 1997 het verzoek toegewezen, in die zin, dat het locatiebesluit voor Ballum wordt geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de uitspraak van de rechtbank in de hoofdzaken. De StAB heeft op 16 oktober 1997 verslag uitgebracht van haar bevindingen en conclusies. Op verzoek van de rechtbank heeft de StAB op 11 december 1997 een aanvullende notitie ingezonden. Het StAB-rapport van 16 oktober 1997 (met bijlagen) en de aanvullende notitie zijn toegezonden aan partijen, die vervolgens daarop hun zienswijze hebben gegeven. Verweerder heeft op 15 december 1997 het rapport "Proefboringen in de Noordzeekustzone en de Waddenzee; nadere onderbouwing voor besluitvorming" in het geding gebracht (hierna: de Nadere onderbouwing), alsmede een notitie van W. Meijer en prof.dr.mr. J. Witsen. Als bijlage bij deze stukken bevindt zich een op 31 juli 1997 gedateerd rapport, genaamd "Een verkenning van de leemten in kennis gesignaleerd door de commissie MER met betrekking tot de door de NAM voorgenomen proefboringen naar aardgas in de Noordzee kustzone" (hierna: het Leemtenrapport), opgesteld door het Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ) en het Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek (IBN-DLO). Eisers en de NAM hebben een schriftelijke reactie op deze stukken ingezonden. Namens de NAM is op 19 januari 1998 een rapport in het geding gebracht, genaamd "Monitoring proefboringen Noordzeekustzone" (hierna: het Monitoringsrapport). In dit rapport wordt verslag gedaan van het monitoringsonderzoek dat is verricht in de periode februari tot december 1997 naar de uitvoering van een proefboring op de locatie N07, circa 1600 m. ten noordwesten van de locatie Pinkegat. Het Monitoringsrapport is voor commentaar toegezonden aan de andere partijen, van welke gelegenheid alleen door eisers gebruik gemaakt is. Bij brief van 23 januari 1998 heeft de rechtbank de reacties van partijen op het StAB-rapport van 16 oktober 1997 alsmede een aantal nadere vragen, voorgelegd aan de StAB. Op 3 maart 1998 heeft de StAB een nader rapport uitgebracht. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun zienswijze omtrent dit nadere rapport kenbaar te maken. Alleen eisers hebben hiervan gebruik gemaakt. Gelet op het bepaalde in art. 8:29 lid 5 Awb heeft de rechtbank de NAM en eisers bij schrijven van 3 maart 1998 verzocht aan te geven of zij de rechtbank toestemming verlenen om mede op grond van het gedeelte van het Plan van Gasafzet 1996 waarvan de kennisneming aan eisers is onthouden, uitspraak te doen. Bedoelde toestemming is door eisers verleend, maar door de NAM geweigerd. Op 6 maart 1998 heeft de rechtbank het Monitoringsrapport alsmede eisers commentaar daarop aan de StAB toegezonden. De rechtbank heeft de StAB verzocht om het Monitoringsrapport te beoordelen en daarover te adviseren. Op 1 april 1998 heeft de StAB hieromtrent gerapporteerd. Alleen door de NAM is een zienswijze op dit rapport ingezonden. Bij brief van 16 maart 1998, ingekomen op 31 maart 1998, hebben de verenigingen met beperkte rechtsbevoegdheid Toekomst en Opbouw Federatie te Delft en de Toekomst en Opbouw Vereniging Orion Alfa te Vlissingen de rechtbank verzocht om hen op grond van art. 8:26 Awb als derde-belanghebbende aan de gedingen te laten deelnemen. De rechtbank heeft deze verzoeken bij beschikking van 10 april 1998 afgewezen. Deze tussenbeslissing is aan deze uitspraak gehecht. De rechtbank heeft op 6 mei 1998 bij de gemeente Ameland ambtshalve enige stukken opgevraagd met betrekking tot het bestemmingsplan "Buitengebied". Partijen en de StAB zijn ambtshalve opgeroepen om ter zitting te verschijnen. De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de rechtbank, meervoudige kamer, gehouden op 18 en 19 mei
- Eisers hebben zich ter zitting doen vertegenwoordigen door hun gemachtigden mr. J. Veltman, jurist van de Waddenvereniging, drs. A. Woudstra en drs. M. Engelmoer, ecologen in dienst van de Waddenvereniging en drs. J.G.A. van Zoest. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de gemachtigden mr. E.J. Daalder en mr. H.J.M. Besselink, advocaten te Den Haag, mr. C.H. Dolk, werkzaam bij de Directie Wetgeving en andere Juridische Aangelegenheden van het ministerie van Economische Zaken, drs. G.J. Lankhorst, directeur Olie en Gas bij het Directoraat-Generaal voor Energie van het ministerie van Economische Zaken, mr. R.Th.A. Hillen en drs. H.M. de Bliek, werkzaam bij het Directoraat-Generaal voor Energie, ing. J. Heeres, geluidsdeskundige bij het Staatstoezicht op de Mijnen en dr. J. Vlas, bioloog bij het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, directie Noord. Tevens zijn verschenen van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer mr. E.P. Koorstra, werkzaam bij de Centrale Directie Juridische Zaken, mr. C.W. Poorta, beleidsmedewerker bij het Directoraat-Generaal Milieubeheer en mr. S. Pieters, medewerker bij de Commissie voor de milieu-effectrapportage. Van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij is verschenen mr. S.H.G. van Zanten, werkzaam bij de Directie Juridische Zaken. De NAM is verschenen bij gemachtigden mr. G.C.W. Baron van der Feltz en mr. W.J.B. Claasens-Dales, advocaten te Den Haag. Tevens zijn verschenen drs. B. Polkamp, werkzaam als Legal Manager in dienst van de NAM, ing. J. Zeilemaker, werkzaam op de afdeling juridische zaken van de NAM, drs. J.J. Verburgh, projectleider van de NAM voor de proefboringen in de Noordzeekustzone en op Ameland en dr. H.J. Lindeboom, bioloog en hoofd van de afdeling Marine Ecologie van het NIOZ. 2 Motivering 2.1 Inleiding De rechtbank zal in de eerste plaats een korte schets geven van de voorgeschiedenis waarbij in de tekst zoveel mogelijk aansluiting is gezocht bij de formulering van de stukken waarnaar wordt verwezen. Vervolgens wordt in het kader van de inleiding kort ingegaan op de inhoud van de bestreden besluiten, het juridisch kader waaraan de besluiten moeten worden getoetst en de feiten voor zover die van belang zijn in de onderhavige procedures. Ten slotte worden de belangrijkste rechtsvragen opgesomd. In hetgeen daarna volgt zal de rechtbank de rechtmatigheid van de bestreden besluiten beoordelen. Ter wille van de leesbaarheid is in deze uitspraak afgezien van het opnemen van uitgebreide verwijzingen naar de vindplaatsen in de gedingstukken van standpunten van partijen. 2.1.1 Voorgeschiedenis De NAM is houder van de bij Koninklijk Besluit (KB) verleende concessie 'Groningen' (KB 30 mei 1963, nr. 39, Stcrt. 126) en mede-houder (tezamen met Mobil) van de concessie 'Noord-Friesland' (KB 17 februari 1969, nr. 32, Stcrt. 47). Vanaf 1 september 1994 geldt dat de NAM voor het uitvoeren van proefboringen in het Waddengebied van te voren goedkeuring van de minister van Economische Zaken nodig heeft. Voor een dergelijk goedkeuringsbesluit (locatiebesluit) is het opstellen van een milieu-effectrapport verplicht (zie ook hierna onder 2.2.3.1). Onder Waddengebied wordt in dit verband verstaan: de Waddenzee inclusief de eilanden en de Noordzeekustzone. In de periode van januari 1984 tot januari 1994 gold tussen het kabinet en de mijnbouwmaatschappijen de afspraak dat in het gebied waarvoor de planologische kernbeslissing Waddenzee (hierna: PKB-Waddenzee) geldt, geen boor- of produktieactiviteiten zouden worden verricht ('het moratorium'). Het streven van het rijk was uit een oogpunt van natuurbehoud gericht op voortzetting van het moratorium. Dit blijkt onder meer uit het Natuurbeleidsplan, de integrale herziening van de PKB-Waddenzee 1993 (Kamerstukken II 1992/93, 22 605, nr. 34) en de zesde internationale Waddenconferentie 1991 te Esbjerg. De mijnbouwmaatschappijen, dat wil zeggen: de houders van concessies in het Waddengebied (NAM, Mobil en Elf Petroland), waren echter tegen verlenging van het moratorium. Op grond van de aan hen verleende concessies komt deze maatschappijen het eigendomsrecht op de diepe delfstoffen toe en zij verwachten een substantile hoeveelheid gas in de diepe ondergrond van de Waddenzee en de Noordzeekustzone (circa 75 tot 220 mld. m3) aan te treffen. Vervolgens is de Stuurgroep Mijnbouwactiviteiten in de Waddenzee ingesteld, die als taak had de aan gaswinning in het PKB-Waddenzeegebied verbonden aspecten te inventariseren. De stuurgroep bestond uit vertegenwoordigers van de concessionarissen en ambtenaren van de ministeries van Economische Zaken (EZ), Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM), Verkeer en Waterstaat (V&W) en Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV). In het in oktober 1993 verschenen rapport van deze stuurgroep (het Stuurgroeprapport) wordt een beschrijving gegeven van de door de mijnbouwmaatschappijen voorgestelde activiteiten en wordt een eerste inventarisatie van de te verwachten effecten gemaakt. In het Stuurgroeprapport wordt ook ingegaan op de consequenties van het niet winnen van het Waddengas, waarbij ook op de financiële consequenties daarvan wordt ingegaan. Onder Waddengas wordt verstaan: het gas dat zich in de diepe ondergrond van het gehele Waddengebied bevindt. Het Stuurgroeprapport is onderwerp geweest van bestuurlijk overleg en ter advisering voorgelegd aan onder meer de Waddenadviesraad en de Natuurbeschermingsraad. Het Coördinatiecollege Waddengebied (bestuurlijk overleg van de Waddenprovincies, eilandgemeenten en vastelandgemeenten grenzend aan de Waddenzee; advies van 8 november 1993) was van mening dat het Stuurgroeprapport nog te veel vragen onbeantwoord laat en dat daarom aanvullend onderzoek nodig was. De Waddenadviesraad (advies van 5 november 1993) achtte nieuwe mijnbouwactiviteiten in de Waddenzee en op de eilanden vanuit het oogpunt van nationale energievoorziening niet noodzakelijk vóór het jaar
- De Natuurbeschermingsraad (advies van 11 november 1993) wijst exploratie- en exploitatieboringen in het Waddengebied af. In de partiële herziening van de PKB-Waddenzee voor het onderdeel mijnbouwactiviteiten (Kamerstukken II 1993/94, 23 546, nr. 6, p. 3) is de inhoud vastgelegd van de tussen de regering en de mijnbouwmaatschappijen op grond van het Stuurgroeprapport bereikte overeenstemming. In de partiële herziening van de PKB-Waddenzee is onder meer opgenomen dat het is toegestaan exploratieboringen te verrichten binnen de in concessie uitgegeven delen van het PKB-Waddenzeegebied, indien de mijnbouwmaatschappijen kunnen aantonen dat redelijkerwijs aannemelijk is dat eventuele gasvoorkomens van buiten het PKB-Waddenzeegebied gexploiteerd kunnen worden. De winning van het Waddengas zal dienen plaats te vinden met behulp van produktie-installaties buiten het PKB-Waddenzeegebied zelf, behalve vanaf het bestaande produktieplatform in de concessie Zuidwal. Het kabinet was -gehoord de adviezen en reacties- van mening dat, mede gezien de verworven rechten van de mijnbouwmaatschappijen, niet alle mijnbouwactiviteiten op voorhand behoeven te worden uitgesloten, hoewel er een duidelijke spanning bestaat tussen activiteiten rond opsporing en winning van diepe delfstoffen en de hoofddoelstelling voor de Waddenzee, te weten: duurzame bescherming en ontwikkeling van de Waddenzee als natuurgebied. In de afweging van het kabinet speelde onder meer een rol dat het opsporen en ontwikkelen van nieuwe gasvelden één van de speerpunten van het kabinetsbeleid is geweest. Dit zogenaamde 'kleine veldenbeleid' beoogt voorrang te verlenen aan de produktie uit deze velden, waarbij het Groningenveld (het gasveld bij Slochteren) wordt ingezet als balansveld tussen de afzet en de produktie uit velden buiten Groningen. Dit beleid heeft ertoe geleid dat tot nu toe 275 velden buiten Groningen zijn aangetoond met een reserve van circa 1200 mld. m3 gas. Het bij voorrang ontwikkelen van de kleine velden, waaronder ook de voorraden onder het Waddengebied gerekend worden, heeft tot gevolg dat het Groningenveld langer kan worden gespaard, waardoor het langer zijn essentile funktie in de gasvoorziening kan behouden. Indien de voorraden onder het Waddengebied niet beschikbaar komen heeft dat gevolgen voor de binnenlandse markt en voor de exportverplichtingen. In het planning van de Gasunie is rekening gehouden met het beschikbaar komen van het Waddengas. Volgens het kabinet zal niet meer aan de exportverplichtingen voldaan kunnen worden als het Waddengas niet wordt gewonnen. In januari 1995 is het Plan van Aanpak Mijnbouwactiviteiten Waddenzee (hierna: Plan van Aanpak) vastgesteld. Het Plan van Aanpak is ondertekend door de ministers van EZ en VROM en door vertegenwoordigers van de NAM, Elf Petroland en Mobil. In het Plan van Aanpak is vermeld dat het is te beschouwen als een uitwerking van de met de mijnbouwmaatschappijen overeengekomen voorwaarden waaronder exploratie- en exploitatie-activiteiten mogen plaatsvinden. Met de opstelling van het Plan van Aanpak is beoogd om jegens derden duidelijkheid te scheppen over de voorwaarden waaronder naar gas mag worden geboord in en om de Waddenzee en over de nadere afspraken die daaromtrent worden gemaakt. Het Plan van Aanpak concentreert zich op de exploratiefase en bevat onder meer de afspraak dat voor de proefboringen in de Noordzeekustzone en op Ameland één milieu-effectrapport opgesteld zal worden. De proefboringen die gepland zijn in het oostelijk deel van de Waddenzee zullen het voorwerp van onderzoek zijn in een afzonderlijk milieu-effectrapport. De bestreden besluiten De bestreden locatiebesluiten, die zijn genomen na de heroverweging in de bezwaarprocedure, houden kort samengevat het volgende in. De proefboringen op de locaties Pinkegat, Plaatgat, Ballonplaat en Huibertplaat mogen uitsluitend worden verricht in de periode van 1 mei tot 1 oktober. Deze boringen mogen niet tegelijkertijd plaatsvinden, hetgeen neerkomt op maximaal één proefboring per jaar in de Noordzeekustzone. De proefboring op de locatie Ballum (Ameland) mag uitsluitend worden verricht in de periode van 15 oktober tot 15 februari. Aan de locatiebesluiten zijn diverse voorschriften verbonden, onder andere ter bescherming van het milieu. 2.1.3 Juridisch kader De bestreden besluiten dienen in de eerste plaats te voldoen aan de bepalingen uit Nederlandse wetten, waarvan met name genoemd kunnen worden de Wet milieubeheer (Wm) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Van de Wm zijn met name de bepalingen van hoofdstuk 7 (Milieu-effectrapportage) van belang. Daarin is neergelegd welke procedure een milieu-effectrapport (MER) dient te doorlopen en waaraan het MER inhoudelijk onder meer dient te voldoen. Voorts zijn in dit hoofdstuk opgenomen de artikelen die voorschrijven aan welke vereisten het besluit ten behoeve waarvan een MER is opgesteld, dient te voldoen. Ten slotte bevat hoofdstuk 7 Wm enige bepalingen over de evaluatie van de milieugevolgen van een activiteit die is toegestaan op grond van een MER-plichtig besluit. Verweerder heeft in de bestreden besluiten aangegeven dat hij bij de afweging of hij van zijn goedkeuringsbevoegdheid gebruik zou maken, acht heeft geslagen op onder meer het Structuurschema Groene Ruimte (SGR), de partiële herziening van de PKB-Waddenzee, het Eems-Dollardverdrag en de Habitatrichtlijn. Door eisers is er op gewezen dat ook de Vogelrichtlijn van toepassing is. In het SGR (Kamerstukken II 1993/94, 22 880, nr. 39) zijn beleidsuitspraken opgenomen met het oog op een duurzame ontwikkeling en een verantwoord toekomstig ruimtegebruik in het landelijk gebied. Het beleid voor de ecologische hoofdstructuur (EHS) heeft ten doel te waarborgen dat de natuurwaarden in kerngebieden duurzaam in stand gehouden kunnen worden en dat de natuurwaarden in natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones kunnen worden gerealiseerd. Als beslissing van wezenlijk belang in de zin van art. 3 lid 2 Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (BRO) is opgenomen de beleidsuitspraak dat het rijksbeleid ingrepen en ontwikkelingen in kerngebieden niet toestaat als daarbij de wezenlijke kenmerken of waarden van dat gebied worden aangetast. Alleen bij een zwaarwegend maatschappelijk belang kan hiervan worden afgeweken. De hoofddoelstelling van de PKB-Waddenzee is de duurzame bescherming en ontwikkeling van de Waddenzee als natuurgebied. In het afwegingskader dat van toepassing is op voorgenomen menselijke activiteiten is onder meer opgenomen dat, indien op basis van de best beschikbare informatie twijfel resteert over de negatieve gevolgen, de hoofddoelstelling bepalend is (het voorzorgbeginsel). De partiële herziening van de PKB-Waddenzee heeft betrekking op het onderdeel mijnbouwactiviteiten. Het daarin opgenomen beleid sluit niet uit dat proefboringen in het PKB-Waddenzeegebied kunnen worden toegelaten, maar formuleert een aantal randvoorwaarden die in acht moeten worden genomen. Proefboringen kunnen worden toegestaan indien aannemelijk is dat de daaropvolgende winningsactiviteiten van buiten het PKB-Waddenzeegebied kunnen plaatsvinden (het translocatiebeginsel). De beleidsuitspraken in de PKB-Waddenzee hebben ook betrekking op ontwikkelingen die, hoewel zij plaatsvinden buiten het PKB-Waddenzeegebied, van directe betekenis zijn voor de Waddenzee zelf. Richtinggevend hierbij is dat de mate waarin met het Waddenzeebeleid rekening dient te worden gehouden, wordt bepaald door de mate waarin activiteiten een negatieve invloed uitoefenen op de waarden van de Waddenzee (externe werking). De Vogelrichtlijn (richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand, PbEG 1979 L 103/1) heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lid-Staten waarop het Verdrag van toepassing is. Zij betreft de bescherming, het beheer en de regulering van deze soorten en stelt regels voor de exploitatie daarvan. Deze richtlijn is van toepassing op vogels, hun eieren, hun nesten en hun leefgebieden. De Habitatrichtlijn (richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, PbEG 1992 L 206/7) heeft tot doel bij te dragen tot het waarborgen van de biologische diversiteit door het instandhouden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna op het Europese grondgebied van de Lid-Staten waarop het verdrag van toepassing is. Het Verdrag van Bern (Verdrag inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijk milieu in Europa, Bern 19 september 1979, Trb. 1979, 175 en 1980, 60) heeft ten doel te zorgen voor de instandhouding van de in het wild voorkomende dier- en plantesoorten en de daarbij behorende natuurlijke leefmilieus, met name die soorten en die leefmilieus voor de instandhouding waarvan de samenwerking van verschillende Staten is vereist, en een zodanige samenwerking te bevorderen. Bijzondere aandacht wordt besteed aan die soorten, met inbegrip van de trekkende soorten, die met uitsterven worden bedreigd en die kwetsbaar zijn. Het Eems-Dollardverdrag (Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot regeling van de samenwerking in de Eemsmonding, met Bijlagen en Slotprotocol, Den Haag 8 april 1960, Trb. 1960, 69) strekt ertoe dat Nederland en Duitsland in de Eemsmonding in een geest van goede nabuurschap zullen samenwerken teneinde een verbinding van hun havens met de zee te waarborgen die aan de zich wijzigende eisen voldoet. Dit doel behoort -onder handhaving van de wederzijdse rechtsstandpunten ten aanzien van het verloop van de staatsgrens- door middel van een praktische regeling van de vraagstukken die beide staten betreffen, te worden bereikt. 2.1.4 De feiten Op 18 november 1994 heeft de NAM de Startnotitie milieu-effectrapportage voor proefboringen naar aardgas in de Noordzeekustzone en op Ameland toegezonden aan verweerder. Hierbij is verweerder verzocht toepassing te geven aan art. 14.5 lid 2 Wm, op grond waarvan het bevoegd gezag, indien ter zake van een activiteit dan wel ter zake van verscheidene met elkaar samenhangende activiteiten meer dan één MER-plichtig besluit moet worden genomen, kan besluiten dat ter voorbereiding van die besluiten één MER wordt gemaakt. Bij brief van 28 november 1994 heeft verweerder de NAM bericht dat het verzoek om toepassing van art. 14.5 lid 2 Wm is ingewilligd. Verweerder heeft een openbare kennisgeving van de Startnotitie gepubliceerd in onder andere de Staatscourant van 1 december
- De Startnotitie is ter inzage gelegd waarbij een ieder in de gelegenheid is gesteld reacties in te dienen met het oog op de vast te stellen richtlijnen voor de inhoud van het MER. Van de gelegenheid te reageren op de Startnotitie is onder meer door een aantal eisers, waaronder de Waddenvereniging, gebruik gemaakt. De Commissie voor de milieu-effectrapportage (hierna: Cmer) heeft haar richtlijnenadvies op 7 februari 1995 aan verweerder uitgebracht. Verweerder heeft de richtlijnen voor het op te stellen MER, als bedoeld in art. 7.15 Wm, op 7 februari 1995 vastgesteld. Op 7 juli 1995 heeft de NAM bij verweerder -voor zover in deze procedures relevant- goedkeuring aangevraagd voor het uitvoeren van proefboringen naar aardgas op de locaties Ballonplaat, Pinkegat, Huibertplaat, Plaatgat en Ballum onder gelijktijdige overlegging van een MER genaamd "Proefboringen in de Noordzeekustzone en op Ameland". Bij schrijven van 1 september 1995 heeft verweerder aan de NAM laten weten dat het MER voldoet aan de daartoe opgestelde richtlijnen en derhalve is aanvaard. Op 7 september 1995 heeft verweerder de Cmer in de gelegenheid gesteld een toetsingsadvies uit te brengen over het MER. Van de aanvragen, die zijn behandeld met toepassing van de openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb, en het MER is openbaar kennisgegeven, onder meer door publicatie in de Staatscourant van 13 september
- Het MER, de aanvragen, de richtlijnen, adviezen en inspraakreacties zijn ter inzage gelegd waarbij een ieder in de gelegenheid is gesteld om een zienswijze omtrent de aanvragen en het MER naar voren te brengen, in welk verband ook een drietal hoorzittingen is gehouden. Mede namens de overige eisers heeft de Waddenvereniging onder meer in een schriftelijke reactie op het MER van 13 oktober 1995, een zienswijze ingebracht. Verweerder heeft de NAM bij brief van 5 december 1995 gevraagd om voor twee onderwerpen een nadere onderbouwing van het MER op te stellen. Deze aanvullingen op het MER, genaamd "Geluidmaatregelen voor proefboringen op zee" en "Seizoenskeuze proefboring op Ameland", zijn op 8 januari 1996 door verweerder toegezonden aan de Cmer. Op 2 februari 1996 heeft de Cmer haar toetsingsadvies over het MER en de aanvullende informatie uitgebracht. De Cmer heeft daarbij -kort samengevat- aangegeven dat het MER en de aanvullingen voldoende informatie bieden om tot besluitvorming over te gaan. De Planologische Werkcommissie heeft verweerder op 12 februari 1996 geadviseerd om, met inachtneming van haar overwegingen en aanbevelingen, de door de NAM gevraagde goedkeuring te verlenen. Op 26 februari 1996 heeft verweerder aan de NAM goedkeuring verleend voor het uitvoeren van proefboringen naar aardgas op de locaties Ballum op Ameland en Pinkegat, Plaatgat, Huibertplaat en Ballonplaat in de Noordzeekustzone. Openbare kennisgevingen van deze locatiebesluiten zijn onder andere in de Staatscourant van 29 februari 1996 gepubliceerd. Door eisers is tegen deze besluiten bezwaar aangetekend op 1 april
- Tegelijkertijd is bij de president van de rechtbank een verzoek ingediend om de primaire besluiten bij wege van een voorlopige voorziening op grond van art. 8:81 Awb te schorsen. Bij uitspraak van 20 mei 1996 heeft de president de goedkeuringsbesluiten voor de locaties Pinkegat, Plaatgat, Huibertplaat en Ballonplaat geschorst. Ten aanzien van de locatie Ballum is het verzoek wegens het ontbreken van een voldoende spoedeisend belang afgewezen. Naar aanleiding van deze uitspraak van de president zijn de aanvullingen op het MER ("Geluidmaatregelen op zee" en "Seizoenskeuze Ameland") alsnog ter inzage gelegd met de mogelijkheid voor een ieder om zijn zienswijze kenbaar te maken. Eisers hebben van deze mogelijkheid gebruikt gemaakt. Vervolgens heeft de Cmer op 10 juli 1996 een aanvullend toetsingsadvies uitgebracht, waarin is aangegeven dat de ontvangen inspraakreacties haar geen aanleiding geven tot het bijstellen of aanvullen van het op 2 februari 1996 uitgebrachte toetsingsadvies. Namens eisers is het bezwaarschrift mondeling toegelicht op een op 22 mei 1996 gehouden hoorzitting. Bij de beslissingen op bezwaar van 25 november 1996 heeft verweerder de bezwaren deels gegrond en deels ongegrond verklaard. De primaire besluiten zijn herroepen en herziene locatiebesluiten zijn daarvoor in de plaats gesteld. Hangende de bodemprocedures zijn de bestreden besluiten door de president van de rechtbank geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de uitspraak van de rechtbank in de bodemzaken. Voor de overige feiten zij verwezen naar het hierboven onder '1' weergegeven procesverloop. 2.1.5 De rechtsvragen Door de NAM is in de voorlopige voorzieningenprocedure, ingeleid bij verzoekschrift van 13 augustus 1997, gesteld dat de voorgenomen proefboring op de locatie Ballum niet plaatsvindt in 'gevoelig gebied', zodat bij afwezigheid van een MER-plicht voor deze boring geen goedkeuring van verweerder is vereist. In dat geval zou het locatiebesluit voor de proefboring bij Ballum onverplicht genomen zijn. Dat de Noordzeekustzone-locaties (Pinkegat, Plaatgat, Ballonplaat en Huibertplaat) zijn gelegen in een kerngebied in de zin van het Structuurschema Groene Ruimte (SGR) is niet in geschil. Eisers hebben gesteld dat het MER niet voldoet aan de daarvoor opgestelde richtlijnen en niet voldoet aan de eisen die op grond van art. 7.10 Wm aan een MER moeten worden gesteld. Verder is het MER volgens eisers gebrekkig waar het gaat om de berekening van de effecten van de proefboringen op natuurwaarden, terwijl er daarnaast nog aanzienlijke leemten in kennis bestaan die van groot belang zijn voor een adequate beoordeling van de milieu-effecten. In de visie van eisers had verweerder vanwege de aan het MER klevende gebreken niet tot besluitvorming mogen overgaan en hadden de aanvragen van de NAM buiten behandeling moeten worden gesteld. Zoals hierboven reeds aangegeven, heeft de rechtbank de StAB als deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek naar het MER. Bij de bespreking van de grieven van eisers die betrekking hebben op het MER zal de rechtbank de bevindingen en conclusies van de StAB betrekken. Voorts hebben eisers gesteld dat verweerder, door reeds nu op alle aanvragen positief te beschikken, in strijd heeft gehandeld met de artikelen 7.35 en 7.27 Wm. Deze artikelen schrijven voor -aldus eisers in het aanvullend beroepschrift- dat besluiten moeten worden genomen op basis van de meest actuele informatie over de milieugevolgen van de voorgenomen activiteit. Het nemen van locatiebesluiten die mogelijk pas over enkele jaren benut zullen worden is daarmee niet verenigbaar. Volgens eisers heeft verweerder door het vastleggen in het Plan van Aanpak van de overeenstemming tussen rijksoverheid en mijnbouwmaatschappijen, afstand gedaan van zijn bevoegdheid goedkeuring voor de proefboringen te weigeren. Hierdoor heeft verweerder gehandeld in strijd met (onder meer) art. 7.35 Wm, dat voorschrijft dat het bevoegd gezag rekening moet houden met alle gevolgen die de voorgenomen activiteit voor het milieu kan hebben. Verder heeft verweerder zich in de voorschriften niet de bevoegdheid voorbehouden om de locatiebesluiten in te trekken indien de milieugevolgen ernstiger zijn dan verwacht. Volgens eisers heeft verweerder daarmee -in strijd met art. 7.42 in verbinding met art. 7.35 Wm- afstand gedaan van die intrekkingsbevoegdheid. Geen van de locaties bevindt zich in het PKB-Waddenzeegebied. Over de vraag of, en in welke mate, de in de PKB-Waddenzee opgenomen beleidsuitspraken vanwege de mogelijke effecten van de voorgenomen proefboringen op het Waddengebied (externe werking) toch een rol spelen bij de onderhavige besluiten, wordt door partijen verschillend gedacht, evenals over het gewicht dat aan de in het SGR opgenomen beleidsuitspraken moet worden toegekend. Eisers hebben gesteld dat de locatiebesluiten zijn genomen in strijd met het SGR en daarvan ongemotiveerd afwijken. Ter onderbouwing van deze stelling hebben eisers gewezen op de aan de Noordzeekustzone in het SGR toegekende basisbescherming, op de beleidsuitspraak in par. 4.7.4 van het SGR, inhoudende dat kerngebieden van de ecologische hoofdstructuur in beginsel worden gevrijwaard van booractiviteiten, en op de beleidsuitspraak (par. 4.2.1.2 onder b SGR) dat het rijksbeleid ingrepen en ontwikkelingen in en in de onmiddelijke nabijheid van kerngebieden niet toestaat indien deze de wezenlijke kenmerken of waarden van het kerngebied aantasten, waarvan alleen bij een zwaarwegend maatschappelijk belang kan worden afgeweken. Door eisers is betoogd dat verweerders uitleg van het criterium 'aantasting', namelijk dat van aantasting van wezenlijke kenmerken of waarden slechts kan worden gesproken als er sprake is van een onomkeerbare situatie, geen steun vindt in het SGR. Eisers zijn van mening dat sprake is van aantasting, terwijl de aanwezigheid van een zwaarwegend maatschappelijk belang door hen wordt ontkend. Naar de mening van eisers heeft verweerder ongenoegzaam aangetoond dat sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang en evenmin voldoende gemotiveerd dat aan dit belang redelijkerwijs niet elders of op andere wijze tegemoet kan worden gekomen. Naar de mening van eisers heeft verweerder de voorgenomen activiteiten -omdat de nadelige effecten daarvan merkbaar zijn tot in het PKB-Waddenzeegebied- terecht getoetst aan de PKB-Waddenzee. Onder verwijzing naar de gebreken die naar de mening van eisers aan het MER kleven, kan echter niet gezegd worden dat bij de besluitvorming gebruik is gemaakt van de best beschikbare informatie, noch dat het voorzorgbeginsel in acht is genomen. De locatiebesluiten zijn daarom genomen in strijd met het in de PKB-Waddenzee opgenomen afwegingskader. De locatiebesluiten zijn volgens eisers ook genomen in strijd met de bepalingen van het Verdrag van Bern. Eisers hebben voorts betoogd dat de bestreden besluiten zijn genomen in strijd met regels van Europees recht, waarvan met name genoemd art. 6 van de Habitatrichtlijn. Aan de leden 3 en 4 van dit artikel komt volgens eisers in elk geval rechtstreekse werking toe. De Habitatrichtlijn is volgens eisers niet slechts toepasselijk via de externe werking daarvan, vanwege de effecten van proefboringen die merkbaar zijn in het PKB-Waddenzeegebied, maar rechtstreeks. Vanwege de daar verblijvende vogels kwalificeren de Noordzeekustzone en Ameland zich volgens eisers materieel voor toepassing van de Vogelrichtlijn. Op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJEG) brengt dit mee dat de rechtstreeks werkende bepalingen van de Vogelrichtlijn van toepassing zijn, ook al zijn deze gebieden door Nederland niet formeel aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van de Vogelrichtlijn. Voor gebieden die zich kwalificeren voor aanmelding op grond van de Habitatrichtlijn geldt naar de mening van eisers hetzelfde. Uiterlijk in juni 1995 had Nederland de gebieden die zich kwalificeren moeten aanmelden bij de Europese Commissie. Dit is echter alleen gebeurd voor dat deel van de Waddenzee dat al was aangewezen als staatsnatuurmonument. Ook de Noordzeekustzone en grote delen van de Waddeneilanden kwalificeren zich als speciale beschermingszone in de zin van de Habitatrichtlijn. Een en ander heeft tot gevolg dat in de opinie van eisers het gehele Waddengebied, met inbegrip van alle locaties waar proefboringen zijn gepland, zich kwalificeert als speciale beschermingszone voor de Vogel- en Habitatrichtlijn en dat de direct werkende bepalingen van deze richtlijnen ook nu al gelden. Naar de mening van eisers voldoen de bestreden besluiten niet aan de criteria zoals opgenomen in de leden 3 en 4 van art. 6 Habitatrichtlijn, onder andere omdat: er sprake is van significante effecten, het MER niet kan worden beschouwd als een passende beoordeling als bedoeld in lid 3, een dwingende reden van groot openbaar belang niet is aangetoond en er geen zekerheid is verkregen -gelet op de leemten in kennis die het MER signaleert- dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast. Ten slotte hebben eisers ook bezwaren geuit tegen een aantal van de aan de locatiebesluiten verbonden voorschriften. 2.2 Beoordeling van de beroepen 2.2.1 Ontvankelijkheid In art. 8:1 lid 1 Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de rechtbank. Op grond van art. 1:2 lid 1 Awb wordt onder 'belanghebbende' verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Art. 1:2 lid 3 Awb bepaalt dat ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede worden aangemerkt de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstelling en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen. De statutaire doelstelling van de Vereniging Milieufederatie Noord-Holland luidt -voor zover hier relevant- als volgt: "artikel 2 De vereniging stelt zich ten doel de bevordering van natuurbehoud, een verantwoord milieubeheer en de landschapsbescherming, alles in de ruimste zin in de provincie Noord-Holland. De vereniging kan in bepaalde gevallen zijn werkzaamheden uitstrekken ten aanzien van buiten de provincie Noord-Holland gelegen gebieden. artikel 3 De vereniging tracht dit doel te bereiken langs wettige weg onder meer door: (...) h. het optreden in rechte, met name het voeren van civiel- en administratiefrechtelijke procedures (...). Een en ander voor zichzelf als ook (...) in samenwerking met andere verenigingen en/of instellingen met gelijk of overeenkomstig doel, die plaatselijk, regionaal, nationaal of internationaal werkzaam zijn." De statuten van de Stichting Duinbehoud vermelden -voor zover relevant- over doel en werkwijze het volgende: "artikel 2 DOEL A. Het doel van de stichting is:
- het bevorderen van het behoud en het herstel van het natuurlijk milieu van het Nederlandse duinlandschap en aangrenzend gebied, voor zover dit bedreigd wordt en aangetast is door diverse maatschappelijke ontwikkelingen (waterwinning, recreatie, verkeerswegen en andere infrastructurele werken, woningbouw, gaswinning, wetenschappelijk onderzoek, en andere); (...) B. Aangaand natuurlijk milieu en waterwinning:
- het begrip natuurlijk milieu moet ruim worden genterpreteerd en omvat onder andere geologische, hydrologische, biologische, cultuur-historische en landschappelijke aspecten, alsmede aspecten betreffende het verbruik van grondstoffen en energie. Tot deze grondstoffen is ook water zelf te rekenen. (...) artikel 3 WERKWIJZE De stichting tracht dit doel te bereiken door: (...) d. alle legale middelen die in de ruimste zin genomen met het voorgaande verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn. Ter bereiking van de doelstellingen kan de stichting in voorkomende gevallen rechtens optreden." Ter zitting is aangevoerd dat deze beide rechtspersonen zich het natuurbelang aantrekken. Vanwege de uit de proefboringen voortvloeiende winning van aardgas en de daarmee gepaard gaande bodemdaling zijn zij als belanghebbende aan te merken. Voor de Vereniging Milieufederatie Noord-Holland geldt verder nog dat zij zich de milieubescherming van het PKB-Waddenzeegebied tot haar belang rekent. Ter onderbouwing van de stelling dat de proefboringen niet los gezien kunnen worden van de exploitatie is door eisers gewezen op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS 26 maart 1998, nr. E02.95.1741, AB Kort 1998, 310). In deze uitspraak heeft de Afdeling als haar oordeel gegeven dat voor de toepassing van de Natuurbeschermingswet geen onderscheid kan worden gemaakt tussen enerzijds het slaan van een beregeningsput in de nabijheid van een beschermd natuurmonument en anderzijds het gebruik daarvan, indien het slaan onlosmakelijk is verbonden met het doel uit de put grondwater voor het beregenen te onttrekken. In casu oordeelde de Afdeling dat een zodanig verband aanwezig was. De rechtbank is echter van oordeel dat de bodemdaling die mogelijk optreedt bij eventuele winning van het Waddengas een onvoldoende actueel belang is om de Vereniging Milieufederatie Noord-Holland en de Stichting Duinbehoud reeds daarom als belanghebbenden aan te merken. De bestreden besluiten strekken immers tot de verlening van goedkeuring voor proefboringen, waarbij geen bodemdaling zal optreden. De door eisers aangehaalde uitspraak van de ABRS leidt niet tot een ander oordeel. De proefboringen zijn er immers op gericht te onderzoeken of zich onder de Noordzeekustzone, onder de Waddeneilanden en onder de Waddenzee, gasvoorraden in winbare hoeveelheden bevinden. Of tot exploitatie van de daar vermoede gasvoorkomens zal worden overgegaan staat thans nog niet vast, terwijl daarvoor afzonderlijk de goedkeuring van de rijksoverheid is vereist. Van een onlosmakelijk verband tussen exploratie en exploitatie is naar het oordeel van de rechtbank wat dit aspect aangaat dan ook geen sprake. Voorts is de rechtbank van oordeel dat uit haar statutaire doelstelling voortvloeit dat de Vereniging Milieufederatie Noord-Holland zich voornamelijk richt op de bescherming van milieubelangen in de provincie Noord-Holland. Slechts in bijzondere gevallen, waarbij gedacht kan worden aan milieubelangen die zich in het grensgebied van deze provincie bevinden of daarop van invloed kunnen zijn, zal deze vereniging zich ook daarbuiten doen gelden. Vanuit de provincie Noord-Holland bekeken vindt de dichtsbijzijnde proefboring plaats op Ameland (locatie Ballum). Hiervan kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat deze onder de statutaire doelstelling valt. Ook ter zitting is onvoldoende aannemelijk gemaakt -mede gezien het feit dat de geplande locaties voor proefboringen zich buiten het PKB-Waddenzeegebied bevinden- dat de belangen van deze vereniging hierbij rechtstreeks betrokken zijn of dat de feitelijke werkzaamheden van deze rechtspersoon zich daartoe uitstrekken. De rechtbank is daarom van oordeel dat de Vereniging Milieufederatie Noord-Holland terzake van de proefboringen in de Noordzeekustzone en op Ameland niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. Ten aanzien van de Stichting Duinbehoud overweegt de rechtbank als volgt. In een schriftelijke reactie op de Startnotitie MER van 4 januari 1995 heeft de Stichting Duinbehoud aangegeven dat zij haar inbreng beperkt tot zaken die het duingebied direct aangaan. Dit komt, aldus de brief van 4 januari 1995, eigenlijk neer op één voorgenomen proefboring, te weten die bij Ballum op Ameland. Van de daar geplande proefboring wordt een verstoring van fauna en een verminderde belevingswaarde verwacht, waarbij nog is opgemerkt dat het duingebied op Ameland op de nominatie staat om aangewezen te worden als Beschermd Natuurmonument. De rechtbank ziet ook overigens niet in dat de belangen van de Stichting Duinbehoud rechtstreeks betrokken zijn bij de geplande proefboringen in de Noordzeekustzone. Daarom wordt geoordeeld dat deze stichting in zoverre niet als belanghebbende bij de locatiebesluiten kan worden aangemerkt. Een en ander brengt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder de Vereniging Milieufederatie Noord-Holland ten onrechte heeft ontvangen in haar bezwaar tegen de vijf primaire besluiten, terwijl de Stichting Duinbehoud alleen terzake van de proefboring op Ameland ontvankelijk kon worden geacht. 2.2.2 Omvang van de gedingen 2.2.2.1 Inleiding De bestreden besluiten dienen door de rechtbank ex tunc te worden beoordeeld. Dit brengt mee dat de rechtbank in beginsel alleen acht kan slaan op de feiten en omstandigheden zoals die zich voordeden ten tijde van het nemen van de locatiebesluiten en de op dat moment van kracht zijnde wettelijke bepalingen. Tijdens de beroepsprocedures zijn echter nog nadere stukken ingezonden waarvan zou kunnen worden gezegd dat deze nieuwe feiten en omstandigheden betreffen. Concreet gaat het hierbij om: - het rapport "Proefboringen in de Noordzeekustzone en de Waddenzee; nadere onderbouwing voor besluitvorming" (de Nadere onderbouwing), - de bijlage bij de Nadere onderbouwing, te weten het rapport "Een verkenning van de leemten in kennis gesignaleerd door de commissie MER met betrekking tot de door de NAM voorgenomen proefboringen naar aardgas in de Noordzee kustzone" (hierna: het Leemtenrapport), opgesteld door het Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ) en het Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek (IBN-DLO), - het rapport "Monitoring proefboringen Noordzeekustzone" zoals door de NAM in het geding gebracht (het Monitoringsrapport), en - de antwoordnotitie van de Cmer op vragen van de StAB over het toetsingsadvies proefboringen Noordzeekustzone (verder te noemen: de Antwoordnotitie). De rechtbank zal in hetgeen hierna volgt haar oordeel geven over de vraag of, en zo ja in hoeverre, deze stukken bij de beoordeling van de beroepen mede kunnen worden betrokken. Verder heeft de NAM ,zoals hierboven in het procesverloop is vermeld, geweigerd toestemming te verlenen als bedoeld in art. 8:29 lid 5 Awb. Dit heeft ook gevolgen voor de stukken waarop de rechtbank haar beoordeling kan baseren. 2.2.2.2 De standpunten van partijen Partijen hebben zich eigener beweging en op verzoek van de rechtbank uitgelaten over de vraag waartoe de onderhavige gedingen zich uitstrekken, mede gelet op art. 8:69 Awb. Verweerder heeft bedenkingen geuit tegen het eerst in beroep uiten van grieven door eisers, die in de bezwaarfase niet aan de orde zijn gekomen. De primaire besluiten zijn heroverwogen op de grondslag van het bezwaarschrift en volgens verweerder staat de door de wetgever beoogde zeefwerking van de bezwaarschriftprocedure er aan in de weg dat een appellant in de beroepsfase met nieuwe grieven komt. De NAM heeft zich hierbij aangesloten. Eisers hebben hiertegen aangevoerd dat de grieven die door verweerder als 'nieuw' worden beschouwd, in het bezwaarschrift en de inspraakprocedure ook reeds aan de orde zijn geweest, maar dat daaraan in het beroepschrift een andere juridische kwalificatie is gegeven. Naar de mening van eisers heeft verweerder in deze bodemprocedures voldoende gelegenheid zich uit te spreken over alle grieven. 2.2.2.3 In rechte De klacht van verweerder, dat de grieven die eerst in beroep naar voren zijn gebracht door de rechtbank buiten beschouwing moeten worden gelaten, komt er in feite op neer dat in het bestuursrecht vanaf de bezwaarschriftprocedure een grievenstelsel zou gelden. De rechtbank is van oordeel dat tekst en strekking van art. 8:69 Awb hiervoor in zijn algemeenheid geen steun bieden. Wel kan onder bepaalde omstandigheden worden geoordeeld dat in strijd met de beginselen van een goede procesorde wordt gehandeld. Art. 8:69 lid 1 Awb bepaalt expliciet dat de rechtbank uitspraak doet op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting. Eisers hebben de gronden van het beroep reeds in het aanvullend beroepschrift uitgebreid uiteengezet. Verweerder heeft daardoor voldoende gelegenheid gehad zich hierover uit te spreken. Van omstandigheden die tot het oordeel moeten leiden dat door eisers in strijd met de beginselen van een goede procesorde is gehandeld, is de rechtbank ook overigens niet gebleken. Ambtshalve dient de rechtbank zich uit te spreken over de vraag welke van de door eisers aangedragen grieven dienen te worden beoordeeld. In dit verband is van belang dat eisers in het beroepschrift hebben verzocht de inhoud van het bezwaarschrift als herhaald en ingelast te beschouwen. In het bezwaarschrift is onder andere uitgebreid ingegaan op de aan de locatiebesluiten verbonden voorschriften, onderverdeeld in algemene bezwaren, bezwaren omdat voorschriften ontbreken en bezwaren die zich richten tegen de wel aan de locatiebesluiten verbonden voorschriften. In de beslissingen op bezwaar is verweerder (gedeeltelijk) tegemoet gekomen aan verschillende van deze bezwaren. Eisers zijn hangende beroep alleen nog teruggekomen op de bezwaren die gericht waren tegen de geluidsvoorschriften, het voorschrift waarin is bepaald onder welke voorwaarden de NAM tot compensatie verplicht is en het ontbreken van voorschriften die een op milieu-overwegingen gebaseerde volgorde voor de proefboringen regelen. Ter zitting heeft de rechtbank eisers uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld aan te geven in hoeverre de overige bezwaren worden gehandhaafd. Eisers hebben deze mogelijkheid ongebruikt laten passeren, terwijl aan het (aanvullend) beroepschrift en de overige door eisers ingediende stukken evenmin beroepsgronden tegen de overige voorschriften kunnen worden ontleend. De rechtbank verbindt hieraan de consequentie dat die bezwaren waarop eisers in de beroepsfase niet expliciet zijn teruggekomen, buiten de beoordeling worden gelaten. Zoals hierboven reeds is vermeld, heeft de rechtbank geoordeeld dat de gedeeltelijke onthouding aan eisers van kennisneming van het integrale Plan van Gasafzet 1996, gerechtvaardigd is. Nu de NAM heeft geweigerd toestemming te verlenen om mede op de grondslag van het aan de kennisneming van eisers onthouden deel van het Plan van Gasafzet 1996 uitspraak te doen, zal de rechtbank die delen dan ook niet bij haar beoordeling betrekken. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de Nadere onderbouwing, het Leemtenrapport en de Antwoordnotitie niet gebaseerd op feiten en omstandigheden die zijn opgekomen na het nemen van de besluiten op bezwaar. De Nadere onderbouwing geeft voornamelijk een uitgebreide motivering van de bestreden besluiten die in wezen niet afwijkt van de in die besluiten zelf opgenomen motivering. Het Leemtenrapport, dat is gebaseerd op milieu-informatie die beschikbaar is gekomen tussen het uitbrengen van het MER en de datum waarop de bestreden besluiten zijn genomen, vervult dezelfde functie als de Nadere onderbouwing, echter toegespitst op de leemten in kennis. In de Antwoordnotitie geeft de Cmer -op verzoek van de StAB- een verduidelijking van haar eerdere adviezen. Eisers hebben ten aanzien van deze nadere gedingstukken geen beroep gedaan op schending van enige regel van geschreven of ongeschreven recht. Evenmin is de rechtbank gebleken dat eisers in hun processuele belangen zijn geschaad, nu eisers op bedoelde stukken hebben kunnen reageren en die mogelijkheid ook hebben benut. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen bezwaren zijn om deze gedingstukken in de beoordeling te betrekken. De NAM heeft met het inzenden van het Monitoringsrapport, dat gegevens bevat over een proefboring die in de periode van september tot en met november 1997 in de nabijheid van de locatie Pinkegat is uitgevoerd, beoogd aan te tonen dat de milieu-effecten bij een dergelijke activiteit de wezenlijke kenmerken en waarden van het betrokken gebied niet aantasten en dat aan de voorschriften kan worden voldaan. Het Monitoringsrapport is wel gebaseerd op feiten en omstandigheden waarover verweerder ten tijde van het nemen van de bestreden besluiten nog niet kon beschikken. De rechtbank is daarom van oordeel dat dit rapport niet kan worden betrokken bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de bestreden besluiten. Aan het einde van deze uitspraak zal de rechtbank nog terugkomen op de vraag of het Monitoringsrapport desalniettemin van betekenis kan zijn. 2.2.3.1 De goedkeuringsbevoegdheid De Mijnwet 1810 (Bulletin des Lois 285) en de Mijnwet 1903 (Stb. 1904, 73) zijn van toepassing op het Nederlands territoir tot 3 zeemijlen uit de kust. De NAM is houder van de op de Mijnwet 1810 en de Mijnwet 1903 gebaseerde concessie 'Groningen' en mede-houder (tezamen met Mobil) van de concessie 'Noord-Friesland'. De locaties Ballum, Pinkegat en Plaatgat vallen onder de concessie Noord-Friesland. De locaties Ballonplaat en Huibertplaat bevinden zich in het gebied waarop de concessie Groningen rust. De bestreden besluiten strekken tot goedkeuring door verweerder van de plannen van de NAM, die optreedt mede namens Mobil, aangaande het aanleggen van de vijf genoemde locaties ten behoeve van het verrichten van een of meer boringen of het daarop vestigen van met de opsporing of ontginning verband houdende apparatuur en installaties, zoals bedoeld in art. 7a van de concessie 'Groningen' en art. 13a van de concessie 'Noord-Friesland'. De bevoegdheid tot het verlenen van zodanige goedkeuring berust op de bij KB van 9 augustus 1994 (nr. 94.006120, Stcrt. 163) gewijzigde concessies. De ingevolge dat KB in de concessies opgenomen nieuwe artikelen 7d (concessie Groningen) en 13d (concessie Noord-Friesland) luiden als volgt: "
- In de gevallen dat het plan als bedoeld in artikel 7a
(13a)valt onder de werkingssfeer van het besluit Milieu-effectrapportage (Stb. 1994, 540) behoeft het de goedkeuring van Onze Minister van Economische Zaken.
- Alvorens over de goedkeuring te beslissen vraagt Onze Minister van Economische Zaken advies aan de door hem ingestelde of aangewezen interdepartementale Planologische Werkcommissie (PWC)." Sinds het van kracht worden met ingang van 1 september 1994 (Stb. 1994, 540) van het gewijzigde Besluit milieu-effectrapportage (hierna: Besluit mer), bijlage, onderdeel C, categorie 17.2, dient een verzoek om zodanige goedkeuring vergezeld te gaan van een milieu-effectrapport (MER) indien de activiteit (het opsporen of winnen van aardgas) plaatsvindt in een gevoelig gebied. Onder 'gevoelig gebied' wordt -voor zover hier relevant- verstaan: kerngebied, natuurontwikkelingsgebied of begrensde verbindingszone, deel uitmakend van de ecologische hoofdstructuur, zoals vastgelegd in een geldend streekplan, dan wel bij ontbreken daarvan voorkomend op de kaart Ecologische Hoofdstructuur behorend bij deel 3 van het Structuurschema Groene Ruimte (Kamerstukken II 1992/93, 22 880, nr. 5). Bij gebruikmaking van zijn discretionaire goedkeuringsbevoegdheid zal verweerder acht moeten slaan op bepalingen van internationaal recht, nationale wettelijke bepalingen en de in planologische kernbeslissingen neergelegde beleidsuitspraken. 2.2.3.2 De MER-plichtigheid van de locatie Ballum 2.2.3.2.1 De standpunten van partijen De NAM heeft in deze procedure het standpunt ingenomen dat de locatie Ballum niet in gevoelig gebied is gelegen, zodat de voorgenomen proefboring niet onder de werkingssfeer van het Besluit mer valt. In de visie van de NAM is het bestreden locatiebesluit voor Ballum daarom een onverplicht genomen besluit en derhalve niet gericht op rechtsgevolg. De proefboring op Ameland zou uitsluitend op vrijwillige basis in het MER zijn meegenomen omdat dit in het Plan van Aanpak overeengekomen was. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft de NAM primair aangevoerd dat de locatie niet in gevoelig gebied is gelegen omdat het hier gaat om een terrein dat op grond van het vigerende bestemmingsplan de bestemming 'bedrijfsdoeleinden' heeft. Het bestemmingsplan is volgens de NAM uiteindelijk bepalend voor de vraag of een bepaald gebied al dan niet tot de ecologische hoofdstructuur (EHS) behoort. De NAM heeft in dit verband opgemerkt dat uit de bij het Streekplan Friesland 1994 behorende plankaart 1 'Landelijke gebieden' niet kan worden afgeleid dat het bedrijventerrein binnen de begrenzing van de EHS ligt. Deze kaart geeft uitsluitend landbouw- en natuurgebieden aan, alsmede recreatie-ontwikkelingskernen. In de toelichting bij deze plankaart wordt vermeld dat wat de overige functies betreft de bestaande en planologisch geregelde activiteiten ongemoeid worden gelaten. Dit geldt dus ook voor het onderhavige bedrijventerrein. In 1993 hebben gedeputeerde staten van Fryslân (GS) weliswaar het deel van dit terrein waarop de NAM-locatie gepland is aangewezen als beheersgebied in de zin van de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling, maar dit hangt samen met het feit dat GS een zogenaamd tussenbeleid voeren voor de periode tussen het leggen van de bestemming en het feitelijk realiseren ervan. Subsidiair heeft de NAM betoogd dat, als in weerwil van het bovenstaande geoordeeld zou moeten worden dat de locatie wel in gevoelig gebied is gelegen, art. 9 lid 2 Besluit mer aan de MER-plicht in de weg staat. Verweerder heeft bij het bestreden besluit eveneens het standpunt ingenomen dat de locatie vanwege de planologische bestemming geen deel uitmaakt van de EHS, maar heeft hieraan niet de consequentie verbonden dat het plan tot het verrichten van de proefboring geen goedkeuring zou behoeven. Ter zitting van de president van 22 september 1997 heeft verweerder opgemerkt dat de begrenzing van de EHS op Ameland heeft plaatsgevonden in het beheersplan Ameland en dat de NAM-locatie hier buiten valt. Ten aanzien van de vraag of art. 9 lid 2 Besluit mer van toepassing is heeft verweerder ter zitting aangegeven zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank. Eisers zijn van mening dat de locatie Ballum wel in gevoelig gebied ligt, omdat in het SGR geheel Ameland is aangewezen als kerngebied. Ten aanzien van art. 9 lid 2 Besluit mer hebben zij opgemerkt dat het verrichten van een proefboring in strijd is met de doeleindenomschrijving die bij de bestemming bedrijfsdoeleinden behoort en ook met de bebouwingsvoorschriften, omdat slechts bouwwerken met een hoogte van maximaal 11 m. zijn toegestaan, terwijl de boortoren die de NAM zal gebruiken 55 m. hoog is. 2.2.3.2.2 In rechte Zoals hiervoor reeds uiteen is gezet wordt in het Besluit mer onder gevoelig gebied -voor zover hier van belang- verstaan een kerngebied, natuurontwikkelingsgebied of een begrensde verbindingszone, deel uitmakend van de EHS, zoals vastgelegd in een geldend streekplan, dan wel bij het ontbreken daarvan voorkomend op de kaart Ecologische Hoofdstructuur behorend bij deel 3A van het SGR. Voor de beoordeling van de hier aan de orde zijnde rechtsvraag dient derhalve allereerst nagegaan te worden of de EHS reeds in een geldend streekplan is vastgelegd. Uit de stukken blijkt dat provinciale staten van Fryslân in hun vergadering van 30 maart 1994 het Streekplan Friesland 1994 (hierna mede te noemen: het streekplan) hebben vastgesteld. Op plankaart 4 -en niet op plankaart 1, zoals de NAM heeft betoogd- van het streekplan is de provinciale ecologische hoofdstructuur aangegeven. Nu de EHS reeds in een geldend streekplan is vastgelegd, dient hieraan de gevolgtrekking verbonden te worden dat in zoverre aan de begrenzing in het SGR geen betekenis meer toekomt. Met betrekking tot de vraag of de locatie Ballum deel uitmaakt van de provinciaal begrensde EHS overweegt de rechtbank het volgende. Zoals reeds opgemerkt is de provinciale EHS op plankaart 4 van het streekplan aangegeven. Uit het streekplan blijkt dat de plankaarten in samenhang met de beleidstekst gelezen moeten worden. Uit plankaart 4 van het streekplan kan afgeleid worden dat het in geding zijnde bedrijventerrein, in tegenstelling tot een aantal andere delen van Ameland, niet van de begrenzing van de EHS is uitgezonderd. De rechtbank heeft in de beleidstekst evenmin aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat provinciale staten beoogd hebben om de NAM-locatie buiten de begrenzing te laten. Aan de omstandigheid dat dit terrein op grond van het vigerende bestemmingsplan een bedrijfsdoeleindenbestemming heeft, komt naar het oordeel van de rechtbank geen betekenis toe omdat voor het al dan niet bestaan van de MER-plicht uitsluitend de begrenzing in een streekplan bepalend is. Naar aanleiding van hetgeen door verweerder en de NAM over de rol van het beheersplan in dit verband naar voren is gebracht merkt de rechtbank nog op dat uit het streekplan kan worden afgeleid dat het beheersplan enkel een instrument is om het ecologisch beleid voor delen van de EHS (namelijk de landbouwgronden) gestalte te geven, maar geen betekenis heeft voor de vraag of een bepaald terrein al dan niet binnen de provinciaal begrensde EHS valt. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de voorgenomen proefboring bij Ballum plaats zal vinden in gevoelig gebied als bedoeld in het Besluit mer, zodat de activiteit van de NAM MER-plichtig is. Uit art. 9 Besluit mer, dat het overgangsrecht bevat, vloeit voort dat in bepaalde gevallen voor een activiteit, die met ingang van de inwerkingtreding van de wijziging van het Besluit mer per 1 september 1994 op zichzelf MER-plichtig is, toch geen MER gemaakt hoeft te worden. De NAM heeft een beroep gedaan op art. 9 lid 2 Besluit mer, dat luidt als volgt: "Het maken van een milieu-effectrapport is voorts niet verplicht in de gevallen waarbij voor een activiteit als omschreven in onderdeel C van de bijlage de daaraan toegedachte lokatie reeds is opgenomen in een streek-, structuur- of bestemmingsplan, en bij de vaststelling of herziening van een streek-, structuur- of bestemmingsplan deze lokatie in één of meer van die plannen in hoofdzaak wordt gehandhaafd, mits dat plan dan wel -ingeval de lokatie in meerdere plannen is opgenomen- het meest recente van die plannen op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit niet langer vigeert dan 10 jaar". Uit de Nota van Toelichting bij art. 9 blijkt dat dit artikel is opgenomen om een soepele invoering van milieu-effectrapportage te realiseren in de gevallen waarin de besluitvorming mede plaatsvindt via een streek-, structuur- of bestemmingsplan. De wetgever heeft hiermee willen voorkomen dat toepassing van milieu-effectrapportage onbedoeld plaatsvindt in het kader van planprocedures, die een vervolg zijn op eerder vastgestelde plannen of besluiten, waarin de locatie van de desbetreffende MER-plichtige activiteit reeds is opgenomen. In cat. 17.2 van onderdeel C van het Besluit mer, dat betrekking heeft op de activiteit opsporen en winnen van aardgas, is als MER-plichtig besluit kort gezegd aangewezen een locatiebesluit, dan wel bij het ontbreken daarvan de vaststelling van een ruimtelijk plan dat als eerste in de uitvoering van een boring of het plaatsen van een installatie voorziet. De rechtbank begrijpt deze omschrijving aldus dat een plan tot het uitvoeren van een boring of het plaatsen van een winningsinstallatie niet MER-plichtig is indien er reeds een ruimtelijk plan is dat in de uitvoering hiervan voorziet. Dit plan behoeft in zo'n situatie derhalve niet de goedkeuring van de minister van EZ. Uit de tekst van art. 9 lid 2 Besluit mer en de Nota van Toelichting kan afgeleid worden dat de wetgever hierbij alleen het oog heeft gehad op de situatie waarin besluitvorming plaatsvindt via ruimtelijke plannen. De rechtbank is evenwel van oordeel dat -met name ook gelet op de systematiek van cat. 17.2- een redelijke wetsuitleg meebrengt dat art. 9 lid 2 Besluit mer ook van toepassing is wanneer een ruimtelijk plan reeds voorziet in het verrichten van een boring of het plaatsen van een winningsinstallatie en de concessionaris na de inwerkingtreding van het Besluit mer 1994 een plan tot het verrichten van een zodanige activiteit bij de minister van EZ indient. Indien voldaan is aan de overige voorwaarden van art. 9 lid 2 Besluit mer behoeft het plan in die situatie derhalve geen goedkeuring. De rechtbank zal thans nagaan of van een zodanige situatie sprake is. De voorgenomen proefboring zal verricht worden vanaf een terrein aan de Ballumerbocht, ter hoogte van de Smitteweg in Ballum. Dit terrein is opgenomen in het bestemmingsplan "Buitengebied (agrarische gebieden)", dat door de raad van Ameland in zijn vergadering van 31 oktober 1983 is vastgesteld. Het bestemmingsplan is, met uitzondering van enkele hier niet ter zake doende onderdelen, bij KB van 17 november 1988 onherroepelijk geworden. Het betreft hier derhalve een bestemmingsplan, dat op 1 september 1994 nog niet tien jaar van kracht was. Op het onderhavige perceel, alsmede op een aantal belendende percelen, rust ingevolge het vigerende bestemmingsplan de bestemming 'bedrijfsdoeleinden'. Art. 11 van de planvoorschriften bepaalt dat gronden met deze bestemming uitsluitend zijn bestemd voor industrie, met uitzondering van categorieën van inrichtingen zoals omschreven in het Besluit categorie A-inrichtingen, en handel, geen detailhandel zijnde, met de daarbij behorende bedrijfsgebouwen, andere bouwwerken en andere werken, terwijl de onbebouwde gronden als bedrijfsterrein mogen worden ingericht. Ingevolge de bebouwingsvoorschriften mag -voor zover hier van belang- de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde maximaal 10 m. bedragen. Na het verlenen van binnenplanse vrijstelling zijn burgemeester en wethouders bevoegd om een overschrijding van deze maat met 10% toe te staan. Op het terrein naast de NAM-locatie rust op grond van het bestemmingsplan de bestemming 'agrarische doeleinden'. Op grond van de bij deze bestemming behorende voorschriften is ter plaatse de oprichting van een brandvlampijp toegestaan. Uit de toelichting bij het bestemmingsplan blijkt dat de bestemming bedrijfsdoeleinden aan het perceel van de NAM is toegekend om ter plaatse de bouw van een gasbehandelings- station toe te staan in verband met gaswinningsactiviteiten op de locaties Hollum-Ameland en Ameland-GLC. Het toestaan van de oprichting van een brandvlampijp houdt verband met het gasbehandelingsstation. De rechtbank stelt op grond van het bovenstaande vast dat de bestemming 'bedrijfsdoeleinden' een zeer ruime doeleindenomschrijving kent. Het verrichten van een proefboring wordt hierin niet met name genoemd, terwijl uit de toelichting evenmin kan worden afgeleid dat de planwetgever beoogd heeft om ter plaatse het verrichten van proefboringen toe te staan. Onder deze omstandigheden kan niet met vrucht gesteld worden dat de aan de proefboring toegedachte locatie reeds is opgenomen in een ruimtelijk plan zoals in art. 9 lid 2 Besluit mer bedoeld wordt. Naar het oordeel van de rechtbank is hiervoor een specifiekere bestemming vereist. Een andersluidend oordeel zou ertoe leiden dat een grote groep activiteiten, die in onderdeel C van het Besluit mer genoemd wordt, ingevolge genoemde bepaling niet MER-plichtig zou zijn indien deze verricht zouden worden op gronden met een bestemming die industriële bedrijvigheid toestaat. Gelet op het vorenstaande kan in het midden blijven of het oprichten van een boorinstallatie en het daarmee verrichten van een proefboring in strijd is met het bestemmingsplan, zoals door eisers gesteld is. De rechtbank komt op grond van het bovenstaande tot de slotsom dat de proefboring bij Ballum MER-plichtig is, zodat het betoog van de NAM met betrekking tot het onverplichte karakter van het locatiebesluit voor Ballum faalt. 2.2.3.3 Reikwijdte van de goedkeuringsbevoegdheid Op grond van het eerste lid van de artikelen 7d en 13d van de respectieve concessies behoeft een plan tot het uitvoeren van een proefboring de goedkeuring van de minister van EZ ingeval het plan onder de werkingssfeer van het Besluit mer valt. Hierboven is reeds vastgesteld dat de onderhavige proefboringen alle vijf MER-plichtig zijn. Het tweede lid van genoemde artikelen bepaalt dat de minister van EZ, alvorens over de gevraagde goedkeuring te beslissen, advies vraagt aan de interdepartementale Planologische Werkcommissie (PWC). De PWC heeft op 12 februari 1996 advies uitgebracht aan verweerder. Zoals hierboven onder 2.1.
- reeds aangegeven heeft verweerder, naar aanleiding van de uitspraak van de president van 20 mei 1996, de aanvullingen op het MER ("Geluidmaatregelen op zee" en "Seizoenskeuze Ameland") alsnog ter inzage gelegd. Aan een ieder is de mogelijkheid gegeven om zijn zienswijze kenbaar te maken. Vervolgens is door de Cmer een aanvullend toetsingsadvies uitgebracht. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee bereikt dat het MER de in de artikelen 7.12 tot en met 7.26 Wm voorgeschreven procedure heeft doorlopen. Zonder in strijd te handelen met het bepaalde in art. 7.27 lid 1 Wm kon verweerder de beslissingen op bezwaar dan ook mede baseren op het verplichte MER "Proefboringen naar aardgas in de Noordzeekustzone en op Ameland". Ten tijde van de bestreden besluiten beschikte verweerder derhalve over een advies van de PWC en een MER dat volgens de procedurevoorschriften van de Wet milieubeheer totstandgekomen is. Aan de formele vereisten voor het uitoefenen van de goedkeuringsbevoegdheid is derhalve voldaan. Art. 3.4 lid 1 Awb bepaalt dat het bestuursorgaan de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen afweegt, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de bevoegdheid een beperking voortvloeit. Op grond van art. 7.35 lid 1 Wm houdt het bevoegd gezag bij het nemen van een MER-plichtig besluit rekening met alle gevolgen die de activiteit waarop het besluit betrekking heeft, voor het milieu kan hebben. Lid 2 bepaalt -voor zover hier relevant- dat het eerste lid slechts van toepassing is voor zover de regeling waarop het besluit berust, zich daartegen niet verzet. Verweerder heeft er ter zitting op gewezen dat de locatiebesluiten berusten op de tot de economische ordeningswetten behorende mijnwetgeving, in welk verband de bescherming van het milieu als zodanig geen grond kan zijn voor weigering van een concessie. Het belang van het milieu kan slechts reden zijn voor het stellen van beperkingen. Dat is het gevolg van de implementatie van de zogenaamde Koolwaterstoffenrichtlijn (richtlijn 94/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 1994 betreffende de voorwaarden voor het verlenen en het gebruik maken van vergunningen voor de prospectie, de exploratie en de produktie van koolwaterstoffen, PbEG L 164/3). Door de implementatie van de Koolwaterstoffenrichtlijn (bij Wet van 18 maart 1996, Stb. 1996, 199) bepaalt art. 7 lid 2 onder b Mijnwet 1903 thans, dat aan de concessie slechts voorschriften kunnen worden verbonden indien deze gerechtvaardigd worden door de milieubescherming. Naar het oordeel van de rechtbank ligt hierin geen aanknopingspunt besloten op grond waarvan tot het oordeel kan worden gekomen dat verweerder bij het nemen van de onderhavige locatiebesluiten geen rekening diende te houden met alle milieugevolgen zoals bepaald in art. 7.35 lid 1 Wm, omdat art. 7 lid 2 onder b Mijnwet 1903 geen beperkingen stelt aan de hier aan de orde zijnde goedkeuringsbevoegdheid die gebaseerd is op reeds bestaande concessies. 2.2.3.4 Plan van Aanpak: afstand van weigeringsbevoegdheid 2.2.3.4.1 De standpunten van partijen Naar de mening van eisers is verweerder er ten onrechte van uitgegaan dat de proefboringen nu eenmaal moesten worden toegestaan. Telkens komt in de stukken (verwezen is naar Kamerstukken I 1993/94, 23 546, nr. 370 b, p. 2-4) als zijn opvatting naar voren dat het recht tot winning van de gasvoorkomens niet ten principale aan de orde kan worden gesteld, omdat de concessies een onbeperkt eigendomsrecht van de gasvoorkomens geven. De opvatting van verweerder op dit punt heeft er toe geleid dat hij zich, met voorbijgaan aan de volwaardige rol die het milieubelang in de besluitvorming moet spelen, in de onderhandelingen met de mijnbouwmaatschappijen al heeft verbonden de bestreden locatiebesluiten te nemen. Dit blijkt in het bijzonder uit het Plan van Aanpak, met name uit hetgeen op de pagina's 2, 4, 5 en 12 is beschreven. Met het Plan van Aanpak heeft verweerder volgens eisers een resultaatsverplichting op zich genomen, inhoudende dat hij zich ertoe verplichtte de vereiste vergunningen te verlenen. Nergens in het Plan van Aanpak is het voorbehoud gemaakt dat de bevindingen van het MER kunnen leiden tot afwijzing van een voorgenomen proefboring. Het MER is alleen van belang geacht voor de exacte locatiebepaling binnen een zoekgebied, niet voor de vraag óf in een bepaald zoekgebied wel geboord moet worden. In plaats daarvan had het Plan van Aanpak een voorbehoud moeten bevatten met als strekking dat de nog in te brengen inspraakreacties, bezwaren en adviezen zouden kunnen leiden tot het alsnog weigeren van de vereiste vergunningen: een inspanningsverbintenis derhalve. Met de in het Plan van Aanpak verwoorde overeenstemming tussen de rijksoverheid en mijnbouwmaatschappijen heeft verweerder derhalve afstand gedaan van zijn bevoegdheid om goedkeuring te weigeren. Een dergelijke overeenkomst is in strijd met de artikelen 7d. en 13d uit de respectieve concessies, art. 7.35 Wm en art. 8 van de Richtlijn mer (richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, PbEG 1985 L 175/40). Door bij voorbaat af te zien van de mogelijkheid goedkeuring te weigeren zijn deze artikelen, die een waarborg bieden voor een volwaardige plaats voor het milieubelang, geschonden. Volgens eisers vindt hun standpunt steun in de jurisprudentie (AGRvS 1 september 1992, AB 1993, 400; Vz.AGRvS 26 september 1991, AB 1992, 283; AGRvS 26 juli 1993, nr. G05.91.0821, Nieuwsbrief Adviseur Beroepen Milieubeheer 1993, p. 142). Door eisers is ook nog gewezen op de overweging van de ABRS in de uitspraak over de partiële herziening van de PKB-Waddenzee (ABRS 21 november 1996, M en R 1997/44) dat "het al dan niet toestaan van exploratieboringen binnen het PKB-gebied bij een beoordeling in verdere planologische en andere procedures ten volle aan de orde kan komen". Verweerder kon volgens eisers echter niet meer 'ten volle' treden in de vraag of de proefboringen al dan niet moesten worden toegestaan, omdat hij gebonden was aan de in het Plan van Aanpak neergelegde afspraken met de NAM. Voor derden was het daardoor zinloos de principile toelaatbaarheid van mijnbouwactiviteiten in en om de Waddenzee aan de orde te stellen. Op grond van bovenstaande argumenten stellen eisers dat de bestreden besluiten zijn genomen in strijd met art. 7.35 Wm, art. 8 van de Richtlijn mer en de artikelen 7d en 13d van de respectieve concessies. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de mijnwetten noch de concessies verbieden het milieubelang in volle omvang te betrekken in de besluitvorming. Dit kan in een specifiek geval betekenen dat na afweging van alle betrokken belangen en met inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, een aanvraag voor een locatiebesluit wegens zwaarwegende milieuoverwegingen wordt afgewezen. Op grond van de bepalingen van de concessies bestaat dus de bevoegdheid een locatiebesluit te weigeren. In deze procedures is naar de mening van verweerder alleen aan de orde of de NAM naar gas mag zoeken op de onderhavige locaties. De uitspraak van de ABRS inzake de partiële herziening van de PKB-Waddenzee betekent volgens verweerder dat op basis van een MER bij de vergunningprocedures de aanvaardbaarheid van een proefboring op een betreffende locatie ten volle moet worden afgewogen. Hiertoe dienen de relevante toetsingskaders te worden gehanteerd. Het Plan van Aanpak heeft niet aan een volledige belangenafweging in de weg gestaan. Het Plan van Aanpak kan ook niet worden beschouwd als een toezegging aan de NAM dat de locatiebesluiten zonder meer genomen zouden worden. In het Plan van Aanpak is dan ook op p. 14 vermeld: "Mede afhankelijk van de te verwachten effecten voor het ecosysteem kunnen bepaalde locaties en/of inrichtingsvarianten afvallen in het besluitvormingstraject". De NAM heeft voor de onderhavige boringen echter geen locaties aangevraagd die vanuit milieuoptiek onaanvaardbaar zijn. Dat is de reden dat de aanvragen zijn goedgekeurd, waarbij volgens verweerder wel rekening is gehouden met onder andere de PKB-Waddenzee en het Plan van Aanpak. Van strijd met art. 7.35 Wm is naar de mening van verweerder dan ook geen sprake. Verder ziet verweerder niet in hoe de bestreden besluiten strijd met de artt. 7d en 13d van de respectieve concessies zou kunnen opleveren. De NAM heeft zich er op beroepen dat aan de concessionarissen onherroepelijke opsporings- en winningsrechten zijn toegekend. Volgens de NAM mag er op vertrouwd worden dat die rechten worden gerespecteerd. Bij de nadere besluitvorming zal ook daarmee rekening gehouden moeten worden. Het kan niet zo zijn dat de uitoefening van deze rechten in een latere fase in feite onmogelijk wordt gemaakt. Slechts in ultieme gevallen zouden de leemten in kennis kunnen leiden tot onthouding van de goedkeuring en dan nog alleen in het geval dat aan het milieubelang een zwaarder gewicht moet worden toegekend dan aan een ander (evident) belang. Het Plan van Aanpak vloeit voort uit de partiële herziening van de PKB-Waddenzee, doch kan daarmee volgens de NAM niet op één lijn worden gesteld. Het Plan van Aanpak wijzigt geen bestaande rechtsverhouding, doch stelt daaraan voorwaarden of legt beperkingen op. Het Plan van Aanpak wil geen bevoegdheden regelen buiten enig wettelijk voorschrift om. Het bindt slechts de toegetreden partijen en geeft duidelijkheid naar buiten. Het Plan van Aanpak stelt inhoudelijk geen beperkingen aan de nog te nemen bestuurlijke beslissingen en geeft evenmin inhoudelijke aanwijzingen voor de richting van de bestuurlijke besluitvorming. De partiële herziening van de PKB-Waddenzee heeft de winningsrechten niet aangetast, doch aan de uitvoering ervan worden wel belangrijke beperkingen gesteld. Mede op grond van de uitspraak van de ABRS over de partiële herziening van de PKB-Waddenzee is de NAM van mening dat de principiële vraag of er een maatschappelijke noodzaak is voor proefboringen in en rond de Waddenzee materieel niet meer aan de orde kan komen: die afweging hebben kabinet en volksvertegenwoordiging al gemaakt. Hieraan wordt de conclusie verbonden dat enkel nog de afzonderlijke locaties voor de proefboringen ter discussie kunnen staan. De NAM acht het in theorie mogelijk dat de milieugevolgen voor een bepaalde locatie dusdanig zijn, dat zodanig scherpe voorwaarden aan de vergunning worden verbonden dat die niet of nauwelijks meer uitvoerbaar zou zijn, hetgeen neerkomt op een materiële weigering. Die omstandigheden zullen zich echter niet licht voordoen, omdat er voldoende keuzeruimte is met betrekking tot plaats en tijd van uitvoering van de boring. 2.2.3.4.2 In rechte In de eerste plaats overweegt de rechtbank dat de bevoegdheid tot goedkeuring mede de bevoegdheid tot weigering van zodanige goedkeuring inhoudt. Uit de indertijd verleende concessies mag niet zonder meer worden afgeleid dat daarmee voor verweerder een verplichting is ontstaan om de nu voorgenomen boringen goed te keuren. Weliswaar is het juist dat door indertijd concessies te verlenen, toestemming is gegeven om exploratie- en exploitatie-activiteiten te ondernemen, maar deze toestemming heeft een louter mijnrechtelijk karakter. De aanwezigheid van een dergelijke toestemming laat onverlet dat daarnaast op grond van andere publiekrechtelijke regelingen vergunningen vereist kunnen zijn, alvorens tot zodanige exploratie of exploitatie kan worden overgegaan. Indien de voorgenomen booractiviteiten strijdig zouden zijn met de op grond van die andere regelingen toe te passen criteria, behoort de desbetreffende vergunning geweigerd te worden, eventueel en voor zover nodig onder het aanbieden van schadevergoeding. Het feit dat met de concessieverlening van rechtswege de eigendom van de in het gebied gelegen gasvoorkomens overgaat naar de concessionaris (in casu de NAM) staat aan de weigering van goedkeuring niet in de weg. De rechtbank is van oordeel dat in deze procedures enkel de aanvaardbaarheid van booractiviteiten op de gegeven locaties in de Noordzeekustzone en op Ameland aan de orde is. Net zoals verweerder zich heeft moeten beperken tot een beoordeling van de voor de onderhavige locaties door de NAM ingediende aanvragen, dient de rechtbank zich te beperken tot toetsing aan de rechtmatigheid van de door verweerder (na bezwaar) op die aanvragen genomen besluiten. Aan de overwegingen van de ABRS in de uitspraak over de partiële herziening van de PKB-Waddenzee komt in dit verband, mede gelet op het feit dat geen van de onderhavige locaties is gelegen in het PKB-Waddenzeegebied, geen bijzondere betekenis toe. De stelling van eisers dat uit het Plan van Aanpak voortvloeit dat verweerder zich erop heeft vastgelegd dat hij de voor het uitvoeren van proefboringen benodigde goedkeuring onafhankelijk van de uitkomsten van het MER zou verlenen, mist naar het oordeel van de rechtbank feitelijke grondslag. Pagina 2 van het Plan van Aanpak vermeldt over de status en binding onder meer het volgende: "Met de opstelling van het Plan van Aanpak wordt naar derden toe duidelijkheid geschapen over de voorwaarden waaronder naar gas mag worden geboord in en om de Waddenzee en over de nadere afspraken die daaromtrent worden gemaakt. Deze duidelijkheid geldt niet alleen in de richting van het parlement, maar ook in de richting van insprekers en maatschappelijke organisaties. Het Plan van Aanpak vormt, zoals in de partiële herziening van de PKB-Waddenzee is verwoord, de basis voor de op te stellen MER(en). In deze MER(en) zal onder andere aandacht worden besteed aan landschappelijke inpassing, mitigerende maatregelen en compensatie." Op p. 12 van het Plan van Aanpak komt nog de volgende passage voor: "Na ontvangst van het bij het verzoek om goedkeuring gevoegde milieu-effectrapport én nadat er in de PWC overeenstemming is bereikt, zal de Minister van Economische Zaken formeel het besluit tot goedkeuring nemen, waarmee ook de locatie komt vast te staan." Laatstgenoemde passage is echter opgenomen onder het kopje 'coördinatie' van de paragraaf waarin een uiteenzetting wordt gegeven van het te doorlopen besluitvormingstraject, mede vanwege het op te stellen MER. Aan deze passage komt naar het oordeel van de rechtbank daarom niet het belang toe dat eisers daaraan gehecht willen zien. De rechtbank is van oordeel dat aan bovenaangehaalde passages, noch aan enig andere passage uit het Plan van Aanpak, de conclusie kan worden verbonden dat verweerder concrete, rechtens te honoreren toezeggingen jegens de NAM heeft gedaan dat op de aanvragen positief zou worden beslist. Dat het Plan van Aanpak geen uitdrukkelijk voorbehoud van verweerder bevat dat, indien de milieugevolgen van de proefboringen daartoe aanleiding zouden geven de gevraagde goedkeuring zal worden geweigerd, doet daaraan niet af. Het argument van eisers, dat erop neerkomt dat de uitkomst van de door verweerder te plegen bestuurlijke afweging door ondertekening van het Plan van Aanpak al van te voren vast lag, wordt door de rechtbank dan ook verworpen. Op dit punt is van strijd met de door eisers genoemde wettelijke bepalingen geen sprake. 2.2.3.5 Afstand gedaan van intrekkingsbevoegdheid door voorschrift 2.2.3.5.1 De standpunten van partijen Volgens eisers is door verweerder afstand gedaan van de bevoegdheid de locatiebesluiten in te trekken indien daarvoor aanleiding zou bestaan. Dit blijkt uit lid 2 van art. 3 (hierna te noemen: het monitoringsvoorschrift) van de onder art. II in de locatiebesluiten opgenomen voorschriften. Dit monitoringsvoorschrift luidt -voor zover hier van belang- aldus: "De voorschriften verbonden aan dit besluit kunnen worden gewijzigd, indien [...] deze proefboring [...] in belangrijke mate nadeliger gevolgen voor het milieu heeft dan die welke bij het nemen van dit besluit werden verwacht". Verweerder heeft zich in dit voorschrift niet de bevoegdheid tot intrekking van het besluit voorbehouden. Aldus heeft hij afstand gedaan van de hem op grond van art. 7.42 juncto art. 7.35 Wm toekomende bevoegdheid om het goedkeuringsbesluit in te trekken op het moment dat zou blijken dat de nadelige milieugevolgen niet zijn te ondervangen door het aanscherpen van de voorschriften. Niet alleen de locatiebesluiten als zodanig, maar ook het onderhavige voorschrift is volgens eisers derhalve in strijd met art. 7.42 juncto 7.35 Wm. Verweerder bestrijdt dat afstand is gedaan van de bevoegdheid tot intrekking. Die bevoegdheid bestaat reeds op grond van ongeschreven bestuursrecht. Indien de voorschriften die aan de vergunningen zijn verbonden door de NAM niet worden nageleefd, kan verweerder na afweging van belangen en met inachtneming van de algemene beginselen van bestuur, de goedkeuring intrekken. Eenzelfde bevoegdheid bestaat indien de milieugevolgen van een proefboring ernstiger zijn dan was verwacht. Naar de mening van verweerder dwingt art. 7.42 Wm er niet toe in de bestreden besluiten de bevoegdheid tot intrekking op te nemen, maar wel om aanvullende maatregelen te nemen indien uit de proefboring blijkt dat de boring in belangrijke mate nadeliger gevolgen voor het milieu heeft dan die welke bij het nemen van het besluit werden voorzien. Het opnemen in de locatiebesluiten van de mogelijkheid tot aanscherping van de voorschriften wordt voldoende geacht, mede omdat de leemten in kennis niet zo ernstig zijn dat verwacht wordt dat intrekking van de bestreden besluiten nodig zal zijn. Door zo nodig over te gaan tot een zeer ingrijpende wijziging van de voorschriften kunnen onverhoopt ernstige milieugevolgen worden ondervangen. Mocht dat het geval zijn dan worden de locatiebesluiten door verweerder ingetrokken. Van strijd met art. 7.42 juncto art. 7.35 Wm is naar de mening van verweerder dan ook geen sprake. 2.2.3.5.2 In rechte Het niet opnemen in de locatiebesluiten van de bevoegdheid tot intrekking daarvan acht de rechtbank niet in strijd met de wet. Eisers hebben betoogd dat verweerder door het enkel opnemen in het monitoringsvoorschrift van de in art. 7.42 Wm genoemde wijzigingsbevoegdheid, afstand heeft gedaan van de bevoegdheid tot intrekking. Daarmee wordt echter miskend dat de rechtsverhouding die tussen de NAM en verweerder bestaat niet alleen wordt beheerst door het locatiebesluit, maar mede door de wet en door hetgeen waartoe verweerder op grond van ongeschreven regels van bestuursrecht bevoegd is. Het monitoringsvoorschrift laat de intrekkingsbevoegdheid van verweerder naar het oordeel van de rechtbank dan ook onverlet, mede omdat art. 7.42 Wm geen aparte intrekkings- of wijzigingsbevoegdheden in het leven roept, maar slechts bepaalt in welke gevallen daarvan op grond van de wet gebruik gemaakt kan worden en welke wettelijke voorschriften daarbij in acht moeten worden genomen. De grief van eisers dat het monitoringsvoorschrift en de bestreden besluiten in zoverre in strijd zijn met art. 7.35 Wm juncto art. 7.42 Wm wordt daarom verworpen. In het vervolg van deze uitspraak zal nog aan de orde komen of het monitoringsvoorschrift ook overigens de toetsing door de rechtbank kan doorstaan. 2.2.4 Plan van Gasafzet 1996 niet ter inzage gelegd 2.2.4.1 De standpunten van partijen Eisers hebben aangevoerd dat het niet ter inzage leggen van het Plan van Gasafzet 1996 in de bezwaarprocedure wegens strijd met art. 7:4 Awb zou moeten leiden tot vernietiging van de bestreden besluiten. Verder achten eisers het in strijd met de beginselen van behoorlijk procesrecht, dan wel met het beginsel van fair play, dat de bestreden besluiten zijn genomen op grond van deels andere gegevens dan waarover de bezwaarmakers beschikten. Ter onderbouwing van hun standpunt hebben eisers verwezen naar een uitspraak van de president van de rechtbank Den Haag (uitspraak van 19 februari 1996, registratienummers 95/11635 en 95/11587). Eisers wijzen erop dat verweerder, mede ter onderbouwing van het zwaarwegend maatschappelijk belang, heeft gesteld dat bij de dekking van de voorziene vraag naar gas in het Plan van Gasafzet 1996 al rekening is gehouden met de reserves onder de Waddenzee en dat deze dekking niet door andere velden kan worden overgenomen. Volgens eisers wordt hiermee gesuggereerd dat de bestemming van het Waddengas al is vastgelegd en dat leveringsproblemen zullen optreden indien niet tot winning kan worden overgegaan. Onduidelijk is echter of het bij de verwachte problemen alleen gaat om een doorkruising van de plannen van de Gasunie of dat bijvoorbeeld reeds gecontracteerd is over het Waddengas. Eisers stellen dat zij, zolang zij niet konden beschikken over het volledige Plan van Gasafzet 1996 (dan wel over een geschoonde versie daarvan) de juistheid van verweerders standpunt niet konden controleren. De openbaar gemaakte hoofdlijnen van het Plan van Gasafzet 1996 ("Marktverkenning lange termijn, hoofdlijnen Plan van Gasafzet") waarover zij wel beschikten, biedt hiervoor onvoldoende aanknopingspunten. Ter zitting is hieraan door eisers toegevoegd dat het niet ter inzage leggen van het Plan van Gasafzet 1996 niet gepasseerd kan worden met een beroep op art. 6:22 Awb, omdat niet gezegd kan worden dat zij in hun processuele belangen niet zijn geschaad. Indien eisers hangende bezwaar zelf de onjuistheid hadden kunnen constateren van de bewering dat de voorzieningszekerheid en het kleine veldenbeleid noodzaken tot winning van het Waddengas, had daarop in de bezwaarprocedure een beroep kunnen worden gedaan. De heroverweging door verweerder was dan wellicht anders uitgevallen. Volgens verweerder wordt in de bestreden besluiten verwezen naar de summiere, openbaar gemaakte versie van het Plan van Gasafzet 1996 en niet naar de integrale versie daarvan. Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat noch het integrale Plan van Gasafzet 1996, noch de de gepubliceerde summiere versie daarvan ("Marktverkenning lange termijn") een stuk is als bedoeld in art. 7:4 lid 2 Awb. Hiertoe is aangevoerd dat de enkele verwijzing in een besluit van een bestuursorgaan naar bijvoorbeeld jurisprudentie of een planologische kernbeslissing nog niet maakt dat deze daarmee een 'op de zaak betrekking hebbend stuk' zijn. Voorts is verweerder van mening dat, indien de rechtbank het Plan van Gasafzet 1996 wel als een zodanig stuk zou aanmerken, het niet ter inzage leggen daarvan op grond van art. 6:22 Awb kan worden gepasseerd. Ten slotte heeft verweerder nog opgemerkt dat eisers geen relevante informatie is onthouden, omdat de summiere versie wat betreft het Waddengas nagenoeg dezelfde informatie bevat als de integrale versie van het Plan van Gasafzet
- De door eisers genoemde uitspraak van de president van de rechtbank Den Haag acht verweerder niet relevant, omdat het stuk waarom het in die zaak ging niet een door een derde opgesteld stuk was, maar een aanbiedingsnota van een bestuursorgaan zelf. 2.2.4.2 In rechte Art. 7:4 Awb luidt -voor zover hier relevant- als volgt: "lid 2 Het bestuursorgaan legt het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste een week voor belanghebbenden ter inzage. lid 6 Het bestuursorgaan kan (...) toepassing van het tweede lid (...) achterwege laten, voor zover geheimhouding om gewichtige redenen is geboden. Van de toepassing van deze bepaling wordt mededeling gedaan." Art. 7:4 lid 2 Awb strekt ertoe belanghebbenden in staat te stellen kennis te nemen van in beginsel alle op de zaak betrekking hebbende stukken. Naar het oordeel van de rechtbank moet ook het Plan van Gasafzet 1996 daartoe worden gerekend omdat voldoende aannemelijk is dat het bij verweerders besluitvorming een rol heeft gespeeld. Naar het oordeel van de rechtbank is art. 7:4 lid 2 Awb dan ook geschonden, terwijl evenmin uitvoering is gegeven aan de afwijkingsmogelijkheid van het zesde lid. In het kader van de beroepszaken bij de rechtbank zijn eisers alsnog in het bezit gesteld van een opgeschoonde versie van het Plan van Gasafzet
- Deze versie bevat de voor eisers van belang zijnde gegevens, waarvan eisers in deze beroepsprocedures voor de rechtbank ook gebruik hebben gemaakt. De rechtbank ziet echter niet in dat eisers, die wel in het bezit waren van de Marktverkenning lange termijn, door de onbekendheid met de inhoud van het Plan van Gasafzet 1996 een kans hebben gemist om met succes te pleiten voor een gunstiger besluit op hun bezwaarschrift. De rechtbank acht het onaannemelijk dat de bestreden besluiten in dat geval anders hadden geluid. Van omstandigheden op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het beginsel van fair play is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eisers niet in overwegende mate in hun processuele belangen zijn geschaad en dat de schending door verweerder van art. 7:4 Awb kan worden gepasseerd met toepassing van art. 6:22 Awb. Overigens zal de rechtbank -zoals hierboven onder 2.2.2 reeds is aangegeven- bij haar verdere beoordeling geen acht slaan op de gedeelten uit het Plan van Gasafzet 1996 waarvan de kennisneming aan eisers is onthouden. 2.2.5 De toepasselijkheid van de Vogel- en de Habitatrichtlijn 2.2.5.1 Inleiding Voordat de rechtbank in zal gaan op de vraag of verweerder het MER kon aanvaarden, dient zij eerst te beoordelen of, zoals door eisers is gesteld, de bepalingen van de Vogel- en Habitatrichtlijn van toepassing moeten worden geacht op de voorgenomen proefboringen in de Noordzeekustzone en op Ameland. De rechtbank stelt deze vraag reeds op deze plaats aan de orde, omdat het MER en de aanvaarding daarvan door verweerder, welke onderwerpen hierna aan de orde zullen komen, moeten worden getoetst aan de relevante bepalingen van de Vogel- en Habitatrichtlijn, indien deze geacht moeten worden van toepassing te zijn. Centraal staat daarbij de vraag of de keuze van de doelvariabelen (zie daarvoor par. 2.2.6.10.3) in het MER in het licht van de beide richtlijnen de toets der kritiek kan doorstaan. 2.2.5.2 De standpunten van partijen Eisers stellen zich op het standpunt dat de beide richtlijnen in de Nederlandse wet- en regelgeving niet -voldoende- zijn geïmplementeerd en dat de in art. 6 lid 3 en 4 Habitatrichtlijn opgenomen toets (hierna ook aan te duiden als habitat-toets) directe werking toekomt, zodat daaraan rechtstreeks moet worden getoetst. Eisers betogen dat Ameland en de Noordzeekustzone zich als speciale beschermingszones in de zin van de Vogelrichtlijn (hierna ook SBZ te noemen) kwalificeren en dat, gelet op de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap (HvJEG), moet worden aangenomen dat om die reden proefboringen die in deze gebieden worden voorgenomen, onderworpen zijn aan de habitat-toets, ook al zijn zij door Nederland niet als zodanig aangewezen en bij de Europese Commissie aangemeld. Eenzelfde redenering geldt in de visie van eisers voor de gebieden die zich kwalificeren als speciale beschermingszones in het kader van de Habitatrichtlijn, omdat Nederland die gebieden reeds in juni 1995 had moeten aanmelden. Verweerder erkent de relevantie van beide EG-richtlijnen voor het PKB-Waddenzeegebied in verband met de externe werking van deze richtlijnen. Verweerder meent evenwel dat geen sprake is van aantasting van de natuurlijke kenmerken van de Waddenzee, zonder daaruit overigens af te leiden dat daarvoor niet aan de Habitatrichtlijn hoeft te worden getoetst. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de beide EG-richtlijnen door Nederland voldoende zijn geïmplementeerd door middel van de Natuurbeschermingswet, de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en een aantal PKB's en dat om die reden niet aan de relevante bepalingen van de richtlijnen zelf behoeft te worden getoetst. Verweerder verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak inzake Goodrich (ABRS 11 december 1996, AB 1997, 166), PKB-Betuweroute (ABRS 31 januari 1997, AB 1997, 210) en Windmolenpark Zeewolde (ABRS 6 november 1997, Nieuwsbrief StAB 97-151). Ter zitting is door de vertegenwoordiger van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij meegedeeld dat er momenteel geen plannen bestaan om Ameland en de Noordzeekustzone aan te wijzen als SBZ. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting verklaard dat, indien deze gebieden zich objectief kwalificeren als SBZ, kan worden aangenomen dat de Vogelrichtlijn, zoals gewijzigd bij de Habitatrichtlijn, van toepassing is op deze gebieden. De NAM heeft zich in hoofdzaak aangesloten bij de argumenten van verweerder op dit punt. 2.2.5.3 In rechte 2.2.5.3.1 De Vogelrichtlijn Op grond van art. 4 lid 1 van de Vogelrichtlijn dienen de Lid-Staten voor de in Bijlage I genoemde vogelsoorten, die bijzonder kwetsbaar zijn, speciale beschermingsmaatregelen te treffen, met name door het aanwijzen van de meest geschikte gebieden als SBZ. Op grond van art. 4 lid 2 Vogelrichtlijn geldt eenzelfde verplichting ten aanzien van geregeld voorkomende trekvogels. De implementatietermijn van deze richtlijn eindigde 2 jaar na de kennisgeving ervan, dat wil zeggen op 6 april
- Nederland heeft een aantal gebieden als SBZ aangewezen, waaronder een groot deel van het gebied van de PKB-Waddenzee. Bij Conclusie van 9 oktober 1997 heeft de Advocaat-generaal bij het HvJEG (A-G) in zaak C 3/96 (Commissie tegen het Koninkrijk der Nederlanden) geoordeeld dat Nederland te weinig SBZ's heeft aangewezen en aldus in strijd heeft gehandeld met de uit de Vogelrichtlijn voortvloeiende verplichtingen. Van doorslaggevend belang acht het HvJEG dat uit de zogenaamde IBA 1989 (een door de International Council of Bird Preservation opgestelde lijst) blijkt dat zich in Nederland 70 gebieden als SBZ kwalificeren met een oppervlakte van bijna 800.000 ha, terwijl Nederland slechts 23 gebieden als SBZ heeft aangewezen met een oppervlakte van in totaal ruim 300.000 ha, waarvan reeds 250.000 ha. voor rekening van de Waddenzee komt. De rechtbank merkt hierbij op dat in deze procedure voor het HvJEG de IBA 1994, welke een actualisering van de IBA 1989 inhoudt, niet aan de orde kon komen. De IBA 1994 vermeldt 87 gebieden die zich in Nederland als SBZ kwalificeren met een totale oppervlakte van ruim 1 miljoen ha. Eisers hebben in de onderhavige procedure het Technisch rapport nr. 13 van de Vogelbescherming Nederland overgelegd, welk rapport, zoals ter zitting door de vertegenwoordiger van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij is bevestigd, de basis heeft gevormd voor de IBA 1994 en inhoudelijk daaraan gelijk is. In het Technisch rapport nr. 13 worden onder meer Ameland en de Noordzeekustzone vermeld als gebieden die zich kwalificeren als SBZ's, welke derhalve op grond van de Vogelrichtlijn moeten worden aangemeld bij de Europese Commissie. Niet is gesteld of gebleken dat de in bedoeld rapport vermelde gegevens en de daaraan verbonden kwalificaties als SBZ niet juist zouden zijn. Op 19 mei 1998 heeft het HvJEG in zaak 3/96 arrest gewezen, waarbij de Conclusie van de A-G werd gevolgd, zoals door de gemachtigde van eisers op 19 mei 1998 ter zitting is meegedeeld. De rechtbank overweegt verder dat voor de aanwijzing van SBZ's in het kader van de Vogelrichtlijn slechts ornithologische criteria mogen worden gebruikt. Dit blijkt uit de arresten van het HvJEG in de Lappel Bank-zaak (HvJEG 11 juli 1996, zaak C-44/95, M en R 1996/115) en de Santona-zaak (HvJEg 2 augustus 1993, zaak C-335/90, Jur. 1993, p. I-4221). Hieruit volgt dat een Lid-Staat niet op economische gronden mag besluiten om een bepaald deel van een belangrijk vogelgebied niet aan te wijzen als SBZ. Het Hof baseert dat standpunt onder meer op het feit dat art. 3 Vogelrichtlijn wel verwijst naar art. 2 Vogelrichtlijn, waarin economische en recreatieve eisen worden genoemd, maar dat in art. 4 Vogelrichtlijn een dergelijke verwijzing ontbreekt. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de Santona-uitspraak dat het HvJEG de beleidsvrijheid van de Lid-Staten ten aanzien van de aanwijzing van SBZ's wezenlijk inperkt. In die zaak ging het onbetwist om een vanuit ecologisch oogpunt zeer belangrijk moerasgebied in Spanje, dat door Spanje wel als natuurreservaat was aangemerkt, maar in het kader van de Vogelrichtlijn niet als SBZ was aangewezen. Volgens het Hof hebben de Lid-Staten weliswaar een zekere beleidsvrijheid ten aanzien van de keuze van als SBZ aan te wijzen gebieden, maar naarmate op grond van objectieve, ornithologische gegevens duidelijker is dat het om een ecologisch zeer belangrijk gebied gaat, wordt die beleidsvrijheid kleiner. Het Hof concludeerde in deze zaak dan ook dat Spanje, door dat gebied niet als SBZ aan te wijzen, zijn verplichtingen niet was nagekomen. Uit het Lappel Bank-arrest, dat nadien is gewezen, leidt de rechtbank voorts af dat, ook wanneer zich in een bepaald gebied geen vogels bevinden die onder de Vogelrichtlijn bescherming genieten, maar dat gebied wel een belangrijk onderdeel uitmaakt van het ecosysteem van een gebied waarin die beschermde vogels wel voorkomen, dat gebied in het kader van de Vogelrichtlijn moet worden aangewezen als SBZ. Op grond van art. 4 lid 4 Vogelrichtlijn zijn de Lid-Staten verplicht om passende maatregelen te nemen om vervuiling en verslechtering van de speciale beschermingszones te voorkomen en verder te voorkomen dat vogels aldaar worden gestoord, voorzover de vervuiling, verslechtering en storing gelet op de doelstellingen van dat artikel van wezenlijke invloed zijn. Het HvJEG heeft zich over de draagwijdte van deze verplichting onder meer uitgesproken in de Santona-zaak en geoordeeld dat de verplichtingen die uit art. 4 lid 4 Vogelrichtlijn voortvloeien ook gelden ten aanzien van gebieden die niet als SBZ zijn aangewezen, maar wel als zodanig aangewezen hadden moeten worden. In dezelfde uitspraak verklaart het Hof dat economische redenen geen afwijking rechtvaardigen van de bechermingsverplichting van art. 4 lid 4 Vogelrichtlijn. 2.2.5.3.2 De Habitatrichtlijn Op 21 mei 1992 is de Habitatrichtlijn door de Raad van de EG aangenomen welke richtlijn zich richt op de bescherming van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, dit met uitzondering van vogels die al onder de bescherming van de Vogelrichtlijn vallen. De Habitatrichtlijn heeft tot doel (art. 2 lid 1) bij te dragen tot het waarborgen van de biologische diversiteit door het instandhouden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna op het Europese grondgebied van de Lid-Staten waarop het EG-verdrag van toepassing is. De op grond van deze richtlijn genomen maatregelen (lid 2) beogen de natuurlijke habitats en de wilde dier- of plantensoorten van communautair belang in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen. Lid 3 bepaalt dat in de op grond van deze richtlijn genomen maatregelen rekening wordt gehouden met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, en met de regionale en lokale bijzonderheden. In art. 3 lid 1 van de Habitatrichtlijn is bepaald dat er een coherent Europees ecologisch netwerk wordt gevormd van speciale beschermingszones, Natura 2000 genaamd. Dit netwerk, dat bestaat uit gebieden met in bijlage I genoemde typen natuurlijke habitats en habitats van in bijlage II genoemde soorten, moet de betrokken typen natuurlijke habitats en habitats van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding behouden of in voorkomend geval herstellen. Het Natura 2000-netwerk bestrijkt ook de door de Lid-Staten overeenkomstig de Vogelrichtlijn aangewezen speciale beschermingszones. Art. 3 lid 2 van de Habitatrichtlijn regelt dat elke Lid-Staat bijdraagt tot de totstandkoming van Natura 2000 al naar gelang van de aanwezigheid op zijn grondgebied van de typen natuurlijke habitats en habitats van soorten als bedoeld in lid
- Hij wijst daartoe, overeenkomstig art. 4 en met inachtneming van de doelstellingen van art. 3 lid 1, gebieden als speciale beschermingszones aan (hierna, ter onderscheiding van de SBZ's in het kader van de Vogelrichtlijn, naar de Engelse benaming special areas of conservation aan te duiden als SAC). In art. 4 Habitatrichtlijn wordt bepaald welke procedure moet worden gevolgd voor de aanwijzing tot SAC. In art. 6 eerste en tweede lid Habitatrichtlijn wordt bepaald welke maatregelen de Lid-Staten dienen te nemen voor de instandhouding van de SAC. De leden 3 en 4 van dit artikel luiden als volgt: "
- Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden.
- Indien een plan of project, ondanks negatieve conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied, bij ontstentenis van alternatieve oplossingen, om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, toch moet worden gerealiseerd, neemt de Lid-Staat alle nodige compenserende maatregelen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. De Lid-Staat stelt de Commissie op de hoogte van de genomen compenserende maatregelen. Wanneer het betrokken gebied een gebied met een prioritair type natuurlijke habitat en/of een prioritaire soort is, kunnen alleen argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijke gunstige effecten dan wel, na advies van de Commissie, andere dwingende redenen van groot openbaar belang worden aangevoerd." Art. 7 Habitatrichtlijn luidt als volgt: "De uit artikel 6, leden 2, 3 en 4, voortvloeiende verplichtingen komen in de plaats van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 4, lid 4, eerste zin, van Richtlijn 79/409/EEG, voor wat betreft de speciale beschermingszones die overeenkomstig artikel 4, lid 1, van die richtlijn zijn aangewezen of bij analogie overeenkomstig artikel 4, lid 2, van die richtlijn zijn erkend, zulks vanaf de datum van toepassing van de onderhavige richtlijn, dan wel vanaf de datum van de aanwijzing of erkenning door een Lid-Staat overeenkomstig Richtlijn 79/409/EEG, indien deze datum later valt." 2.2.5.3.3 De toepasselijkheid van de beide richtlijnen Hoewel noch de Noordzeekustzone, noch Ameland door de Nederlandse regering is aangewezen als SBZ in het kader van Vogelrichtlijn, kan op grond van het al eerder vermelde technische rapport van de Vogelbescherming, dat de grondslag vormt van de IBA 1994, naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat beide gebieden zich kwalificeren als SBZ's en dus in feite als zodanig hadden moeten worden aangewezen door de Nederlandse regering. Op grond van de hiervoor besproken jurisprudentie van het HvJEG moet het er dan ook voor worden gehouden dat de -aanvankelijke- bescherming van art. 4 lid 4, eerste volzin Vogelrichtlijn ook geldt ten aanzien van deze beide gebieden. Uit hoofde van art. 7 Habitatrichtlijn is die bepaling vervangen door art. 6 lid 2-4 Habitatrichtlijn, hetgeen meebrengt dat de in laatstgenoemde bepalingen neergelegde habitat-toets in beginsel van toepassing is op activiteiten die op Ameland en in de Noordzeekustzone worden voorgenomen waar het gaat om de bescherming van vogelsoorten die in Bijlage I van de Vogelrichtlijn staan vermeld, dan wel uit hoofde van art. 4 lid 2 Vogelrichtlijn bescherming verdienen. Nu voormeld technisch rapport van de Vogelbescherming Nederland van 1994 dateert en de grondslag vormt van de IBA 1994, is de rechtbank van oordeel dat de habitat-toets ten aanzien van door de Vogelrichtlijn beschermde vogelsoorten reeds ten tijde van het nemen van de bestreden besluiten toepasselijk was. De rechtbank leidt dit tijdstip met name af uit de uitspraak van het HvJEG in de Lappel Bank-zaak en verwijst hiervoor ook naar de Conclusie van de Advocaat-Generaal in de zaak C-3/96 (par. 42). Hoewel art. 7 Habitatrichtlijn bepaalt dat de habitat-toets van toepassing is met ingang van de inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn, dan wel vanaf de datum van aanwijzing of erkenning door een Lid-Staat overeenkomstig de Vogelrichtlijn, indien die datum later valt, is de rechtbank van oordeel dat het te ver zou gaan om deze bepaling zo uit te leggen dat, zolang een gebied niet als SBZ is aangewezen of erkend, niet de habitat-toets geldt, maar in plaats daarvan de bescherming van de eerste volzin van art. 4 lid 4 Vogelrichtlijn. Weliswaar is die bescherming, gelet op de hiervoor vermelde rechtspraak van het HvJEG, zeer vermoedelijk vergaander dan de habitat-toets, omdat economische motieven geen rechtvaardiging kunnen vormen voor ingrepen in een SBZ, maar de rechtbank acht een uitleg die er op neerkomt dat het beschermingsregime ten aanzien van een gebied minder streng wordt door de aanmelding ervan bij de Europese Commissie niet voor de hand liggend en in strijd met de strekking van beide richtlijnen. Ten aanzien van de stelling van eisers dat de habitat-toets thans ook reeds geldt voor SAC in de zin van art. 3 e.v. Habitatrichtlijn, welke zijn gelegen in de Noordzeekustzone en op Ameland overweegt de rechtbank het volgende. In art. 4 Habitatrichtlijn is voorzien in een gefaseerde implementatie van de richtlijn. Deze komt erop neer dat de Lid-Staten uiterlijk binnen 3 jaar na kennisgeving van de richtlijn een lijst aan de Europese Commissie toezenden, waarop gebieden staan aangegeven die natuurlijke habitats vormen als bedoeld in bijlage I van de richtlijn en waarin inheemse soorten van bijlage II van de richtlijn voorkomen. Deze eerste periode liep in juni 1995 af. Vervolgens dient de Europese Commissie, aan de hand van die nationale lijsten een ontwerp-lijst van gebieden van communautair belang op te stellen waarop staat aangegeven in welke gebieden één of meer prioritaire habitats of één of meer prioritaire soorten voorkomen. Deze communautaire lijst dient uiterlijk binnen 6 jaar na kennisgeving van de richtlijn te zijn vastgesteld. Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat de Habitatrichtlijn uitdrukkelijk voorziet in een periode van 6 jaar, te rekenen vanaf juni 1992, waarin de communautaire lijst van habitats tot stand moet komen. Ook indien Nederland de Noordzeekustzone en Ameland, gesteld al dat die gebieden zich zouden kwalificeren als SAC, tijdig, dat wil zeggen voor juni 1995, zou hebben aangemeld, dan nog zou vervolgens een periode van 3 jaar zijn ingegaan, waarbinnen de communautaire lijst in overleg met de Europese Commissie tot stand diende te komen, welke periode pas in juni 1998 is verstreken. Dit betekent dat die periode ten tijde van de bestreden besluiten nog niet ten einde was. Daarbij komt dat in art. 4 lid 5 Habitatrichtlijn wordt bepaald dat de rechtsgevolgen van art. 6 lid 2-4 van die richtlijn gelden, zodra een gebied op de communautaire lijst is geplaatst, hetgeen betekent dat daarvoor niet behoeft te worden gewacht op de aanwijzing door de Lid-Staat van de betrokken habitat als SAC. Dit impliceert naar het oordeel van de rechtbank in elk geval dat zolang ten tijde van de overgangsperiode van 6 jaar een gebied niet op de communautaire lijst is geplaatst, de habitat-toets niet van toepassing is op dat gebied, ook indien dat gebied zich op grond van objectieve criteria zou kwalificeren voor de status van SAC. In het licht hiervan kan verder in het midden blijven of de Noordzeekustzone en Ameland zich daadwerkelijk op grond van de criteria van bijlage III bij de Habitatrichtlijn en op grond van relevante wetenschappelijke gegevens daarvoor kwalificeren, zoals door eisers is betoogd. Het gevolg van deze conclusie is dat, indien het om andere diersoorten gaat dan de vogelsoorten die uit hoofde van de Vogelrichtlijn worden beschermd, de habitat-toets geen toepassing kan vinden in het kader van de beoordeling van de onderhavige beroepen. In dat geval moet worden teruggevallen op de desbetreffende nationale wettelijke regelingen en de in PKB's opgenomen beleidsuitspraken. Indien het evenwel gaat om de bescherming van vogelsoorten die uit hoofde van de Vogelrichtlijn een bijzondere bescherming verdienen, zal daarmee in het MER in voldoende mate rekening moeten worden gehouden. Immers, het MER is te beschouwen als een onderdeel van de in de habitat-toets geëiste passende beoordeling. Op deze plaats kan in het midden blijven of deze toepassing geschiedt op grond van de rechtstreekse werking van art. 6 lid 2-4 Habitatrichtlijn, zoals eisers hebben betoogd, dan wel door middel van een richtlijnconforme uitleg van de desbetreffende Nederlandse regelgeving en beleidsuitspraken. 2.2.6 De aanvaardbaarheid van het MER 2.2.6.1.1 Inleiding Eisers hebben aangevoerd dat het ten behoeve van de besluitvorming opgestelde MER in strijd is met art. 7.10 Wm en de richtlijnen, die op grond van art. 7.15 Wm inzake de inhoud van het MER zijn gegeven. Eisers verbinden hieraan de conclusie dat verweerder het MER niet had mogen aanvaarden en de aanvragen van de NAM niet in behandeling had mogen nemen. Door dit wel te doen heeft verweerder in strijd gehandeld met art. 7.18 Wm en art. 4:5 Awb, aldus eisers. In het onderstaande zullen de grieven van eisers tegen het MER worden samengevat, alsmede de standpunten van verweerder en de NAM. Ten behoeve van de beoordeling van de grieven zal de rechtbank tevens ingaan op hetgeen door de StAB aan de rechtbank is geadviseerd, alsmede op de adviezen van Cmer over de richtlijnen en het MER. Hierbij zal ook aan de orde komen wat de Cmer desgevraagd aan de StAB over haar toetsingsadvies heeft meegedeeld. Dit stuk wordt in het onderstaande aangeduid als de Antwoordnotitie van de Cmer. Overigens heeft de Cmer niet ten aanzien van alle onderwerpen die in het onderstaande aan de orde komen een standpunt bepaald. 2.2.6.1.2 Toetsingskader In art. 7.10 lid 1 Wm is bepaald welke onderwerpen ten minste in een MER aan de orde moeten komen. Ingevolge art. 7.15 Wm kan het bevoegd gezag richtlijnen geven die betrekking hebben op de wijze waarop aan -voor zover hier van belang- art. 7.10 Wm moet worden voldaan. Art. 7.18 Wm schrijft voor dat indien het bevoegd gezag van oordeel is dat het MER, mede gelet op de gegeven richtlijnen, niet voldoet aan art. 7.10 Wm dan wel dat het onjuistheden bevat, dit onder opgave van redenen meedeelt aan degene die het MER heeft gemaakt. Op grond van art. 7.18 lid 2 Wm kan deze mededeling achterwege blijven wanneer het bevoegd gezag van mening is dat het MER slechts tekort schiet op ondergeschikte punten. Uit art. 7.28 aanhef en onder b Wm vloeit voort dat het bevoegd gezag een aanvraag om een besluit ten behoeve waarvan een MER moet worden gemaakt buiten behandeling laat indien ten aanzien van dat MER art. 7.18 lid 1 Wm toepassing heeft gevonden. De rechtbank zal in het onderstaande beoordelen of, gelet op het bepaalde in art. 7.18 lid 1 Wm in samenhang met art. 7.28 en onder b Wm, verweerder terecht en op goede gronden het MER heeft kunnen aanvaarden en de aanvragen van de NAM in behandeling heeft genomen. 2.2.6.2 Het ontbreken van een gezamenlijk MER voor de Noordzeekustzone, Ameland en de Waddenzee 2.2.6.2.1 De standpunten van partijen Eisers hebben bezwaren tegen het feit dat niet één integraal MER is gemaakt voor alle voorgenomen proefboringen in de Noordzeekustzone, op Ameland en in de Waddenzee gezamenlijk, maar dat in plaats daarvan de NAM ervoor gekozen heeft om de milieu-effecten van de geplande proefboringen in de Waddenzee in een afzonderlijk MER te onderzoeken. Volgens eisers staat dit aan een integrale beoordeling van de (cumulatieve) milieu-effecten in de weg. Door het strikte onderscheid tussen enerzijds de locaties in en anderzijds de locaties buiten het PKB-Waddenzeegebied is het volgens hen niet mogelijk geweest om de uit milieu-oogpunt minst belastende locaties te kiezen. Dit blijkt met name bij de keuze voor de locatie Pinkegat: de situering van het hefeiland in de Noordzeekustzone lijkt vooral ingegeven te zijn door de afspraak dat in het PKB-Waddenzeegebied maximaal zes proefboringen mogen worden verricht. Uit milieu-oogpunt is situering in de Waddenzee mogelijk beter omdat daardoor de boortijd aanmerkelijk bekort wordt en de verstoringseffecten zich derhalve gedurende een kortere tijd zullen voordoen. Verweerder heeft naar aanleiding van dit bezwaar opgemerkt dat er in het Plan van Aanpak om diverse redenen voor gekozen is om twee afzonderlijke milieu-effectrapporten op te stellen. Deze redenen hangen samen met een aantal functionele en fundamentele verschillen tussen de Waddenzee en de Noordzeekustzone, namelijk: - de verschillen in (juridische) status van de twee gebieden (wel/niet in PKB-Waddenzeegebied); - de verschillen in technische randvoorwaarden. In de Noordzeekustzone kan uitsluitend met een hefeiland gewerkt worden; in de Waddenzee ook met een ponton; - de verschillen in menselijk medegebruik; - de verschillen in fysisch-geografische en klimatologische omstandigheden; - de verschillen in natuurwaarden (als gevolg van het droogvallen van delen van de Waddenzee); - de verschillen qua werkwijzen (in de Noordzeekustzone mogen de exploratieputten opnieuw gebruikt worden voor exploitatie; in de Waddenzee mag dat niet). Ten aanzien van de locatie Pinkegat heeft verweerder opgemerkt dat deze locatie op grond van het translocatiebeginsel, dat in de PKB-Waddenzee is opgenomen, is vastgesteld. Overigens heeft verweerder opgemerkt dat tijdens de parlementaire behandeling van de partiële herziening van de PKB-Waddenzee uitdrukkelijk de mogelijkheid is opengehouden dat er één MER voor de Waddenzee en één MER voor de Noordzeekustzone zou komen. Het standpunt van de NAM komt overeen met dat van verweerder. Eisers zijn evenwel van mening dat de in het Plan van Aanpak genoemde argumenten geen rechtvaardiging vormen voor het volgen van twee afzonderlijke mer-procedures. De juridische bescherming van de Noordzeekustzone is niet wezenlijk anders dan die van de Waddenzee. De toetsingscriteria van de PKB-Waddenzee en het SGR verschillen inhoudelijk nauwelijks en op beide gebieden zijn de Vogel- en Habitatrichtlijn van toepassing. Voorts heeft de Natuurbeschermingswet externe werking, waardoor deze wet indirect ook op de Noordzeekustzone van toepassing is. Tussen de beide gebieden bestaan evenmin grote verschillen in ecosystemen. Er bestaat juist een nauwe samenhang, die ook in diverse beleidsdocumenten wordt erkend. Ten slotte zijn ook de technische verschillen niet groot. Inmiddels is gebleken dat de NAM ook in de Waddenzee met een hefeiland zal werken, en niet met een ponton. Eisers hebben voorts aangevoerd dat de Habitatrichtlijn om een passende beoordeling vraagt en dat een dergelijke beoordeling allee