ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE LEEUWARDEN Uitspraak d.d. 6 januari 1998. Parketnummer 17/080233-97. VONNIS van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte: [verdachte], geboren [1972] te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats], [adres]. De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 23 december 1997. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. W. Schoo, advocaat te Leeuwarden. TELASTELEGGING: Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telaste-legging geacht moet worden hier te zijn overgenomen. BERAADSLAGING: De rechtbank heeft ten aanzien van het primair telastegelegde het navolgende overwogen. In het primaire deel van de telastelegging is aan de grondvorm van de openlijke geweldpleging (art. 141 lid 1 Sr) toegevoegd de strafverzwarende omstandigheid dat het door verdachte uitgeoe-fende geweld de dood van [slachtoffer] tengevolge heeft gehad (art. 141 lid 2 ten 3e Sr). De grondvorm van de openlijke geweldpleging is volgens de wetgevingsgeschiedenis gebaseerd op het uitgangspunt dat het delict weliswaar tezamen en in vereniging wordt gepleegd, doch niet op basis van een tevoren beraamd plan. Dit laatste brengt met zich mee dat de rolverdeling tussen de diverse verdachten zich niet ontwikkelt volgens een bepaald vooraf afgesproken scenario. Meer in het bijzonder zijn de aard en de hevigheid van het door iedere verdachte zelf uitgeoefende geweld vruch-ten van de min of meer toevallige feitelijke ontwikkeling van de te beoordelen vechtpartij. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan feitelijke deelname aan de gezamenlijk uitge-oefende gewelddadigheid aan een verdachte worden toegerekend indien is komen vast te staan dat hij zelf enige concrete en relevante geweldshandeling heeft uitgeoefend. Nu verdachte inderdaad geweld heeft gepleegd, kan hij voor het tegen [slachtoffer] gepleegde geweld in het kader van de grondvorm van de openlijke geweldpleging verantwoordelijk worden gehouden. Met betrekking tot de toegevoegde strafverzwarende omstandigheid dient volgens de Hoge Raad ten aanzien van het gevolg, te weten de dood van [slachtoffer], te worden beoordeeld of en in hoeverre het gewelddadig handelen van verdachte zelf aan het intreden van dat gevolg heeft bijgedra-gen. Het vaststaan van dat laatste is derhalve een voorwaarde die voor het bewijs van het primair telastege-legde moet zijn vervuld. Voor de beantwoording van de vraag of en in hoeverre in de thans te beoordelen zaak het door verdachte uitgeoefende geweld heeft bijgedragen aan het overlijden van [slachtoffer] baseert de rechtbank zich mede op de conclusies van de patholoog en de deskundige van het Gerechtelijk Laboratorium. Hun conclusies zijn vervat in hun respectievelijke rapporten en ter terechtzitting aanmerkelijk bijgesteld cq aangescherpt. De rechtbank neemt deze conclusies over en maakt die tot de hare. Als gevolg van de onderwerpelijke vechtpar-tij heeft [slachtoffer] verscheidene verwondingen aan het hoofd opgelopen. Daarvan is- slechts één verwonding met zekerheid terug te voeren tot schoppen of trappen met een geschoeide voet. Het betreft de verwonding aan de linkerzijde van de hals en aan de linker kaakboog. In de huid van de hals tekent deze verwonding zich af als de afdruk van een schoenzool. Volgens de patholoog is deze verwonding - nu andere oorzaken moeten worden uitgesloten - slechts te verklaren uit de gewelddadige inwerking van een schoen. De verwonding heeft aan de binnenzijde van de keel tot een bloeding geleid. De patholoog heeft voorts verklaard dat het geweld waarmee bedoelde verwonding is toegebracht op zichzelf reeds de dood van [slachtoffer] kan hebben veroorzaakt. De onderhavige verwonding kan echter volgens de beide hier-voor genoemde deskundigen niet met de door verdachte gedragen schoenen zijn toegebracht. Met betrekking tot de overige hoofdwonden van [slachtoffer] is door de patholoog verklaard dat niet meer is uit te maken of zij zijn veroorzaakt door vuistslagen danwel door schoppen of trappen. Volgens deze deskundige kunnen meerdere van deze verwondingen gezamenlijk danwel meerdere verwondingen op zichzelf de dood van [slachtoffer] tot gevolg gehad hebben. Eén en ander brengt met zich mee dat niet kan komen vast te staan dat door verdachte zelf aan [slachtoffer] een verwonding is toege-bracht die diens dood heeft teweeggebracht. Nu derhalve de strafverzwarende omstandigheid (art. 141 lid 2 ten 3e Sr) niet kan worden bewezen, zal de rechtbank de officier van justitie volgen in diens vordering verdachte van het primair telastegelegde feit vrij te spreken. PARTIëLE VRIJSPRAAK: De verdachte moet van het primair telastegelegde worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet bewezen acht. KWALIFICATIE: Het bewezene levert op het misdrijf: subsidiair: Openlijk met verenigde krachten geweld plegen tegen personen en goederen. STRAFBAARHEID VERDACHTE: De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken. STRAFMOTIVERING: De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking : - de aard en ernst van het gepleegde feit; - de omstandigheden waaronder dit is begaan; - de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit de hem betreffende psychiatrische en reclasserings-rapportage en het uittreksel uit het algemeen documentatieregister. Aan de hierboven weergegeven meer algemene overweging ten aanzien van soort en hoogte van de op te leggen straf voegt de rechtbank nog het navolgende toe. De ernst in juridische zin van enig delict wordt in beginsel bepaald door de specifieke plaats die dat delict door de wetgever in het systeem van het Wetboek van Strafrecht is toegekend. In dat systeem zijn de diverse misdrijven en overtredingen, telkens groepsgewijs, gerangschikt naar de hoogte van de voor een bepaald delict maximaal op te leggen straf. Bij de bepaling van de strafmaat is de rechter derhalve voor iedere delictsoort gehouden binnen de marge van het gegeven strafmaximum te opereren. De keuze van het in een bepaald geval te laste te leggen delict is een bevoegdheid die door de wetgever is voorbehouden aan het openbaar ministerie. Uitsluitend hij bepaalt de inhoud van de dagvaarding en doet daarmee in beginsel een keuze met betrekking tot de ernst van het betreffende delict in de rangschikking binnen genoemd wettelijk systeem. Het is in ieder geval de rechter niet toege-staan buiten de in de dagvaarding vastgelegde keuze(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.