ARRONDISSEMENTSRECHTBANK LEEUWARDEN sector familie- en jeugdrecht Uitspraak: 3 oktober 2000 Rekestnummer: 00-1576 Zaaknummer: 42306 41 BOPZ BESCHIKKING van de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden, meervoudige familiekamer, in de zaak van: [naam verzoekster], wonende te Heerenveen, hierna ook te noemen verzoekster, gemachtigde mr. J. van den Bosch-Scholts tegen 1. de stichting "STICHTING GEESTELIJKE GEZONDHEIDSZORG FRIESLAND, statutair gevestigd te Leeuwarden, gemeente Leeuwarden, hierna ook te noemen de GGZ en 2. [naam psychiater], hierna ook te noemen de behandelend psychiater, werkzaam bij de [naam en plaats van de instelling], gedaagden, gemachtigde mr. E.E. Slob, kantoorhoudende te Groningen. PROCESGANG Bij de rechtbank is op 8 september 2000 een verzoek binnengekomen ex artikel 41 wet BOPZ. Het verzoek is behandeld ter terechtzitting van de meervoudige familiekamer op 25 september 2000. RECHTSOVERWEGINGEN Gelet op hetgeen ter terechtzitting is behandeld en op de inhoud van het dossier, overweegt de rechtbank het volgende. 1. De vaststaande feiten. 1.1. Verzoekster is op 24 juli 2000 in de kliniek [naam en plaats instelling] in bewaring gesteld. Met ingang van 18 augustus 2000 heeft de rechtbank te Leeuwarden voor de duur van zes maanden een voorlopige machtiging tot het doen opnemen en het doen verblijven in een psychiatrisch ziekenhuis afgegeven. 1.2. Op de dag van opname werd verzoekster tegen haar uitdrukkelijke wens direct in de separeercel geplaatst; daar vond ook het opnamegesprek plaats. 1.3. Op 25 juli 2000 is een behandelingsplan van verzoekster opgesteld; op 31 juli 2000 is een aanvullend behandelingsplan opgesteld. 1.4. Verzoekster is niet akkoord gegaan met deze behandelingsplannen. Desondanks verbleef zij tot 31 juli 2000 bij voortduring in de separeercel en wordt zij sinds 18 augustus 2000 gedwongen behandeld met Ciscordinol depot 200 mg i.m.. Na 31 juli 2000 is haar verblijf in de separeercel geleidelijk afgebouwd, maar zij overnacht er in ieder geval nog steeds en gebruikt er haar maaltijden. 1.5 Op 3 augustus 2000 heeft verzoekster geklaagd bij de klachtencommissie van de GGZ-Friesland over het op haar toepassen van middelen en maatregelen, te weten separatie en noodmedicatie en over het toepassen van dwangbehandeling, te weten separatie en dwangmedicatie. Bij beslissing van 29 augustus 2000 heeft de klachtencommissie de klacht over het toepassen van dwangbehandeling in de vorm van separatie gegrond verklaard en de overige klachten ongegrond verklaard. 2. Overwegingen van de rechtbank. 2.1. Klaagster heeft verzocht te bepalen dat de klachtencommissie Wet BOPZ ten onrechte haar klachten met betrekking tot het toepassen van: a. middelen en maatregelen in de vorm van separatie b. middelen en maatregelen in de vorm van noodmedicatie en c. dwangbehandeling in de vorm van dwangmedicatie ongegrond heeft verklaard; d. klaagster heeft voorts verzocht de Stichting GGZ Friesland en de behandelend psychiater [naam psychiater] te verbieden verzoekster in strijd met de wet tegen haar wil in de separeercel te plaatsen dan wel een dwangmedicatie toe te passen; e. met kostenveroordeling van gedaagden. 2.2. ad 2.1 a.: Ten aanzien van de separatie als middel en maatregel stelt de rechtbank vast dat blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting klaagster onmiddellijk bij opname op 24 juli 2000 in de separeer is geplaatst, omdat op grond van daaraan voorafgegane gebeurtenissen buiten het ziekenhuis werd aangenomen dat zij een meer dan normale kans opleverde voor het toebrengen van lichamelijk letsel aan personeel of medepatiënten. Naar het oordeel van de rechtbank is echter die kans op te wankele gronden in een te vroeg stadium aangenomen. Niet blijkt dat een poging is ondernomen om in het ziekenhuis tot een gesprek en afspraken met klaagster te komen, alvorens zij werd gesepareerd. Waar, om tot toepassing van middelen en maatregelen op grond van art. 39 Wet BOPZ te mogen overgaan, sprake moet zijn van een (tijdelijke) noodsituatie die door de patiënt in het ziekenhuis wordt veroorzaakt zal immers van het bestaan van die noodsituatie moeten blijken alvorens tot bedoelde toepassing mag worden overgegaan. Dat klaagster kort tevoren om onverklaarbare redenen een agent had aangevallen acht de rechtbank onvoldoende - ook gezien in het licht van hetgeen verder ten aanzien van de voorgeschiedenis van de opname is gesteld - om ervan uit te mogen gaan dat klaagster ook in het ziekenhuis dusdanige problemen zou opleveren dat van een noodsituatie als bedoeld in de Wet BOPZ sprake zou zijn. Op 25 juli 2000 is een behandelingsplan opgesteld. Dat voorziet echter niet met zoveel woorden in separatie als werkwijze, zodat de rechtbank ervan zal uitgaan dat separatie ook na 24 juli 2000 als middel en maatregel is toegepast. Eerst in de aanvulling op het behandelingsplan van 31 juli 2000 komt separatie als werkwijze voor, zodat vanaf die datum de separatie als dwangbehandeling ex art. 38 lid 5 Wet BOPZ heeft te gelden. Uit de stukken blijkt dat klaagster in de periode tot 31 juli 2000 voortdurend gesepareerd is gebleven. Wanneer zij door behandelaars daar werd bezocht was zij dreigend, stond zij met gebalde vuisten voor hen, schreeuwde, was beledigend en spuwde de dienstdoende arts in het gezicht. Ook heeft zij in die periode een verpleegkundige aangevallen die zij tot bloedens toe heeft gekrabd en naar zijn oog heeft gegrepen, en ook heeft zij koffie over dr. [naam psychiater] gegooid. De eerstgenoemde verschijnselen rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank, om de hierboven reeds gegeven redenen, niet de toepassing van separatie als middel en maatregel. De laatstgenoemde aanvallen zou dat wel kunnen rechtvaardigen (hoewel dat t.a.v. het gooien met koffie niet goed te beoordelen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.