ECLI:NL:RBLEE:2001:AB2899
Arrondissementsrechtbank Leeuwarden Korte Gedingen Uitspraak: 30 juli 2001 Kort-geding-nummer: 01/216 VONNIS van de president van de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden, in het kort geding van: de besloten vennootschap SCHEEPSWERF HARLINGEN HOLDING B.V., gevestigd te Harlingen, eiseres, hierna mede te noemen: SHH, procureur: mr. P. Tuinman, tegen 1. de besloten vennootschap BIJLSMA HARLINGEN BEHEER B.V., gevestigd te Warten, hierna mede te noemen: BHB, 2. de naamloze vennootschap N.V. NOM, INVESTERINGS- EN ONTWIKKELINGSMAATSCHAPPIJ VOOR NOORD-NEDERLAND, gevestigd te Groningen, hierna mede te noemen: NOM, gedaagden, advocaten: mrs. T.S. Plas en S.N.S.M. Mak te Groningen.
PROCESGANG SHH heeft BHB en NOM in kort geding doen dagvaarden tegen de openbare zitting van 26 juli 2001.
Ter zitting heeft SHH haar - ten opzichte van de aankondiging in de dagvaarding gewijzigde - eis aldus geformuleerd dat de president bij vonnis - zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - BHB en NOM ieder voor zich verbiedt om in de buitengewone algemene ledenvergadering van aandeelhouders van Frisian Shipyard Welgelegen B.V. d.d. 30 juli 2001 te 15.00 uur in te stemmen met danwel te stemmen voor de agendapunten 3 tot en met 6, op straffe van verbeurte van een dwangsom van ( 5.000.000,00 in geval van overtreding van dit verbod en voorts BHB en NOM veroordeelt in de kosten van het geding.
Vervolgens hebben partijen hun standpunten nader doen toelichten door hun raadslieden, die mede aan de hand van pleitnotities het woord hebben gevoerd, waarbij BHB en NOM hebben geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van SHH, kosten rechtens.
Partijen hebben met wederzijds goedvinden producties in het geding gebracht.
Na voortgezet debat hebben partijen vonnis gevraagd. De president doet heden uitspraak op basis van het griffiedossier, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.
RECHTSOVERWEGINGEN Vaststaande feiten 1. Binnen het kader van dit kort geding zijn onder meer de navolgende feiten als vaststaand tussen partijen komen te gelden. Deze feiten zijn vastgesteld op grond van stellingen van partijen of ook op grond dat ze blijken uit de tussen partijen onomstreden gebleven inhoud van overgelegde schriftelijke stukken. Uit stellingen van partijen moeten feiten als vaststaand worden afgeleid als ze door de ene partij zijn gesteld en vervolgens door de andere partij zijn erkend of door die partij niet dan wel onvoldoende gemotiveerd zijn weersproken.
Overigens draagt de vaststelling van feiten in een kort geding noodgedwongen een voorlopig karakter, omdat de gelegenheid om getuigen te ondervragen en deskundigenbericht in te winnen dan pleegt te ontbreken.
2.1. Partijen zijn aandeelhouders van de besloten vennootschap Frisian Shipyard Welgelegen B.V., hierna mede te noemen: FSW. SHH houdt 47,29% van de aandelen, NOM 30,9% en BHB 21,81%. Ingevolge de statuten van FSW dienen beslissingen van de algemene vergadering van aandeelhouders (a.v.a.) door een meerderheid van aandeelhouders te worden genomen.
2.2. Op enig moment in 2000 heeft FSW aan drs. P. Ressenaar opdracht verleend om een viertal mogelijkheden te onderzoeken om uit de slechte financiële situatie waarin FSW zich bevond te geraken, waaronder de zogenaamde Barkmeijer-variant en de Volharding-variant, inhoudende een fusie. Ressenaar heeft zijn voorkeur uitgesproken voor de Volharding-variant, in welke keuze hij werd bijgevallen door NOM en BHB, terwijl SHH zich sterk maakte voor de Barkmeijer-variant.
2.3. Bij meerderheidsbesluit in de a.v.a. van 9 februari 2001 is Ressenaar vervolgens benoemd tot statutair directeur van FSW en kreeg C. van der Schoot - directeur van SHH die eerst (ook) statutair directeur van FSW was - de functie van commercieel directeur, waarbij Ressenaar een doorslaggevende stem had in de directie.
2.4. De uitgangspunten voor de beoogde fusie met Volharding Beheer B.V. (verder: Volharding) zijn vastgelegd in een zogenaamde intentie-verklaring tussen FSW en Volharding. De intentieverklaring voorzag in een aandelenverhouding van 51% voor Volharding en 49% voor NOM, BHB en SHH (12,7% voor SHH en 11,86% voor NOM) en verder in een terugbetaling van 2,3 miljoen gulden op de achtergestelde lening van SHH van 7,2 miljoen gulden. De liquiditeits- en vermogenspositie van FSW is vervolgens verslechterd door het niet verkrijgen van nieuwbouworders van twee tankers, ook daarom omdat 89 personeelsleden van FSW moesten worden ontslagen waartoe een sociaal plan is opgesteld waarvan de kosten circa 3 miljoen gulden bedragen.
2.5. In de buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders (b.a.v.a.) van FSW van 14 mei 2001 is Van der Schoot met ingang van uiterlijk 1 juli 2001 ontslagen.
2.6. In de b.a.v.a. van 14 juni 2001 is de jaarrekening 2000 vastgesteld en is een van de eerdere uitgangspunten afwijkend voorstel aan de aandeelhouders voorgelegd met betrekking tot een fusie met Volharding, in die zin dat de aandelenverhouding 75% voor Volharding en 25% voor NOM, BHB en SHH zou worden en geen terugbetaling van de achtergestelde lening van SHH zou plaatsvinden. Op de vergadering van 14 juni 2001 hebben NOM en BHB zich achter het voorstel geschaard, terwijl SHH het voorstel van de hand heeft gewezen.
2.7. Ressenaar heeft een b.a.v.a. van FSW uitgeschreven tegen 30 juli 2001 te 15.00 uur ten kantore van NOM met de volgende agenda:
Het geschil en de beoordeling daarvan 3. Het door SHH gevorderde verbod strekt ertoe dat op de b.a.v.a. van 30 juli 2001 geen meerderheidsbesluiten genomen zullen worden ten aanzien van de punten 3 tot en met 6 op de agenda, te weten de aanvraag van een surseance van betaling, de aanvraag van een faillissement, afstempeling van het aandelenkapitaal, een emissie en wijziging statuten met betrekking tot de omvang van het maatschappelijk kapitaal.
Bovendien is in dit kort geding - als door NOM en BHB gesteld en door SHH niet voldoende gemotiveerd weersproken - komen vast te staan dat de directeur van FSW de agenda zelfstandig heeft opgesteld en dus NOM en BHB niet tegengeworpen kan worden, terwijl daarnaast in dit kort geding is komen vast te staan - als door NOM en BHB gesteld en door SHH niet voldoende gemotiveerd weersproken - dat SHH ook nooit om inlichtingen heeft gevraagd, hetgeen zij eenvoudigweg had kunnen doen als zij daaraan behoefte had. Gesteld noch gebleken is dan niet aan een dergelijk verzoek voldaan zou worden.
BESLISSING De president, rechtdoende in kort geding:
Dit vonnis is gewezen door mr. R. Giltay, fungerend president, en in aanwezigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juli 2001. fn 100