Rechtbank Leeuwarden Sector strafrecht VERKORT VONNIS Uitspraak: 27 juli 2006 Parketnummer: 17/880010-06 VONNIS van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte: [verdachte], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], wonende te [adres], thans gedetineerd in Huis van Bewaring Zwolle, Huub van Doornestraat 15. De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 13 juli 2006. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.C. Vingerling, advocaat te Utrecht. TELASTELEGGING Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen. In de telastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad. PARTIËLE VRIJSPRAAK De verdachte moet worden vrijgesproken van de aan hem (onder 1., als derde) telastegelegde inbraak bij de sportaccommodatie te Leeuwarden op 3 januari 2006, omdat de rechtbank dit feit niet bewezen acht. NADERE BEWIJSOVERWEGINGEN De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte van de aan hem (onder 2., als tweede) telastegelegde inbraak bij de sporthal aan het Kalverdijkje te Leeuwarden op 20 december 2005 dient te worden vrijgesproken, omdat het schoenspoor dat op de plaats van het delict is aangetroffen ook op een andere dag dan 20 december 2005 of door iemand anders met gelijksoortige schoenen kan zijn veroorzaakt, zodat dit feit niet bewijsbaar is. De rechtbank overweegt hieromtrent dat uit het proces-verbaal van de Technische Recherche, nr. 2005 12 2251, d.d. 30 januari 2006, blijkt dat het schoenspoor dat op 20 december 2005 in de kluisruimte van de sporthal aan het Kalverdijkje te Leeuwarden is aangetroffen, volgens de technisch rechercheur is veroorzaakt door de linkerschoen van het merk "FUBU", die onder verdachte is inbeslaggenomen. De rechtbank is van oordeel dat deze omstandigheid, gezien de plaats waar het schoenspoor is aangetroffen en de stelligheid van de constatering ("is veroorzaakt" geeft de grootst mogelijke zekerheid van een conclusie aan) op zichzelf en in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend is voor het bewijs van het feit dat verdachte bij de voornoemde inbraak betrokken is geweest. De rechtbank overweegt voorts dat verdachte ten aanzien van dit feit en het aantreffen van dit schoenspoor geen enkele verklaring heeft afgelegd en dat hij derhalve geen redelijke verklaring heeft willen of kunnen geven, die aannemelijk maakt dat dit schoenspoor op een andere wijze dan door zijn betrokkenheid bij het feit op deze plaats terecht is gekomen. De rechtbank acht op grond van het voorgaande bewezen dat verdachte betrokken is geweest bij de inbraak in de sporthal aan het Kalverdijkje te Leeuwarden op 20 december 2005. De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de betrokkenheid van verdachte bij alle telastegelegde feiten, met uitzondering van de inbraak te Beetsterzwaag op 20 januari 2006 en de inbraken bij de sportaccommodatie / sporthal te Leeuwarden op 3 januari 2006 en 20 december 2005, uitsluitend blijkt uit de verklaringen die de medeverdachte [medeverdachte 1] ten overstaan van de politie heeft afgelegd. Nu [medeverdachte 1] zich ter terechtzitting heeft beroepen op zijn verschoningsrecht, heeft de verdediging op geen moment de mogelijkheid gehad hem te ondervragen, teneinde de betrouwbaarheid van zijn verklaringen te kunnen toetsen, aldus de raadsman. Nu er geen ander bewijs voorhanden is dat een directe bevestiging inhoudt van de betrokkenheid van verdachte bij de genoemde feiten, is de raadsman van oordeel dat de verklaring van [medeverdachte 1] - gelet op de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens - niet voor het bewijs kan worden gebruikt. De rechtbank overweegt met betrekking tot de bruikbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 1] voor het bewijs het volgende. Het gebruik voor het bewijs van een ambtsedig proces-verbaal betreffende een ten overstaan van de politie afgelegde verklaring is niet zonder meer in strijd met artikel 6, eerste en derde lid van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Het gebruik voor het bewijs van een dergelijk proces-verbaal is in ieder geval niet in strijd met artikel 6, eerste en derde lid EVRM, wanneer de verdediging in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad de in het proces-verbaal neergelegde verklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten door de persoon die de verklaring heeft afgelegd als getuige te (doen) ondervragen. De enkele omstandigheid dat die persoon, na als getuige te zijn opgeroepen en verschenen, zich met succes beroept op een verschoningsrecht en derhalve geen verklaring aflegt, brengt niet mee dat een inbreuk wordt gemaakt op het door artikel 6, derde lid, aanhef en onder d EVRM neergelegde recht (vgl. HR 6 juni 2006, NJ 2006, 332). In de onderhavige zaak is [medeverdachte 1] als getuige opgeroepen en verschenen ter terechtzitting van de rechtbank. De verdediging heeft de gelegenheid gehad over hem, zijn eerder afgelegde verklaringen en hetgeen hij ter terechtzitting heeft verklaard naar voren te brengen wat zij noodzakelijk oordeelde. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de door [medeverdachte 1] ten overstaan van de politie afgelegde verklaringen voor het bewijs gebruikt kunnen worden. De rechtbank overweegt met betrekking tot de betrouwbaarheid van de door [medeverdachte 1] afgelegde verklaringen het volgende. De rechtbank acht de door [medeverdachte 1] ten overstaan van de politie afgelegde en voor verdachte belastende verklaringen betrouwbaar, omdat: 1. [medeverdachte 1] zichzelf door het afleggen van deze verklaringen eveneens heeft belast; hij is inmiddels veroordeeld voor zijn aandeel in de feiten; 2. de verklaringen die [medeverdachte 1] heeft afgelegd over het algemeen gedetailleerd zijn en steun vinden in de verklaringen van de aangevers; [medeverdachte 1] verklaart bijvoorbeeld met betrekking tot de inbraak in de periode omvattende 28 en 29 september 2005 te Gorredijk (telastegelegd onder 4., als vijfde) dat hij verdachte op een gegeven moment hoorde zeggen "Kut, we zijn de cartridges vergeten", terwijl de aangever van het desbetreffende feit heeft verklaard dat hij na de inbraak achter de toonbank van zijn zaak een heleboel cartridges in een plastic kist heeft aangetroffen, welke uit de stellingen waren gehaald doch niet waren meegenomen; 3. de verklaring die [medeverdachte 1] heeft afgelegd met betrekking tot de inbraak op 20 januari 2006 te Beetsterzwaag (telastegelegd onder 1., als eerste) overeenstemt met hetgeen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] (uiteindelijk) daarover hebben verklaard; 4. de verklaring die [medeverdachte 1] heeft afgelegd met betrekking tot de inbraak op 2 november 2005 te Workum (telastegelegd onder 3., als derde) wordt ondersteund door het feit dat hijzelf, verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] later die nacht op relatief geringe afstand van de pleegplaats zijn gecontroleerd door de politie en met zijn drieën zijn aangetroffen in de auto van [medeverdachte 1]; 5. de verklaring die [medeverdachte 1] heeft afgelegd met betrekking tot de inbraak in de periode omvattende 28 en 29 september 2005 te Gorredijk (telastegelegd onder 4., als vijfde) wordt ondersteund door het feit dat de bij die inbraak weggenomen laptop, overeenkomstig hetgeen [medeverdachte 1] daarover heeft verklaard, is aangetroffen in de woning van verdachte en deze daarvoor geen (aannemelijke) verklaring heeft gegeven, terwijl dit feit wel vraagt om een dergelijke verklaring; 6. verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] geen verklaringen hebben afgelegd die een lezing van de gang van zaken, die afwijkt van hetgeen [medeverdachte 1] daaromtrent heeft verklaard, aannemelijk maken. BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht het onder 1., 2., 3., 4. en 5. telastegelegde bewezen, met dien verstande dat: 1. hij in de maand januari 2006 in het arrondissement Leeuwarden, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, te Beetsterzwaag, in de gemeente Opsterland, op 20 januari 2006 uit een tankshop gevestigd aan de Hoofdstraat heeft weggenomen een (afstort)kluis, inhoudende geld en meerdere sloffen sigaretten, toebehorende aan [benadeelde partij 1] en te Beetsterzwaag, in de gemeente Opsterland, op 13 januari 2006 uit een tankshop gevestigd aan de Hoofdstraat heeft weggenomen een (afstort)kluis, inhoudende geld en meerdere sloffen sigaretten en meerdere telefoonkaarten en een hoeveelheid spaarzegels, toebehorende aan [benadeelde partij 1], waarbij verdachte en zijn mededaders zich telkens de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak; 2. hij in de maand december 2005 in het arrondissement Leeuwarden, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, te Leeuwarden in de dagen 6 december 2005 en 7 december 2005 uit een opslag- gereedschapcontainer heeft weggenomen een hoeveelheid gereedschap, toebehorende aan de [benadeelde partij 2] en te Leeuwarden op 20 december 2005 uit een sporthal heeft weggenomen een kluis, inhoudende geld, toebehorende aan [slachtoffer A] en te Oentsjerk op 23 december 2005 uit een winkelpand heeft weggenomen een hoeveelheid geld, toebehorende aan [benadeelde partij 3], waarbij verdachte en zijn mededaders zich telkens de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak en/of inklimming; 3. hij in de maanden oktober 2005 en november 2005 in het arrondissement Leeuwarden, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, te Workum in de dagen 13 oktober 2005 en 14 oktober 2005 uit een bedrijfspand heeft weggenomen een boormachine en een schroefmachine, toebehorende aan [benadeelde partij 4] en te Makkum in de dagen 19 oktober 2005 en 20 oktober 2005, in de gemeente Wunseradiel, uit een bedrijfspand heeft weggenomen een hoeveelheid geld en meerdere sloffen sigaretten, toebehorende aan [benadeelde partij 5] en te Workum op 2 november 2005 uit een bedrijfspand heeft weggenomen een computer, toebehorende aan [benadeelde partij 6] en te Leeuwarden in de dagen 3 november 2005 en 4 november 2005 uit een bedrijfspand heeft weggenomen een zaagmachine, toebehorende aan [benadeelde partij 7], waarbij verdachte en zijn mededaders zich telkens de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak en/of inklimming; 4. hij in de maand september 2005 in het arrondissement Leeuwarden, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, te Goutum op 13 september 2005 uit een gereedschapcontainer heeft weggenomen twee zaagmachines, toebehorende aan [benadeelde partij 8] en te Warten in de dagen 12 september 2005 en 13 september 2005 uit een container heeft weggenomen meerdere cv-ketels en meerdere expansievaten en een hoeveelheid gereedschap, toebehorende aan [benadeelde partij 9] en te Wergea in de dagen 15 september 2005 en 16 september 2005 uit een bedrijfspand heeft weggenomen twee computers en een beeldscherm en een kopieermachine en twee printers en een boormachine en een kluis met inhoud, toebehorende aan [benadeelde partij 10] en te Oentsjerk op 21 september 2005 uit een winkelpand heeft weggenomen een hoeveelheid geld, toebehorende aan [benadeelde partij 3] en te Gorredijk in of omstreeks de dagen 28 september 2005 en 29 september 2005 uit een winkelpand heeft weggenomen een kentekenbewijs en een creditcard en een computer en een kluis met inhoud en een hoeveelheid boekenbonnen en een afroombox, inhoudende geld, toebehorende aan [slachtoffer B], waarbij verdachte en zijn mededaders zich telkens de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak en/of inklimming; 5. hij in de maanden juli 2005 en augustus 2005 in het arrondissement Leeuwarden, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening te Dokkum in de dagen 27 juli 2005 en 28 juli 2005 uit een bedrijfspand heeft weggenomen twee geldkistjes, inhoudende geld, toebehorende aan [benadeelde partij 11] en in de gemeente Leeuwarden in de dagen 23 augustus 2005 en 24 augustus 2005 uit een container heeft weggenomen plakband en trekbandjes en leidselband en koord en een föhn, toebehorende aan het bedrijf [benadeelde partij 12], waarbij verdachte en zijn mededaders zich telkens de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak en/of inklimming. De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht. KWALIFICATIE Het bewezene levert op de misdrijven:: 1. Diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd. 2. Diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd, en diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming. 3. Diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd, en diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming. 4. Diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd, en diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming. 5. Diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming. STRAFBAARHEID VERDACHTE De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken. STRAFMOTIVERING De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking: - de aard en de ernst van de gepleegde feiten; - de omstandigheden waaronder deze zijn begaan; - de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister en de voorlichtingsrapporten; - de vordering van de officier van justitie tot veroordeling van verdachte terzake het onder 1., 2., 3., 4. en 5. telastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van zeventien maanden met aftrek van voorarrest; - het pleidooi van de raadsman. Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een grote reeks inbraken die plaatsvonden door heel Friesland. Gesproken kan worden van een stelselmatig en bijna professioneel optreden, waardoor veel mensen aanzienlijke schade hebben geleden. Verdachte is niet eerder met justitie in aanraking geweest. Verder is over verdachte weinig bekend nu hij niet alleen zwijgt over vrijwel alle bewezen verklaarde feiten, maar ook over zijn persoonlijke omstandigheden. Zo is bijvoorbeeld niet gebleken dat verdachte geschrokken is van het gebeurde of dat hij tot inkeer is gekomen. Evenmin is gebleken dat hij gewetensvol is over zijn aandeel in het plegen van de delicten of dat hij het verwerpelijke daarvan inziet. Behoudens het feit dat verdachte geen strafblad heeft, zijn er dan ook nauwelijks strafverminderende omstandigheden gebleken waarmee de rechtbank rekening kan houden. Met de door de raadsman genoemde omstandigheid dat verdachte bij het (veel) langer voorduren van de detentie zijn baan zal verliezen, kan de rechtbank slechts in zeer beperkte mate rekening houden. Naar het oordeel van de rechtbank doet een straf gelijk aan de duur van de voorlopige hechtenis in het geheel geen recht aan de hoeveelheid en de ernst van de gepleegde feiten. Alles afwegend, mede gelet op de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting, komt de rechtbank tot de oplegging van de hierna te noemen straf. BENADEELDE PARTIJEN [benadeelde partij 1] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1. telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet danwel onvoldoende door verdachte en diens raadsvrouw is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar. De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen. [benadeelde partij 2] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door zijn geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 2. telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet danwel onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar. De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen. [benadeelde partij 3] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van twee voorgeschreven formulieren bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van de aan verdachte onder 2. en 4. telastegelegde en bewezenverklaarde feiten alsmede de gronden waarop deze berust. De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feiten, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de beide vorderingen, die niet danwel onvoldoende door verdachte en diens raadsman zijn weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar. De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen. [benadeelde partij 4] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 3. telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feiten, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet danwel onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar. De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen. [benadeelde partij 5] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 3. telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade, na aanpassing en aanvulling van de vordering bij brief d.d. 11 juli 2006, voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet danwel onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar. De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen. [benadeelde partij 6] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 3. telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar. De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen. [benadeelde partij 7] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 3. telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet danwel onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar. De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen. [benadeelde partij 8] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 4. telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voor een bedrag ? 1.050,00 betrekking hebbende op de twee kettingzagen, voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet danwel onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar. De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen. De rechtbank is van oordeel dat het overige deel van de vordering, dat wordt betwist, niet van zo eenvoudige aard is dat het zich leent voor behandeling in het strafgeding, zodat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. [benadeelde partij 9] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 4. telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet danwel onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar. De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen. [benadeelde partij 10] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 4. telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet danwel onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar. De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen. [benadeelde partij 11] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 5. telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar. De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen. [benadeelde partij 12] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 5. telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet danwel onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar. De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen. INBESLAGGENOMEN GOEDEREN De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen pakjes sigaretten (29 stuks, merk Marlboro, type gewoon, light en light 100'
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.