RECHTBANK LEEUWARDEN Sector bestuursrecht, belastingkamer Procedurenummer: AWB 05/936 Uitspraakdatum: 10 mei 2006 Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, en de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Groningen, verweerder. Ontstaan en loop van het geding 1.1 Eiser heeft per fax op 20 januari 2005 bij de Belastingdienst/Noord/kantoor Groningen bezwaar gemaakt tegen "de" opgelegde aanslagen. 1.2 Verweerder heeft eiser niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar. 1.3 Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. 1.4 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2006 te Leeuwarden. Ter zitting is verschenen de gemachtigde van eiser [gemachtigde]. De inspecteur heeft zich doen vertegenwoordigen. 1.5 De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten. De feiten 2.1 Eiser heeft per fax op 20 januari 2005 bezwaar gemaakt tegen "de" opgelegde aanslagen. 2.2 Bij brief van 20 januari 2005 is eiser erop gewezen dat een bezwaarschrift ten minste de volgende onderdelen moet bevatten (artikel 6:5 Awb): - een ondertekening; - naam en adres van de indiener; - de dagtekening van het bezwaarschrift; - een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar is gericht; - de gronden van het bezwaar; - zo mogelijk een afschift van het besluit. 2.3 Vervolgens is eiser op 19 april 2005 onder verwijzing naar de onder 2.2 vermelde brief in de gelegenheid gesteld uiterlijk op 25 april 2005 het bezwaar te splitsen naar middel en het bezwaar nader te motiveren. In dit schijven is eiser erop gewezen dat indien niet aan de voorwaarden van artikel 6:5 Awb wordt voldaan het bezwaar niet-ontvankelijk wordt verklaard. Eiser heeft niet gereageerd op deze brief. 2.4 Bij brief van 3 mei 2005 is het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Het geschil 3.1 Tussen partijen is primair in geschil het antwoord op de vraag of eiser ontvankelijk is in zijn bezwaar. 3.2 Eiser is van mening dat hij ontvankelijk in zijn bezwaar moet worden verklaard. Subsidiair verzoekt hij de onderhavige zaak voor verdere behandeling terug te verwijzen naar de inspecteur. Voorts stelt eiser dat hij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord. 3.3 Verweerder is primair van opvatting dat het beroep van eiser ongegrond dient te worden verklaard. Subsidiair is hij van opvatting dat het beroep ongegrond moet worden verklaard, aangezien de administratie van eiser is verworpen en derhalve de verzwaarde bewijslast van artikel 25 lid 6 juncto artikel 27e, sub b, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) op hem rust, en dat hij niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast. 3.4 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Beoordeling van het geschil 4.1 Ingevolge artikel 6:6 van de Awb kan een bezwaarschrift niet-ontvankelijk worden verklaard, indien niet aan de voorwaarden van artikel 6:5 van de Awb wordt voldaan, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad om het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. 4.2 De rechtbank is van oordeel dat uit het door eiser ingediende bezwaarschrift niet blijkt tegen welk(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.