RECHTBANK LEEUWARDEN Sector straf parketnummer 17/675134-07 vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 3 januari 2008 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats], wonende te [adres]. De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 20 december 2007. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden. Telastelegging Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen. In de telastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad. Vordering officier van justitie De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd: - veroordeling voor het telastegelegde; - oplegging van een werkstraf voor de duur van 100 uur, subsidiair 50 dagen jeugddetentie, alsmede een jeugddetentie voor de duur van 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd voor de duur van 2 jaren; - toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] tot een bedrag van € 2000,- als voorschot; - oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor dat bedrag. Ontvankelijkheid officier van justitie De raadsman voert primair aan dat de officier van justitie niet ontvankelijk verklaard dient te worden in haar vervolging, nu er in het voorbereidend onderzoek een aantal onherstelbare fouten zijn gemaakt. De raadsman voert daartoe kort gezegd aan, dat de op 15 februari 2005 in werking getreden regels met betrekking tot de opsporing en vervolging van seksueel misbruik, genoemd in de "Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik" (verder: Aanwijzing), van het College van procureurs-generaal van 30 november 2004, nummer 2005A001, op meerdere punten niet is opgevolgd. Zo is niet voorafgaand aan de aangifte een informatief gesprek geweest met aangever, blijkt er niet uit het proces-verbaal of de aangifte is opgenomen door een verhoorkoppel waarvan een van de verbalisanten een deskundig rechercheur was die overwegend belast is met zedenzaken, en is de in de Aanwijzing dwingend voorgeschreven audio-opname van het verhoor van verdachte zoekgeraakt. De raadsman voert voorts nog aan dat verdachte heeft aangegeven dat hij tijdens de politieverhoren erg onder druk is gezet en dat verdachte hierdoor dingen heeft gezegd die hij niet heeft bedoeld te zeggen. Ook zet de raadsman kanttekeningen bij het proces-verbaal van verhoor van verdachte, nu daaruit blijkt dat verdachte tijdens dit verhoor in zogenaamde volzinnen heeft geantwoord op vragen van de verbalisanten en hij, zo blijkt uit dat proces-verbaal, woorden heeft gebruikt die verdachte doorgaans niet gewoon is te gebruiken. Nu de audio-opname van dit verhoor is zoekgeraakt en het verhoor derhalve niet kan worden gecontroleerd is de raadsman van mening dat deze verklaring niet tot bewijs kan dienen voor het telastegelegde. De officier van justitie voert, ten aanzien van het primaire verweer van de raadsman, aan dat indien de raadsman twijfels heeft over de deskundigheid van de verhorende verbalisanten, het op de weg van de raadsman had gelegen deze verbalisanten ter zitting te laten horen betreffende hun deskundigheid. Ten aanzien van de zoekgeraakte audio-opname verklaart de officier van justitie dat dit niet getuigt van zorgvuldigheid, maar dat dit niet de verregaande consequenties dient te hebben die de raadsman voorstelt. Met betrekking tot het gevoerde verweer dat er niet op voorhand een informatief gesprek is geweest tussen aangever en verbalisant, zoals in de Aanwijzing staat voorgeschreven, merkt de officier van justitie op dat niet in die Aanwijzing staat dat dit informatieve gesprek ook gerelateerd dient te worden in het dossier. De officier van justitie laat hierbij in het midden of het gesprek al dan niet heeft plaatsgevonden. De officier van justitie is tot slot van mening dat, nu het proces-verbaal is opgesteld in een zogenaamde "vraag en antwoord stijl", het juist heel goed controleerbaar is wat verdachte tijdens het verhoor heeft verklaard. Een dergelijk opgemaakt proces-verbaal laat, anders dan een samenvattend proces-verbaal, geen ruimte tot interpretatiefouten van verbalisanten, aldus de officier van justitie. De rechtbank heeft ten aanzien van haar oordeel over het optreden van de opsporingsambtenaren in deze zaak acht geslagen op de betreffende Aanwijzing, waarin met betrekking tot zedenzaken een aantal (dwingende) regels zijn vastgelegd aangaande de opsporing en vervolging. Deze aanwijzing legt het accent op deskundigheid en professionaliteit van personen die met het strafrechtelijk onderzoek in zedenzaken zijn belast en noemt ook criteria als "zorgvuldigheid", "controleerbaarheid" en "neutraliteit" van een dergelijk onderzoek. De Aanwijzing schrijft als eerste voor dat het uit oogpunt van zorgvuldigheid, controleerbaarheid en neutraliteit wenselijk is om voorafgaande aan een aangifte een informatief gesprek te hebben met aangever waarin onder andere de consequenties van het doen van aangifte worden besproken. Hieruit leidt de rechtbank af dat tussen een dergelijk informatief gesprek en de daadwerkelijke aangifte enige tijd moet zitten, zodat de aangever zijn of haar stap nog eens zorgvuldig kan overwegen. In het onderhavige geval blijkt dat de moeder van het slachtoffer na een enkel eerder telefonisch contact met de politie aangifte heeft gedaan op 15 januari 2007 en dat verdachten naar aanleiding hiervan op dezelfde dag zijn gehoord. Nu verdachten op deze zelfde dag zijn gehoord concludeert de rechtbank dat er geen informatief gesprek kan zijn geweest tussen aangever en verbalisanten, zoals in de Aanwijzing staat voorgeschreven. In de Aanwijzing staat verder dat de opsporing en verhoren in zedenzaken dient te geschieden door een deskundig rechercheur, die tevens overwegend belast is met zedenzaken (tenminste voor 50% van een volledige werkweek). Daarbij staat vermeld dat opsporingsambtenaren die niet speciaal zijn belast met de behandeling van zedenzaken zich niet verder dienen in te laten met een dergelijke zaak dan strikt noodzakelijk. Deze aanvulling in de Aanwijzing maakt, naar het oordeel van de rechtbank, nog eens duidelijk dat het van groot belang is dat verhoren door een deskundig rechercheur worden afgenomen. Nu uit het dossier niet blijkt dat (een van) de verhorende verbalisanten beschikte(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.