RECHTBANK LEEUWARDEN Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 86952 / KG ZA 08-13 Vonnis in kort geding van 12 maart 2008 in de zaak van de besloten vennootschap JACHTWERF DE BOARNSTREAM B.V., gevestigd te Jirnsum, eiseres in conventie, verweerster in reconventie, procureur: mr. S.A. Roodhof, advocaat: mr. I.M.F. van Emstede te Amsterdam, tegen [A], wonende te [woonplaats] (Duitsland), gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, procureur: mr. J.B. Dijkema, advocaat: mr. E. Maarsen-Neumann te Amsterdam. Partijen zullen hierna "De Boarnstream" en "[A]" genoemd worden. De procedure 1.1. De Boarnstream heeft [A] in kort geding doen dagvaarden tegen de openbare zitting van 18 februari 2007. 1.2. De Boarnstream heeft toen op de bij dagvaarding vermelde gronden -en na wijziging van eis- gevorderd dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [A] veroordeelt tot integrale nakoming van het tussen partijen gesloten Kauf-/Verkaufvertrag d.d. 4 juli 2007 door het vaartuig, binnen tien dagen nadat het te dezen te wijzen vonnis aan haar is betekend, af te nemen tegen betaling van de laatste termijn van 10% en van de meerwerkfactu(u)r(en), met veroordeling van [A] in de kosten van het geding. 1.3. Partijen hebben ter terechtzitting hun standpunten toegelicht, waarbij de advocaten van partijen gebruik hebben gemaakt van pleitnotities. [A] heeft in conventie primair geconcludeerd tot onbevoegdheid van de voorzieningenrechter, subsidiair tot niet-ontvankelijk verklaring van De Boarnstream in de door haar ingestelde vorderingen, en meer subsidiair tot afwijzing van de vorderingen van De Boarnstream, een en ander met veroordeling van De Boarnstream -bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad- in de kosten van het geding. Tevens heeft [A] op de daartoe vermelde gronden in reconventie gevorderd dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, De Boarnstream veroordeelt: I. het door haar ten laste van [A] op 17 januari 2008 onder Rabobank Nederland gelegde conservatoire derdenbeslag binnen 24 uur na betekening van het te dezen te wijzen vonnis op te heffen en bevestiging van deze opheffing per ommegaande schriftelijk aan de advocaat van [A] te verstrekken, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,-, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te betalen dwangsom, voor elke dag of dagdeel dat De Boarnstream daarmee in gebreke blijft; II. binnen 24 uur na betekening van het te dezen te wijzen vonnis Rabobank Nederland schriftelijk, onvoorwaardelijk en onherroepelijk te ontheffen van de van de uit het vonnis van 6 februari 2008, door de rechtbank Utrecht gewezen, voortvloeiende verplichtingen van Rabobank Nederland om niet onder de bankgarantie uit te betalen althans uitdrukkelijk daarvan jegens Rabobank Nederland afstand te doen en Rabobank Nederland te instrueren tot uitbetaling van de bankgarantie over te gaan, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,-, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen dwangsom, voor elke dag of dagdeel dat De Boarnstream daarmee in gebreke blijft en daarvan de advocaat van [A] van kopieën te voorzien; III. tot betaling van de kosten van het geding. De Boarnstream heeft in reconventie primair geconcludeerd tot onbevoegdheid van de voorzieningenrechter en subsidiair tot afwijzing van de vorderingen van [A]. 1.4. Partijen hebben producties overgelegd. 1.5. Ten slotte is het vonnis bepaald op heden. De feiten In dit kort geding hebben de volgende feiten als vaststaand te gelden. 2.1. Na vanaf maart 2007 in onderhandeling te zijn getreden via de heer [B] -een handelsvertegenwoordiger van De Boarnstream in Duitsland-, hebben De Boarnstream en [A] op 4 juli 2007 een Kauf-/Verkaufvertrag (hierna te noemen: de overeenkomst) gesloten terzake een door De Boarnstream te bouwen vaartuig, een Boarncruiser 365 New Line voor een koopprijs van € 266.459,46 inclusief BTW. De overeenkomst is namens De Boarnstream ondertekend door de heer [B] voornoemd. Partijen hebben afgesproken dat het vaartuig in november 2007 zou worden (op)geleverd en dat [A] de koopprijs in termijnen zou voldoen, waarvan de laatste termijn van 10% bij overname van het vaartuig. [A] heeft inmiddels 90% van de overeengekomen koopsom voldaan. De laatste termijn van 10% en een meerwerkfactuur zijn nog niet voldaan. 2.2. In de overeenkomst zijn de HISWA Algemene Aannemings-, Verkoop- en Leveringsvoorwaarden van toepassing verklaard. In artikel 16 van deze voorwaarden is een geschillenregeling opgenomen welke -voor zover van belang- als volgt luidt: '1. Op alle geschillen met betrekking tot de overeenkomst is Nederlands recht van toepassing. Uitsluitend een Nederlands rechtscollege dan wel de hierna te noemen geschillencommissie is bevoegd van deze geschillen kennis te nemen.' 2.3. Terzake de door [A] te betalen termijnen is door De Boarnstream vervangende zekerheid gesteld in de vorm van een bankgarantie. Op 2 augustus 2007 heeft Rabobank Nederland op verzoek van De Boarnstream een bankgarantie gesteld ten gunste van [A] ten bedrage van € 100.000,- (nummer GU176748BGA). Deze bankgarantie luidt, voor zover van belang als volgt: '(…) Für die eventuelle gänzliche oder teilweise Rückerstattung dieser Anzahlung garantieren wir, Coöperatieve Centrale Raiffeissen-Boerenleenbank B.A. (RABOBANK NEDERLAND), statutengemäss etabliert in den Niederlanden/Amsterdam, mit Hauptsitz in den Niederlanden, Croeselaan 18, 3521 CB Utrecht, hiermit Ihnen gegenüber unwiderruflich, jeden Betrag bis zu EUR 100.000,00 (iW: EIN HUNDERT TAUSEND EURO) unter verzicht auf jede Einwendung oder Einrede unverzüglich auf erste Anforderung auszuzahlen nach Ihrer Mitteilung, dass der Auftragnehmer seine vertragsgemässen Verpflichtungen nicht erfüllt hat.' Een gelijke bankgarantie ten bedrage van € 139.813,51 (nummer GU176746BGA) is op 2 augustus 2007 door Rabobank gesteld ten gunste van de financier van [A], GEFA Gesellschaft für Absatzfinanzierung (hierna te noemen: GEFA). De bankgaranties zouden expireren op 14 januari 2008. 2.4. Bij brief van 9 januari 2008 heeft [A] De Boarnstream bericht dat zij de overeenkomst met onmiddellijke ingang ontbindt omdat de overeengekomen levertermijn van november 2007 is overschreden en er geen nieuwe afleveringstermijn is genoemd. Tevens heeft [A] aangegeven dat zij en GEFA een beroep zullen doen op de verstrekte bankgaranties. Eveneens bij brief van 9 januari 2008 hebben [A] en GEFA aan Rabobank verzocht om de bankgaranties uit te betalen, omdat De Boarnstream niet aan haar contractuele verplichtingen jegens [A] zou hebben voldaan. 2.5. De Boarnstream heeft Rabobank vervolgens in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter van de rechtbank te Utrecht, in welke procedure zij jegens Rabobank een verbod tot uitbetaling onder de bankgaranties aan [A] en GEFA heeft gevorderd, totdat onherroepelijk in rechte op het dispuut tussen De Boarnstream en [A] (en GEFA) is beslist. Bij vonnis van 6 februari 2008 is de vordering van De Boarnstream toegewezen, waarbij de voorzieningenrechter onder meer heeft overwogen dat 'Rabobank niet kan vasthouden aan het beginsel van strikte conformiteit' en dat 'het alsnog uitbetalen van de bankgarantie onrechtmatig zou kunnen zijn jegens De Boarnstream.' 2.6. De Boarnstream heeft na verkregen verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Utrecht op 17 januari 2008 conservatoir derdenbeslag gelegd onder de Rabobank ten laste van [A] op de verstrekte bankgarantie. Het geschil en de beoordeling daarvan in conventie en in reconventie 3. De bevoegdheid 3.1. De Boarnstream stelt dat de voorzieningenrechter bevoegd is om kennis te nemen van haar vorderingen. Daartoe verwijst zij primair naar artikel 16 lid 1 van de HISWA-voorwaarden, dat als een forumkeuzebeding in de zin van artikel 17 van de EEX-Verordening (hierna te noemen: EEX-Vo.) moet worden aangemerkt. Subsidiair stelt De Boarnstream dat de voorzieningenrechter zijn bevoegdheid kan ontlenen aan artikel 31 EEX-Vo. en voorts aan artikel 5 EEX-Vo. Er is te dezen volgens De Boarnstream geen sprake van een consumentenovereenkomst als bedoeld in artikel 15 lid 1 EEX-Vo., zodat de daarvoor geldende exclusieve bevoegdheidsregels niet van toepassing zijn. Ten aanzien van de vorderingen van [A] in reconventie stelt De Boarnstream dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden onbevoegd is om daarvan kennis te nemen. Deze vorderingen dienen te worden berecht door de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht. 3.2. [A] voert aan dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden onbevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van De Boarnstream. Daartoe stelt zij in de eerste plaats dat het forumkeuzebeding uit artikel 16 lid 1 van de HISWA-voorwaarden als een onredelijk bezwarend beding in de zin van artikel 6:236 sub n BW dient te worden aangemerkt, aangezien dit beding voorziet in geschillenbeslechting door een andere rechter dan de rechter die volgens de wet bevoegd zou zijn, zijnde de Duitse rechter. Vorenbedoeld beding moet dan ook als vernietigbaar worden aangemerkt. In de tweede plaats voert [A] aan dat, aangezien er te dezen sprake is van een consumentenovereenkomst als bedoeld in artikel 15 EEX-Vo., rechtsvorderingen tegen een consument op grond van artikel 16 lid 2 EEX-Vo. slechts kunnen worden ingesteld voor de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de consument woonplaats heeft. Hiervan kan worden afgeweken op grond van hetgeen in artikel 17 EEX-Vo. is omschreven, maar die situatie doet zich hier niet voor. Ook om deze redenen is slechts de Duitse rechter bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen van De Boarnstream. Daarbij komt nog dat De Boarnstream [A] niet de voorgeschreven maand tijd heeft gegund om de bevoegde rechter op te zoeken. 3.3. De rechtbank stelt voorop dat nu het hier een geschil betreft tussen een Nederlandse eiseres en een Duitse gedaagde zij gehouden is om haar bevoegdheid om van het geschil kennis te nemen (ambtshalve) te toetsen aan de EEX-Verordening. 3.4. In dat verband dient allereerst de vraag te worden beantwoord of er te dezen sprake is van een consumentenovereenkomst als bedoeld in artikel 15 EEX-Vo. Deze vraag dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter voorshands bevestigend te worden beantwoord, aangezien de overeenkomst is gesloten tussen [A] als consument aan de ene kant en De Boarnstream als een persoon die haar commerciële activiteiten ontplooit in c.q. richt op de lidstaat waar [A] woonplaats heeft -Duitsland- aan de andere kant, en de overeenkomst onder deze activiteiten valt. Immers, de overeenkomst van partijen is tot stand gekomen via bemiddeling door de Duitse handelsvertegenwoordiger van De Boarnstream, de heer [B]. 3.5. Bij consumentenovereenkomsten kunnen krachtens artikel 16 lid 2 EEX-Vo. rechtsvorderingen die tegen de consument worden ingesteld door de wederpartij bij die overeenkomst in beginsel slechts worden gebracht voor de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de consument woonplaats heeft. Forumkeuze bij een consumentenovereenkomst is krachtens artikel 17 lid 1 EEX-Vo. slechts mogelijk na het ontstaan van het geschil. Een forumkeuze vooraf kan er niet toe leiden dat aan de consument de fora worden ontnomen die hem, zonder forumkeuze, toekomen (lid 2). Het forumkeuzebeding van artikel 16 lid 1 van de HISWA-voorwaarden dient als een vooraf overeengekomen forumkeuzebeding te worden aangemerkt. Dit beding verklaart alleen de Nederlandse rechter (of een Nederlandse geschillencommissie) bevoegd om van een geschil inzake de overeenkomst kennis te nemen en is, gelet op het vorenoverwogene, dan ook in strijd met artikel 17 lid 2 EEX-Vo. Kaczamarek wordt hierdoor immers van de zonder forumkeuze bevoegde Duitse rechter afgehouden. Het forumkeuzebeding van artikel 16 lid 1 van de HISWA-voorwaarden dient naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook als nietig te worden aangemerkt. De voorzieningenrechter is derhalve niet uit hoofde van dit beding bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen van De Boarnstream tegen [A]. 3.6. Gezien al het vorenstaande moet in beginsel de Duitse rechter exclusief bevoegd worden geacht om van het (bodem)geschil van partijen kennis te nemen. Artikel 31 EEX-Vo. bepaalt echter dat voorlopige of bewarende maatregelen, die in de wetgeving van een lidstaat zijn voorzien, bij de gerechten van die staat kunnen worden aangevraagd, zelfs indien een gerecht van een andere lidstaat krachtens de EEX-Vo. bevoegd is om van het geschil kennis te nemen. Het betreft hier een aanvullende bepaling voor gevallen -zoals het onderhavige- waarin de aangezochte rechter zijn bevoegdheid niet op andere bepalingen van de EEX-Vo. kan gronden. De Nederlandse kort geding procedure behoort tot de voorlopige maatregelen in de zin van artikel 31 EEX-Vo. (EHvJ 27 april 1999, NJ 2001, 90, Mietz/Intership Yachting Sneek). Het EHvJ heeft voor de toepassing van artikel 31 EEX-Vo. wel de eis gesteld dat het toestaan van voorlopige of bewarende maatregelen afhankelijk is van het bestaan van een reële band tussen het voorwerp van de gevraagde maatregelen en de op territoriale criteria gebaseerde bevoegdheid van de verdragsluitende staat van de aangezochte rechter (EHvJ 17 november 1998, NJ 1999, 339, Van Uden/Deco-Line). Aan deze eis is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldaan, nu de gevorderde nakoming van de overeenkomst van partijen in Nederland dient te worden uitgevoerd (afname en betaling). 3.7. Hoewel de eis van De Boarnstream als een vordering tot nakoming is geformuleerd, is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter ten dele sprake van een incasso kort geding, nu ook nakoming van de betalingsverplichting van [A] wordt gevorderd. Een incasso kort geding valt, aldus het hiervoor genoemde arrest Van Uden/Deco-Line, niet onder (thans) artikel 31 EEX-Vo, tenzij aan twee eisen is voldaan: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.