RECHTBANK LEEUWARDEN Sector kanton Locatie Leeuwarden zaak-/rolnummer: 250363 \ CV EXPL 08-3990 vonnis van de kantonrechter d.d. 13 november 2009 inzake [eiseres], voor zichzelf en in haar hoedanigheid van nabestaande en erfgename van [erflater], hierna te noemen: [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres, procederende met toevoeging, gemachtigde: mr. R.F. Ruers, tegen De besloten vennootschap Pranger-Rosier Installaties B.V., hierna te noemen: Pranger-Rosier, gevestigd te Dokkum, gedaagde, gemachtigde: Mr. P.A. Speijdel. Procesverloop 1. Ingevolge het tussenvonnis van 5 juni 2009 is op 1 september 2009 een getuigenverhoor gehouden aan de zijde van [eiseres]. [eiseres] heeft hierna bij akte laten weten af te zien van de mogelijkheid om verdere getuigen aan haar zijde te horen, terwijl Pranger-Rosier bij akte te kennen heeft gegeven af te zien van contra-enquête. Vervolgens is wederom vonnis bepaald op de stukken, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt. Motivering 2. De kantonrechter neemt hier over hetgeen hij heeft overwogen en beslist bij zijn tussenvonnissen van 6 februari 2009 en 5 juni 2009. De verdere beoordeling van het geschil De vraag of Pranger-Rosier rechtsopvolgster is van Rosier Technisch Installatiebedrijf dan wel "J. Rosier en Zoon". 3. [eiseres] is bij tussenvonnis van 5 juni 2009 toegelaten tot het bewijs van feiten of omstandigheden, waaruit kan worden afgeleid dat J. Rosier en Zoon per 1 januari 1970 een deel van zijn onderneming dat zich toelegde op c.v. activiteiten heeft ingebracht in Pranger-Rosier, dat dit deel kan worden aangemerkt als een economische eenheid en dat deze eenheid is overgegaan ten gevolge van een overeenkomst, een fusie of een splitsing, zoals bedoeld in artikel 7:662 BW. 4. [eiseres] heeft als getuige doen horen: [getuige]. Deze heeft verklaard: "In 1963 ben ik in dienst getreden van Rosier. Ik ben altijd bij Rosier, later Pranger-Rosier, in dienst geweest totdat ik in 2000 met pensioen ging. Laatstelijk was ik daar projectleider technische installaties. [erflater] heb ik als collega meegemaakt in de periode die u noemt 1963 tot 1967. Hij was cv-monteur en ik was chef. Rosier was een loodgietersbedrijf maar er werd ook cv-werk gedaan. Er werkten in die tijd daar toen ongeveer 6 cv-monteurs terwijl het aantal mensen wat daar in dienst was ca. 12 bedroeg. [A] was directeur en ook waren er loodgieters, electriciëns en dakdekkers in dienst en er was een administratie. Wanneer ik het heb over cv-monteurs bedoel ik daar niet mee dat deze monteurs zich exclusief met cv-werk bezig hielden, terwijl voor de andere werknemers die ik noemde in omgekeerde zin hetzelfde gold. Ik kan mij niet herinneren dat het werk fundamenteel anders is geworden, in mijn beleving heeft Rosier en later Pranger-Rosier zich steeds met installatiewerk bezig gehouden, waaronder cv-installaties. U houdt mij de ontslagbrief voor van [erflater] waarin wordt gesproken over het ontbreken van werkgelegenheid in de afdeling centrale verwarming. Ik heb daar geen herinnering aan maar met de verandering van de tijden zal er ook verandering zijn geweest in de hoeveelheid werk betreffende cv-installaties. Ik herinner mij niet dat er duidelijk sprake is geweest van een breuk tussen het werk bij Rosier en dat bij de latere Pranger-Rosier Installaties B.V.: ik ben altijd op dezelfde stoel blijven zitten, in die zin dat mijn functie steeds dezelfde is gebleven; wel heeft die stoel zich op verschillende locaties bevonden. Ook is het zo dat door de gasvondst in Slochteren omstreeks 1970 het werk bij Pranger-Rosier toenam zodat er omstreeks die tijd meer werknemers waren -hoeveel weet ik niet- dan destijds bij Rosier. Ik herinner mij dat toen sprake was van Pranger-Rosier er alleen nog een winkel van Rosier overbleef; deze winkel handelde in huishoudelijke artikelen. Of ze haarden en kachels verkochten weet ik niet. In 1966 is er een nieuwe onderneming gesticht met als directeuren de heren Pranger en Rosier, met als naam "IP". Dat bedrijf had ook cv-monteurs in dienst maar ikzelf ben niet bij die vestiging in dienst geweest. Toen ik in 1963 begon was er naast het bedrijf Rosier ook een bedrijf Pranger dat zich ook bezig hield met cv-installaties. Nadat Pranger en Rosier wat betreft het installatiewerk samen waren gegaan bleef er volgens mij nog wel een winkel Pranger over waar kachels en haarden werden verkocht, en ik veronderstel dat die winkel daarom ook installatiewerk deed." 5. Uit voormelde verklaring van de getuige leidt de kantonrechter af dat een deel van de onderneming van J. Rosier en Zoon -welk deel zich toelegde op c.v.-activiteiten- ten gevolge van een fusie is overgegaan naar Pranger-Rosier en dat dit deel kon worden aangemerkt als een economische eenheid, nu dit bestond uit een georganiseerd geheel van personen en elementen waarmee een economische activiteit met een eigen doelstelling kon worden uitgeoefend. De kantonrechter acht [eiseres] dan ook geslaagd in het leveren van bewijs conform de haar gegeven bewijsopdracht. 6. Op grond van het bovenstaande staat thans in deze procedure vast dat Pranger-Rosier rechtsopvolgster is van Rosier Technisch Installatiebedrijf dan wel "J. Rosier en Zoon", zodat moet worden vastgesteld dat [eiseres] Pranger-Rosier terecht in rechte heeft betrokken, uitgaande van hetgeen zij aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd. Met betrekking tot de (on)aanvaardbaarheid van het beroep op verjaring 7. Pranger-Rosier heeft een beroep gedaan op verjaring, nu de vordering is ingesteld na het verstrijken van de verjaringstermijn van 30 jaren, genoemd in artikel 3:310 lid 2 BW. Partijen verschillen over de vraag of toepassing van genoemde verjaringstermijn in het onderhavige geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is in de zin van artikel 6:2 lid 2 BW. 8. Vooropgesteld zij dat toepassing van de in artikel 3:310 lid 2 BW neergelegde regel slechts in uitzonderlijke gevallen onaanvaardbaar zal kunnen worden bevonden, gelet op de belangen die deze regel beoogt te dienen. Niettemin kan het zo zijn dat in de onderhavige zaak -waar het gaat om een schadeveroorzakende gebeurtenis (blootstelling aan asbest) waarvan de schade pas na het verstrijken van de verjaringstermijn van 30 jaar is ontstaan en aan het licht getreden (mesothelioom)- moet worden geoordeeld dat sprake is van een dergelijk uitzonderlijk geval. Bij de beoordeling van de vraag of toepassing van genoemde verjaringstermijn in het onderhavige geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, dienen, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 28 april 2000, NJ 2000, 430 (LJN: AA5635), inzake Van Hese/De Schelde, alle omstandigheden van het geval in acht te worden genomen, waarbij een zevental -in genoemd arrest geformuleerde- gezichtspunten vallen te noemen, te weten:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.