Rechtbank LEEUWARDEN Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer Procedurenummer: AWB 09/1674 OB Uitspraakdatum: 22 december 2010 Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, en de inspecteur van de Belastingdienst/Noord, kantoor Emmen, verweerder. IPROCESVERLOOP 1.1. Verweerder heeft aan eiser over het tijdvak 1 januari 2003 tot en met 31 december 2004 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd, alsmede bij beschikking een boete van € 81.059 (aanslagnummer [aanslagnummer].F.01.450). Bij de naheffingsaanslag is een bedrag van € 16.084 aan heffingsrente berekend. 1.2. Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 6 juni 2009 de naheffingsaanslag gehandhaafd en de boete verminderd tot een bedrag van € 40.529. 1.3. Eiser heeft daartegen bij brief van 15 juli 2009, ontvangen bij de rechtbank op 17 juli 2009, beroep ingesteld. 1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. 1.5. Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder. 1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2010. Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder zijn verschenen mr. D.M. Wouters en F. Geukes. Feiten Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast. 1.7. Eiser heeft van 2002 tot en met 31 juli 2007 gehandeld in uiteenlopende producten zoals onroerende zaken, tropisch hardhout, laminaat, kunst en oud ijzer. Hij is daarnaast actief geweest in het ontwikkelen van zakelijke projecten. Hij heeft in die periode verschillende ondernemingen geëxploiteerd en stichtingen bestuurd waaronder een makelaardij, de Stichting [Stichting 1], welke stichting beherend vennoot is van de commanditaire vennootschap [CV] en Stichting [Stichting 2], welke stichting beherend vennoot is van [A]. 1.8. Eiser was van 1 augustus 1997 tot 16 mei 2008 buiten gemeenschap van goederen gehuwd met [echtgenote] (hierna: de echtgenote). Zij exploiteerde ten tijde van het naheffingstijdvak een kunstgalerie annex lijstenmakerij. Zij verzorgde daarnaast cursussen. De echtgenote stond bij de belastingdienst geregistreerd als ondernemer voor de omzetbelasting en deed als zodanig aangifte(n). 1.9. Van 2002 tot en met 2004 stond eiser bij de Belastingdienst geregistreerd als ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB). Vanaf 2005 is eiser bij de Belastingdienst niet langer als zodanig geregistreerd. Eiser heeft vanaf dat jaar ook geen aangiften meer gedaan voor de omzetbelasting. 1.10. Op 4 juli 2007 is bij eiser een boekenonderzoek ingesteld waarbij onder meer de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de periode 1 januari 2002 tot en met 31 december 2006 is onderzocht. De bevindingen van het boekenonderzoek zijn neergelegd in een rapport van 4 april 2008. Een afschrift van dit rapport is aan de rechtbank overgelegd. 1.11. Op grond van de uitkomsten van het boekenonderzoek heeft verweerder het standpunt ingenomen dat eiser niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichtingen als bedoeld in artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) en heeft hij aan eiser onder meer de voormelde naheffingsaanslag en boetebeschikking opgelegd. 1.12. Eiser heeft tegen de naheffingsaanslag en de boetebeschikking bezwaar gemaakt. Bij de bestreden uitspraak zijn de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd en is de vergrijpboete wegens persoonlijke omstandigheden van eiser verminderd tot een bedrag van € 40.529. Geschil 1.13. Tussen partijen is in geschil of verweerder het hoorrecht heeft geschonden. Voorts is in geschil of de naheffingsaanslag en de vergrijpboete terecht en, zo ja, tot het juiste bedrag zijn opgelegd. Tevens is in geschil of verweerder de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, te weten het zorgvuldigheidsbeginsel en het verbod van détournement de pouvoir, heeft geschonden. Ten slotte is tussen partijen in geschil of eiser recht heeft op vergoeding van de werkelijke proceskosten. 1.14. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag en de boetebeschikking. 1.15. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. 1.16. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken. IIOVERWEGINGEN Hoorrecht 2.1. Eiser stelt dat verweerder het hoorrecht heeft geschonden doordat eiser tijdens het hoorgesprek niet heeft kunnen beschikken over zijn administratie. Verweerder heeft tijdens het hoorgesprek slechts spreadsheets overgelegd waarin de cijfermatige conclusies zijn verwerkt. Met betrekking tot deze grond overweegt de rechtbank als volgt. Anders dan eiser kennelijk meent, is verweerder niet verplicht om eisers administratie tijdens het hoorgesprek te overleggen. Dat zijn immers stukken van eiser zelf. Dat eiser niet kon beschikken over zijn administratie, komt voor zijn rekening. De rechtbank begrijpt eiser aldus dat het volgens hem aan verweerder te wijten is dat hij niet over zijn administratie kon beschikken omdat deze door verweerder in beslag is genomen. Ten tijde van het hoorgesprek was het boekenonderzoek echter reeds afgerond en was de administratie van eiser teruggebracht naar het bij de Belastingdienst laatst bekende adres van eiser. Dat dit volgens eiser een onjuist adres was, komt voor rekening en risico van eiser nu eiser heeft verklaard dat hij een zwervend bestaan had en niet beschikte over een vaste woon- en verblijfplaats. Ook de omstandigheid dat het hoorgesprek plaatsvond ten tijde van eisers detentie en daardoor, naar de rechtbank begrijpt, eiser niet zelf zijn administratie kon ophalen, komt voor rekening en risico van eiser. Van schending van het hoorrecht is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. Naar de rechtbank begrijpt, heeft eiser met deze grond bedoeld te stellen dat hij als gevolg van het ontbreken van zijn administratie in bewijsnood verkeerde. De rechtbank overweegt daaromtrent dat eiser inmiddels wel de beschikking heeft over zijn administratie, zodat die eventuele bewijsnood niet langer bestaat. Naheffingsaanslag 2.2. Ingevolge artikel 52, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) is eiser gehouden van zijn vermogenstoestand en van alles betreffende zijn bedrijf naar de eisen van dat bedrijf op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde zijn rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken. Ingevolge artikel 27e, letter b, van de AWR verklaart de rechtbank het beroep tegen de naheffingsaanslag ongegrond indien niet volledig is voldaan aan de verplichtingen ingevolge artikel 52 van de AWR, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. 2.3. De administratie van eiser bestaat onder meer uit circa honderd ordners met daarin diverse gegevens waaronder documentatie die eiser heeft verzameld over verschillende al dan niet gerealiseerde zakelijke projecten. Naar eiser stelt, zijn deze ordners ingedeeld naar zijn verschillende klanten en overige zakelijke contacten. Enig verband tussen de ordners, de gerealiseerde omzet, de boekhouding en de aangiften is daarbij niet aangebracht. Uit het controlerapport blijkt dat de kasadministratie bestaat uit kasbladen zonder datum. De controlerend ambtenaren hebben niet kunnen constateren dat eiser kascontroles uitvoerde. Voorts is gebleken dat eiser transacties die feitelijk door hem werden uitgevoerd, heeft verantwoord in de administratie van zijn echtgenote. Ook zijn in de administratie van eiser afschriften van bankrekeningen aangetroffen die op naam stonden van zijn echtgenote. De administraties van eiser en zijn echtgenote liepen door elkaar. Zo blijkt uit de jaarstukken voor het jaar 2004 van de echtgenote (welke door eiser zijn overgelegd) dat omzetten van eisers makelaardij en van de stichtingen van eiser zijn verwerkt bij de omzet van de echtgenote. Enige aansluiting met de jaarstukken en de verschillende aangiften voor de omzetbelasting kan niet worden gemaakt. Gezien deze bevindingen is de rechtbank met verweerder van oordeel dat de administratie van eiser dermate onoverzichtelijk, onvolledig en binnen de grenzen van het redelijke oncontroleerbaar is dat niet kan worden geoordeeld dat eiser heeft voldaan aan de verplichtingen ingevolge artikel 52 van de AWR. Gelet hierop dient de rechtbank het beroep ongegrond te verklaren, tenzij eiser doet blijken – dat wil zeggen overtuigend aantoont – dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is (hierna: omkering van de bewijslast). 2.4. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser met hetgeen hij heeft gesteld en de stukken die hij heeft overgelegd niet in dat bewijs geslaagd. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiser de meeste transacties heeft erkend. Dat, zoals eiser ten aanzien van veel transacties heeft gesteld, daarvoor niet is betaald, neemt niet weg dat eiser over die transacties omzetbelasting is verschuldigd. Eiser had de verschuldigde omzetbelasting op aangifte moeten voldoen en had, als later zou blijken dat niet zou worden betaald, een verzoek om teruggaaf kunnen indienen. Eiser stelt dat zijn echtgenote omzetbelasting op aangifte(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.