RECHTBANK LEEUWARDEN Sector bestuursrecht Procedurenummers: 08/2897, 08/2899 en 08/2914 uitspraak van 4 februari 2010 van de meervoudige kamer als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) inzake het geding tussen 1. [naam] en [naam], gemachtigde: mr. E.T. Sillevis Smit, advocaat te Rotterdam, 2. [naam], 3. [naam], 4. [naam], 5. [naam], gemachtigde: mr. W. Spijkstra, advocaat te Leeuwarden, en 6. [naam], gemachtigde: mr. drs. J.M. Stedelaar, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand te Tilburg, gezamenlijk te noemen: eisers, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Smallingerland, verweerder, gemachtigden: mrs. J. Boersma en J.H. Jonker, beiden werkzaam bij verweerders gemeente. Procesverloop Bij afzonderlijke besluiten van 18 november 2008, die zijn voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb, heeft verweerder vrijstelling en bouwvergunning verleend aan Stichting Jeugdhulp Friesland voor het realiseren van een jeugdbehandelcentrum op percelen aan de Boerestreek 22 en 24 te Kortehemmen. Eisers hebben tegen deze besluiten beroep ingesteld. De zaken zijn gevoegd en vervolgens behandeld ter zitting van de rechtbank, meervoudige kamer, gehouden op 15 oktober 2009. Eisers sub 1 zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. De overige eisers hebben zich ter zitting laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Voor verweerder zijn bovengenoemde gemachtigden verschenen. Verder is namens Stichting Jeugdhulp Friesland, die op de voet van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb als derde-belanghebbende aan het geding deelneemt, verschenen [naam], projectmanager, bijgestaan door mr. E. Wiarda, werkzaam bij adviesbureau Langhout & Wiarda te Heerenveen. Motivering Feiten 1.1 Op 17 december 2007 heeft Stichting Jeugdhulp Friesland (hierna: de vergunninghouder) een reguliere bouwvergunning aangevraagd voor het realiseren van een jeugdbehandelcentrum op percelen aan de Boerestreek 22 en 24 te Kortehemmen. Het bouwplan betreft het verbouwen en uitbreiden van de gebouwen van het voormalige conferentieoord Woodbrookers, alsmede de herinrichting van het daarbij behorende terrein. Het behandelcentrum zal voorzien in de opvang op basis van vrijwilligheid of een civielrechtelijke maatregel van maximaal 64 jongeren in de leeftijd van 12 tot 18 jaar die vanwege psychische problemen, gedragsproblematiek of andere problemen van opvoedkundige aard niet meer thuis kunnen wonen. De helft van de jongeren zal worden behandeld in een besloten setting en de andere helft in een halfopen setting. 1.2 Bij besluit van 22 april 2008 heeft verweerder bepaald dat alle aanvragen om bouwvergunning in de gemeente Smallingerland die strijdig zijn met het bestemmingsplan en waaraan alleen medewerking kan worden verleend nadat een vrijstellingsprocedure is gevoerd op basis van artikel 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vanaf 15 april 2008 worden voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. 1.3 Op 3 juli 2008 heeft verweerder in de "Breeduit" bekend gemaakt dat hij van plan is vrijstelling en bouwvergunning voor het bouwplan te verlenen. Daarbij is aangegeven dat de ontwerpbesluiten met bijbehorende stukken vanaf 4 juli tot en met 14 augustus 2008 ter inzage liggen en dat gedurende die termijn zienswijzen kunnen worden ingediend. Alle eisers, met uitzondering van eiser sub 5, hebben zienswijzen ingediend. 1.4 Bij brief van 11 november 2008 hebben Gedeputeerde Staten van Fryslân (GS) ten behoeve van het bouwplan een verklaring van geen bezwaar afgegeven. 1.5 Op 18 november 2008 heeft verweerder vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO en de gevraagde bouwvergunning verleend. 1.6 Bij brieven van 23 en 24 februari 2009 hebben eisers sub 1 en 6 verzoeken om een voorlopige voorziening ingediend. Deze verzoeken zijn bij uitspraken van 19 maart 2009 (registratienummers 09/399 en 09/486) door de voorzieningenrechter van deze rechtbank afgewezen. Geschil 2.1 Eisers stellen zich - kort samengevat - op het standpunt dat het bouwplan niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Daartoe voeren zij aan dat het bouwplan strijdig is met het streekplan Fryslân 2007. Daarnaast stellen eisers dat de locatiekeuze onvoldoende is onderbouwd en dat ten onrechte is afgeweken van de afstandsnorm van 30 meter die op grond van de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) geldt voor het behandelcentrum. Voorts stellen eisers dat de luchtkwaliteit zal verslechteren en dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het bouwplan in de weg staat. Ten slotte stellen eisers dat onvoldoende rekening is gehouden met hun belangen. 2.2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser sub 5 niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn beroep tegen de verlening van de bouwvergunning en vrijstelling, nu deze besluiten zijn voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb en eiser sub 5 heeft verzuimd daartegen zienswijzen in te dienen. Voorts stelt verweerder dat het beroep van eisers sub 3 en 4 eveneens niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, aangezien zij niet als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Awb kunnen worden aangemerkt. Verder heeft verweerder naar voren gebracht dat het bouwplan is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Volgens verweerder strijdt het bouwplan niet met het streekplan. Verder staan de natuurwaarden niet aan het bouwplan in de weg en worden de wettelijke luchtkwaliteitseisen niet overschreden, aldus verweerder. Verder meent verweerder dat voldoende gemotiveerd is afgeweken van de in de VNG-brochure opgenomen richtafstand van 30 meter. Ten slotte heeft verweerder aangevoerd dat met het bouwplan niet op onevenredige wijze afbreuk wordt gedaan aan de belangen van eisers. Volgens verweerder blijft een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gehandhaafd. 2.3 De vergunninghouder heeft zich aangesloten bij het standpunt van verweerder en heeft daarnaast benadrukt dat een groot maatschappelijk belang is gediend met de realisatie van het bouwplan. Daarbij is aangegeven dat in de provincie Fryslân grote behoefte is aan een behandelcentrum voor deze groep jongeren. Ontvankelijkheid 3.1 De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of eisers ontvangen kunnen worden in beroep. De rechtbank beantwoordt deze vraag ten aanzien van eisers sub 3, 4 en 5 ontkennend en overweegt daartoe het volgende. 3.2. Ingevolge artikel 3:10, eerste lid, van de Awb is afdeling 3.4 van toepassing op de voorbereiding van besluiten, indien dat bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan is bepaald. Ingevolge artikel 3:15, eerste lid, van de Awb, kunnen belanghebbenden bij het bestuursorgaan naar keuze schriftelijk of mondeling hun zienswijze over het ontwerp naar voren brengen. Ingevolge artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht. 3.2.1 Ingevolge artikel 19a, vierde lid, aanhef, van de WRO, is op de voorbereiding van het besluit omtrent de vrijstelling afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Deze afdeling regelt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure en omvat de artikelen 3:10 tot en met 3:18 van de Awb. Ten aanzien van de bouwvergunning was ten tijde hier van belang geen wettelijk voorschrift aan te wijzen dat noopte tot toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. Deze toepassing volgt wel uit het onder 1.2 genoemde besluit van verweerder van 22 april 2008. 3.2.2 Naar het oordeel van de rechtbank kleeft er geen gebrek aan de wijze waarop verweerder, ten aanzien van zowel de vrijstelling als de bouwvergunning, toepassing heeft gegeven aan afdeling 3.4. Verweerder heeft met toepassing van artikel 3:10, eerste lid, van de Awb uitdrukkelijk besloten om ook bouwvergunningen als de onderhavige met de uniforme voorbereidingsprocedure voor te bereiden. De ontwerpbesluiten hebben met ingang van 4 juli 2008 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Hiervan is op 3 juli 2008 in de Breeduit kennis gegeven. Aldus heeft verweerder voldaan aan de eisen, die de artikelen 3:10, 3:11, 3:12 en 3:16 van de Awb aan het verlenen van vrijstelling en bouwvergunning met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure stellen. Uit het vorenstaande volgt dat in het onderhavige geval slechts beroep bij de rechtbank kon worden ingesteld door diegenen die tegen de ontwerpbesluiten hun zienswijzen hebben ingediend. Eiser sub 5 heeft geen zienswijzen ingediend tegen de ontwerpbesluiten. Gesteld noch gebleken is dat dit hem redelijkerwijs niet kon worden verweten. Gelet op artikel 6:13 van de Awb zal eiser sub 5 dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn beroep. 3.3 Verder is de rechtbank van oordeel dat eisers sub 3 en 4 niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb kunnen worden aangemerkt. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. 3.3.1 Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. 3.3.2 Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon volgens vaste rechtspraak een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. 3.3.3 De rechtbank overweegt dat uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, met name het daar overgelegde kaartmateriaal, blijkt dat de afstand tussen de woningen van eisers sub 3 en 4 en het bouwplan circa 165 meter respectievelijk 560 meter bedraagt en dat zij, gelet op de bebouwing en/of beplanting tussen hun percelen en het perceel waarop het bouwplan is voorzien, beiden vanuit hun woningen geen zicht hebben op het perceel. Ook de ruimtelijke uitstraling van het bouwplan moet voor beide eisers gering worden geacht. Niet aannemelijk is, gelet op voormelde afstanden en de situering van de woningen van eisers, dat zich ter plaatse van hun woningen overlast door (hang)jongeren zal voordoen. De stelling van eisers dat de verkeersintensiteit op de Boerestreek ten gevolge van het bouwplan fors zal toenemen, leidt niet tot een ander oordeel. Naast het feit dat de rechtbank een forse verkeerstoename op de Boerestreek als gevolg van het bouwplan niet aannemelijk acht, onderscheiden eisers zich in dit belang in onvoldoende mate van andere gebruikers van deze weg. Ook anderszins bestaat in hetgeen eisers sub 3 en 4 hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat hun belangen rechtstreeks zijn betrokken bij de in geding zijnde besluiten. Hieruit volgt dat deze eisers niet kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij de bestreden besluiten. Hun beroep zal niet-ontvankelijk worden verklaard. Wettelijk kader 4.1 Met ingang van 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden en de WRO ingetrokken. Volgens het overgangsrecht blijven de bepalingen uit de WRO respectievelijk de Woningwet van toepassing op aanvragen om bouwvergunning die zijn ingediend vóór 1 juli 2008. 4.2 Op grond van artikel 44, eerste lid, van de Woningwet mag en moet een reguliere bouwvergunning alleen worden geweigerd wegens strijd met het bestemmingsplan, de bouwverordening of het Bouwbesluit 2003, of indien het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, dan wel indien voor het bouwen een vergunning op grond van de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze is geweigerd. 4.3 Tussen partijen is niet in geschil dat het in geding zijnde bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied". 4.4 Teneinde deze strijdigheid op te heffen heeft verweerder vrijstelling op de voet van het bepaalde in artikel 19, eerste lid, van de WRO verleend. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en gedeputeerde staten vooraf hebben verklaard dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan deze bevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders. 4.5 Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval voldaan aan de formele vereisten voor het kunnen verlenen van vrijstelling als bedoeld in het eerste lid van artikel 19 van de WRO. GS hebben bij brief van 11 november 2008 een verklaring van geen bezwaar afgegeven. Uit de gedingstukken blijkt verder dat de gemeenteraad bij besluit van 1 april 2008 zijn bevoegdheid met betrekking tot de onderhavige projectprocedure heeft gedelegeerd aan verweerder. Ruimtelijke onderbouwing 5.1 De ruimtelijke onderbouwing van het project is neergelegd in het rapport "Behandelcentrum Jeugdhulp Friesland Boerestreek 22 en 24 te Kortehemmen" van 28 oktober 2008. In deze ruimtelijke onderbouwing is ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan en is een beschrijving van de locatie en de ruimtelijke inpassing van het bouwplan in relatie tot de omgeving opgenomen. Voorts is gemotiveerd aangegeven op welke wijze het bouwplan past in de planologische ontwikkeling van het desbetreffende gebied en de ruimtelijke en planologische beleidskaders die de provincie en de gemeente hanteren. Verder zijn in de ruimtelijke onderbouwing onder meer milieutechnische, waterhuishoudelijke, archeologische, ecologische en financiële aspecten nader uiteengezet. De rechtbank ziet, gelet hierop, geen aanleiding voor het oordeel dat het bouwplan niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. 5.2 Voor zover eisers betogen dat het bouwplan in strijd is met het streekplan Fryslân 2007 (hierna: het streekplan), overweegt de rechtbank het volgende. 5.2.1 De rechtbank stelt voorop dat GS vrijheid toekomt bij de beoordeling of aan het streekplan is voldaan. 5.2.2 De onderhavige bouwlocatie is gelegen in het landelijk gebied. In paragraaf 2.2.4 van het streekplan is ten aanzien van functies in het landelijk gebied het volgende opgenomen. “Het landelijk gebied is primair bestemd voor functies die een ruimtelijk-functionele relatie met het landelijk gebied hebben. Het gaat daarbij vooral om de functies landbouw, recreatie, natuur en waterberging en bestaande woon- en werkfuncties en voorzieningen. Voor de andere nieuwe functies, waaronder nieuwe woningen, niet-agrarische bedrijven, detailhandel en andere publiektrekkende functies, wordt als randvoorwaarde gesteld dat ruimte gezocht moet worden in of aansluitend aan kernen en dat een goede landschappelijke inpassing gewaarborgd is.” 5.2.3 De rechtbank stelt vast dat het streekplan geen definitie kent van bestaande woon- en werkfuncties en nieuwe functies. Vast staat dat het bestemmingsplan de vestiging van een horecabedrijf op het perceel toestaat en dat op het perceel eerder een conferentieoord was gevestigd. De op het perceel aanwezige opstallen van het voormalige conferentieoord worden verbouwd ten behoeve van het onderhavige bouwplan. Zowel een conferentieoord als een behandelcentrum is naar het oordeel van de rechtbank te kwalificeren als een niet-agrarische functie en heeft in die zin geen ruimtelijk-functionele relatie met het landelijk gebied. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat GS in redelijkheid tot hun standpunt hebben kunnen komen dat het behandelcentrum niet de vestiging van een nieuwe functie in de zin van paragraaf 2.2.4 van het streekplan betreft, maar moet worden beschouwd als (vervanging van) een bestaande woon- en werkfunctie. De rechtbank ziet in hetgeen eisers hebben aangevoerd geen aanknopingspunten voor een ander oordeel. De stelling dat het in dit geval niet om precies dezelfde bedrijvigheid gaat, acht de rechtbank daartoe ontoereikend. Weliswaar is de functie van behandelcentrum op zichzelf nieuw, maar van de ontwikkeling van een geheel nieuwe werkfunctie in het landelijk gebied is geen sprake. Er was immers al een conferentieoord aanwezig. 5.2.4 Uit het voorgaande volgt dat GS terecht het bepaalde in het streekplan ten aanzien van nieuwe functies niet op het bouwplan van toepassing hebben geacht. 5.2.5 Verder hebben GS naar het oordeel van de rechtbank met juistheid onderkend dat, gelet op de omvang van de nieuwbouw waarin het bouwplan voorziet, het bouwplan niet strookt met de in het streekplan op pagina 78 opgenomen richtinggevende beleidsuitspraak dat enkel een beperkte uitbreiding is toegestaan voor bestaande bedrijven in het landelijk gebied, die daaraan niet functioneel zijn verbonden. In de verklaring van geen bezwaar en in hun nadere motivering daarop van 17 maart 2009 hebben GS gemotiveerd waarom in dit geval van het streekplan kan worden afgeweken. In dat kader is onder meer gewezen op het maatschappelijke belang van de vestiging van een behandelcentrum op de bewuste locatie, dat past binnen het streven om de provincie Fryslân als zorgprovincie te profileren. Ook is aangegeven dat een passend hergebruik van het voormalige en verouderde conferentieoord als jeugdbehandelcentrum de aangevraagde uitbreiding noodzakelijk maakt. Verder vinden GS dat de uitbreiding goed inpasbaar in de omgeving is. Daarbij is in aanmerking genomen dat het perceel al vrijwel geheel stevig is ingeplant langs de randen en tegen een boscomplex aan ligt, zodat de uitbreiding van de bebouwing visueel gezien nauwelijks impact heeft. Naar het oordeel van de rechtbank hebben GS hiermee deugdelijk gemotiveerd waarom afwijking van het streekplan in dit geval gerechtvaardigd is. 5.2.6. Resumerend is de rechtbank van oordeel dat het streekplan niet in de weg staat aan de realisering van het bouwplan. 5.3 Voorts dient de vraag te worden beantwoord of verweerder toereikend heeft gemotiveerd dat de Flora- en faunawet niet aan de uitvoerbaarheid van het bouwplan in de weg staat. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) in haar uitspraak van 12 mei 2004 (LJN: AO9200) heeft overwogen komen de vragen of voor de uitvoering van het bouwplan een ontheffing nodig is op grond van de Flora- en faunawet, en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, aan de orde in een eventueel te voeren procedure op grond van de Flora- en faunawet. Dit doet er niet aan af dat verweerder geen vrijstelling voor het bouwplan had kunnen verlenen indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het bouwplan in de weg staat. 5.3.1 Teneinde bij de planontwikkeling rekening te kunnen houden met eventuele ecologische waarden is in opdracht van verweerder onderzoek uitgevoerd door het bureau BügelHajema. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Advies Flora- en faunawet Boerestreek 22A-24 te Kortehemmen" van 5 februari 2008 en het aanvullend rapport "Nadere ecologische onderzoek realisatie Intensieve Residentiële Behandeling Oude Jeugdhulp (IRB-OJ) Woodbrookers te Kortehemmen" van 11 september 2008. In deze rapporten is geconcludeerd dat in het plangebied wettelijk beschermde soorten voorkomen, maar dat geen ontheffing is vereist als bedoeld in de Flora- en faunawet. Verder is een aantal aanbevelingen gedaan. Deze conclusie en aanbevelingen zijn door verweerder overgenomen. 5.3.2 In hetgeen eisers hebben aangevoerd is naar het oordeel van de rechtbank geen grond gelegen voor het oordeel dat het verrichte onderzoek onvoldoende of onzorgvuldig is geweest dan wel dat de conclusies in de rapporten onjuist zijn. De door bureau Faunafax in haar Quickscan Woodbrookers van 8 augustus 2008 naar voren gebrachte visie dat mogelijk een aantal beschermde planten- en diersoorten zou zijn gemist en dat nader onderzoek aangewezen is, maakt het onderzoek van BügelHajema niet ondeugdelijk. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat bureau Faunafax niet zelf met een onderzoek ter plaatse aannemelijk heeft gemaakt dat op het bouwperceel andere dan door BügelHajema waargenomen beschermde (dier)soorten aanwezig zijn op grond waarvan, in verband met de bescherming die zij ingevolge de Flora- en faunawet genieten, moet worden aangenomen dat het bouwplan niet zal kunnen worden uitgevoerd. Daarentegen heeft BügelHajema blijkens zijn rapporten de bouwlocatie verspreid over het gehele jaar vijf maal bezocht. Bij deze bezoeken zijn de door bureau Faunafax genoemde potentieel aanwezige beschermde (dier)soorten door de deskundige(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.