RECHTBANK LEEUWARDEN Sector bestuursrecht procedurenummer: AWB 10/45 uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 februari 2010 als bedoeld in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen de [verzoekers], allen wonende te [woonplaats], verzoekers, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Littenseradeel (hierna: het college), verweerder, gemachtigde: S. Mollema-de Jong, werkzaam bij de gemeente Littenseradeel. Procesverloop Bij besluit van 8 december 2009 heeft het college aan [de vergunninghouder] ontheffing als bedoeld in artikel 3:23 van de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro) van een voorschrift van het [bestemmingsplan] verleend voor het plaatsen van een duivenhok op [het perceel]. Bij besluit van 23 december 2008 heeft het college een lichte bouwvergunning verleend voor het duivenhok. Verzoekers hebben bij brief van 15 januari 2010 het college meegedeeld bezwaren te hebben tegen de aan [de vergunninghouder] verleende bouwvergunning en ontheffing. Tevens hebben verzoekers zich tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om de bouwvergunning te schorsen. Het verzoek is ter zitting behandeld op 5 februari 2010. Verzoekers zijn in persoon verschenen. Het college is verschenen bij zijn gemachtigde. Daarnaast is [de vergunninghouder], vergezeld door zijn echtgenote in persoon verschenen. Hij neemt op de voet van artikel 8:26 van de Awb als belanghebbende deel aan het geding Motivering Feiten 1.1 Op 3 augustus 2009 heeft [de vergunninghouder] een lichte bouwvergunning aangevraagd voor het plaatsen van een duivenhok op het perceel. Blijkens de bouwtekeningen is het duivenhok circa 9,50 meter lang en circa 2,50 meter breed en bedragen de goot- en nokhoogte circa 2,30 meter onderscheidenlijk circa 3,42 meter. (Schuin) tegenover dit perceel liggen gescheiden door een watergang van circa 12 meter breed de woonpercelen van verzoekers. De afstand tussen de woning van [de vergunninghouder] en die van verzoekers bedraagt circa 40 meter. 1.2 Het college heeft op 17 september 2009 in het huis-aan-huisblad "Nijs fan ‘e keatsebaen" bekendgemaakt dat het voornemens is voor het plaatsen van het duivenhok ontheffing te verlenen van het bestemmingsplan. Op 2 oktober 2009 hebben verzoekers ten aanzien van dit voornemen schriftelijk zienswijzen naar voren gebracht. 1.3 Bij brieven van 10 december 2009 heeft het college verzoekers bericht dat de door hun ingebrachte zienswijzen geen aanleiding geven om geen ontheffing te verlenen voor het duivenhok en dat daarom bij besluit van 8 december 2008 die ontheffing is verleend. Bij besluit van 23 december 2008 heeft het college vervolgens de gevraagde bouwvergunning verleend. Bij brief van 15 januari 2010 hebben verzoekers het college meegedeeld dat zij bezwaar hebben tegen de verleende lichte bouwvergunning en ontheffing. Bij brief van 31 januari 2010 heeft vergunninghouder het college meegedeeld dat het bouwplan waarvoor bouwvergunning is aangevraagd, wordt gewijzigd. De nokhoogte van de duivenhok zal 2,98 meter bedragen. Het geschil 2.1 Verzoekers stellen zich op het standpunt dat voor het plaatsen van het duivenhok een reguliere bouwvergunning is vereist, omdat de hoogte van het duivenhok meer dan 3 meter bedraagt. Ook stellen verzoekers vraagtekens bij de door het college verrichte welstandtoets, in aanmerking genomen dat enkel getoetst is aan de sneltoetscriteria en geen veldonderzoek is verricht; het duivenhok is niet vanaf hun woonpercelen beoordeeld. Voorts kunnen verzoekers zich niet vinden in de verleende ontheffing. Daarbij wijzen zij erop dat in het bestemmingsplan duidelijk is aangegeven dat binnen 5 meter van de watergrens niet gebouwd kan worden en zij door plaatsing van het duivenhok op minder dan 5 meter van de watergang in hun woongenot worden aangetast en wel door verlies van uitzicht. Dit brengt tevens mee dat de waarde van hun woning zal dalen. Verder wijzen verzoekers erop dat hun woongenot tevens wordt aangetast door de op het perceel aanwezig schutting en walbeschoeiing. Voorts merken verzoekers op dat gelet op de grootte van het duivenhok geen sprake is van het hobbymatig houden van duiven. Tenslotte zijn verzoekers van mening dat de bouwaanvraag voor het duivenhok tegelijkertijd met de bouwaanvraag voor de op het perceel staande woning ingediend had moeten worden. 2.2 Het college stelt zich op het standpunt dat in redelijkheid ontheffing is verleend van het bestemmingsplan. Daarbij heeft het college in aanmerking genomen dat het voor het onderhouden van een watergang niet meer noodzakelijk is dat niet binnen een afstand van 5 meter van een watergang wordt gebouwd, het onderhoud geschiedt vanaf het water, en dat het uitzicht van verzoekers door plaatsing van het duivenhok binnen die 5 meter niet onevenredig wordt aangetast. Nu het bouwplan verder voldoet aan het bestemmingsplan en voldaan is aan redelijke eisen van welstand moet, aldus het college, de lichte bouwvergunning worden verleend. Beoordeling van het verzoek Met betrekking tot de ontvankelijkheid en het beoordelingskader van het verzoek 3.1 Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om verzoekers te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoekers een spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorlopige voorziening. 3.2 Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter. In dit verband merkt de voorzieningenrechter op dat voor beantwoording van de vraag of de gevraagde voorziening, gelet op de betrokken belangen toewijsbaar is, bepalend is of de lichte bouwvergunning en de verleende ontheffing, in bezwaar (in hoofdzaak) stand kunnen houden. Met betrekking tot het omvang van het geding 3.3 Gelet op de in artikel 46, zesde lid, van de Woningwet voorgeschreven concentratie van rechtbescherming, staan in deze procedure de naar aanleiding van de bouwaanvraag genomen en bestreden besluiten, zijnde het besluit tot verlening van ontheffing en tot verlening van de bouwvergunning, ter beoordeling. Nu die besluiten enkel betrekking hebben op de bouw van een duivenhok op het perceel is de rechtmatigheid van de op het perceel aanwezige walbeschoeiing en schutting in dit geding niet aan de orde. 3.4 Hoewel de vraag gesteld kan worden of het college, gelet op het bepaalde in artikel 46, vierde lid, van de Woningwet, de beslissing op de bouwaanvraag in dit geval niet had moeten voorbereiden overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb, nu op die wijze het besluit tot ontheffing is voorbereid, ziet de voorzieningenrechter hierin geen grond om het verzoek toe te wijzen, omdat verzoekers hierdoor niet in hun belangen zijn geschaad. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat zij bezwaar hebben kunnen maken tegen dat besluit en dat in het kader van die bezwaarprocedure het ontheffingsbesluit in de heroverweging betrokken zal moeten worden. De verleende ontheffing en bouwvergunning 3.5 De voorzieningenrechter stelt vast dat noch in de wet noch in enig andere rechtregel steun kan worden gevonden voor de opvatting van verzoekers dat voor de bouw van verschillende bouwwerken op een perceel een gezamenlijke aanvraag om bouwvergunning ingediend moet worden. De voorzieningenrechter vermag ook niet in te zien op welke wijze verzoekers hierdoor benadeeld worden, nu tegen elke beslissing op een bouwaanvraag belanghebbenden rechtsmiddelen kunnen aanwenden. 3.6 De voorzieningenrechter volgt verzoekers evenmin in hun standpunt dat voor de bouw van het duivenhok een reguliere bouwvergunning vereist is. Daartoe wordt het volgende overwogen. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning. Artikel 43, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet bepaalt, voor zover van belang, dat in afwijking van artikel 40, eerste lid, geen bouwvergunning is vereist voor het bouwen dat bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als van beperkte betekenis. Deze algemene maatregel van bestuur betreft het Besluit bouwvergunningsvrije en licht bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb). Uit artikel 2, onder b, van het Bblb volgt dat geen bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet is vereist voor -voor zover hier van belang- het bouwen van een op de grond staand bijgebouw bij een bestaande woning, dat of die strekt tot vergroting van het woongenot, mits het bijgebouw voldoet aan de volgende kenmerken: 1°. gebouwd op:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.