← Nederland

ECLI:NL:RBLEE:2010:BM0048

RECHTBANK LEEUWARDEN Sector bestuursrecht procedurenummer: AWB 09/2293 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 april 2010 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [naam], wonende te [woonplaats], eiseres, gemachtigde: mr. D. van der Wal, advocaat te Buitenpost, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Smallingerland, verweerder, gemachtigde: B. de Wolf, werkzaam bij verweerders gemeente. Procesverloop Bij brief van 26 augustus 2009 heeft verweerder eiseres mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Wet werk en bijstand (WWB). Tegen dit besluit heeft eiseres beroep aangetekend. De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 9 februari

  1. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Voor verweerder is zijn gemachtigde verschenen. Motivering Feiten 1.1 Eiseres ontvangt van verweerder een uitkering ingevolge de WWB naar de norm voor een alleenstaande. 1.2 Eiseres heeft bij aanvraagformulier van 26 januari 2009 bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van haar auto voor 2009, die bestaan uit de wegenbelasting, de autoverzekering, keuringen en het onderhoud. Hierbij heeft zij aangegeven dat zij in medisch opzicht volledig afhankelijk is van haar auto. Deze kosten moeten als medisch noodzakelijk worden aangemerkt. De noodzaak blijkt ondermeer uit het feit dat aan haar een invalidenparkeerkaart is toegekend en dat zij de beschikking heeft over een invalidenparkeerplaats. 1.3 Bij besluit van 26 februari 2009 heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat eiseres een vergoeding voor de kosten van haar auto ontvangt op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Voorts is het bezit van haar eigen auto niet noodzakelijk in de zin van artikel 35 van de WWB. Indien zij geen auto zou hebben, zou zij aanspraak kunnen maken op een taxivergoeding op grond van de Wmo. 1.4 Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Zij heeft gesteld dat in het kader van haar Wmo-aanvraag is geoordeeld dat er een noodzaak is tot het autogebruik en het verstrekken van een vergoeding van € 34,- per maand voor autokosten. Deze vergoeding is echter zo laag -en dus niet toereikend- dat van een voorliggende voorziening in het kader van artikel 15 van de WWB geen sprake is. Uit de tegemoetkoming in de kosten op grond van de Wmo blijkt de noodzaak van het bezit en gebruik van de auto. 1.5 Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres onder overneming van het advies van de Commissie Bezwaarschriften WWB ongegrond verklaard. Verweerder is van mening dat eiseres een beroep kan doen op een passende en toereikende voorliggende voorziening op grond van de Wmo. Zij kan derhalve geen bijzondere bijstand krijgen voor de kosten van haar auto. Geschil 2.1 Namens eiseres is in beroep gesteld dat de Wmo over het algemeen als een voorliggende voorziening op de WWB kan worden beschouwd. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 15 van de WWB is echter voor de beantwoording van de vraag of een bepaalde voorziening gezien haar aard en doel kan worden aangemerkt als passend en toereikend, afhankelijk van de omstandigheden en mogelijkheden van het individuele geval. Hierbij is mede van belang hetgeen naar maatschappelijk inzicht aanvaardbaar wordt geacht. Eiseres stelt voorts dat iedereen, ongeacht zijn inkomen, een beroep kan doen op de voorzieningen op grond van de Wmo. Het bezit van een auto is voor een bijstandsgerechtigde weliswaar niet algemeen gebruikelijk, maar het gebruik van een auto is voor eiseres wel noodzakelijk. Aan haar is immers ook een gehandicaptenparkeerkaart verstrekt. Dit betekent dat zij minder dan 100 meter kan lopen. De noodzaak van het gebruik van een auto is op grond van de Wmo erkend. De tegemoetkoming in de autokosten die eiseres op grond van de Wmo ontvangt, is het maximale op grond van de gemeentelijke regels. Voor haar individuele geval is de voorliggende voorziening derhalve onvoldoende en daarom moet zij in aanmerking kunnen komen voor bijzondere bijstand. 2.2 Verweerder heeft bij het bestreden besluit overwogen dat de Wmo in beginsel als een toereikende en passende voorliggende voorziening moet worden aangemerkt. Concreet betekent dit dat als de Wmo oproept een bepaalde voorziening aan te bieden, de kosten hiervan niet kunnen worden vergoed op grond van de WWB. Uit de toegekende tegemoetkoming in de autokosten op grond van de Wmo kan geen medische noodzaak voor het gebruik van de eigen auto voor eiseres worden afgeleid. Bij de toekenning wordt de betrokkene de keuze gelaten tussen een vergoeding voor taxivervoer, een vergoeding voor vervoer door derden/eigen auto of een combinatie van deze beide voorzieningen. Eiseres heeft gekozen voor een vergoeding voor het gebruik van haar eigen auto. Ook de verstrekte gehandicaptenparkeerkaart geeft geen oordeel over de medische noodzaak van het gebruik van de eigen auto. Eiseres kan derhalve een beroep doen op een voorliggende voorziening die naar haar aard en doel als passend en toereikend is aan te merken. Verweerder heeft voorts overwogen dat artikel 16, eerste lid, van de WWB de mogelijkheid biedt om in afwijking van het bepaalde in artikel 15, eerste lid, van de WWB de gevraagde bijstand te verlenen, indien, gelet op alle omstandigheden, daartoe zeer dringende redenen noodzaken. Nu in het geval van eiseres geen sprake is van een acute noodsituatie en evenmin van een situatie dat de behoeftige omstandigheden waarin zij verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, is er geen dringende noodzaak tot het verlenen van bijzondere bijstand. Beoordeling van het geschil 3.1 De rechtbank dient te beoordelen of verweerder terecht en op goede gronden heeft geweigerd om eiseres bijzondere bijstand te verlenen. 3.2 In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voorzover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voorzover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. 3.3 Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de WWB - dat deel uitmaakt van paragraaf 2.2 - bestaat geen recht op bijstand voorzover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt. 3.4 Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep moeten vervoersvoorzieningen voor gehandicapten die zijn toegekend op grond van de (per 1 januari 2007 vervallen) Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) in beginsel als een toereikende en passende voorliggende voorziening worden aangemerkt (zie bijvoorbeeld LJN: BA1960). Naar het oordeel van de rechtbank is er, mede gelet op de memorie van toelichting bij de Wmo, geen aanleiding om anders te oordelen ten aanzien van vervoersvoorzieningen op grond van de Wmo. 3.5 Nu eiseres gehandicapt is, kan zij -en dat heeft zij blijkens de stukken gedaan - een beroep doen op een voorziening op grond van de Wmo. Verweerder heeft aan haar op grond van de Wmo een tegemoetkoming in de kosten voor het gebruik van haar auto toegekend. 3.6 Eiseres heeft echter gesteld dat deze voorziening voor haar niet toereikend is, omdat € 34,- per maand ontoereikend is om te voorzien in de kosten van het gebruik en het onderhoud van de auto. De rechtbank overweegt dat op grond van de Wmo de meerkosten vanwege een handicap of chronische ziekte moeten worden gecompenseerd en dat de compensatie niet ziet op een algehele kostenvergoeding. Voorts overweegt de rechtbank dat eiseres bij haar Wmo-aanvraag de keuze had uit een vergoeding voor taxivervoer, een vergoeding voor vervoer door derden of haar eigen auto of een combinatie van deze voorzieningen. Uit de gedingstukken blijkt niet dat het gebruik van haar eigen auto medisch gezien noodzakelijk is. De verstrekte gehandicaptenparkeerkaart of de verleende parkeervergunning geven hierover, naar het oordeel van de rechtbank, in ieder geval geen uitsluitsel. Bezien vanuit een oogpunt van toepassing van de WWB behoren de eventuele extra kosten die voortkomen uit de eigen keuze van eiseres voor een voorziening in de kosten voor het gebruik van haar eigen auto voor haar rekening te blijven. 3.7 Gelet op het onder 3.4 tot en met 3.6 overwogene is de rechtbank van oordeel dat de Wmo voor de kosten van vervoer in het onderhavige geval als een aan de WWB voorliggende, toereikende en passende voorziening kan worden aangemerkt en dat artikel 15, eerste lid, van de WWB in de weg staat aan toekenning van bijzondere bijstand in de door eiseres opgegeven kosten. 3.8 De rechtbank overweegt dat het college van burgemeester en wethouders ingevolge artikel 16, eerste lid, van de WWB, aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van deze paragraaf (te weten paragraaf 2.2), bijstand kan verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval niet is gebleken van zeer dringende redenen in de zin van artikel 16, eerste lid, van de WWB. De rechtbank overweegt in dit kader dat bij zeer dringende redenen volgens de wetsgeschiedenis gedacht moet worden aan een acute noodsituatie en dat daarvan in dit geval niet van is gebleken. In hetgeen door eiseres is aangevoerd met betrekking tot de kosten van de auto in relatie tot haar inkomen ziet de rechtbank geen dringende reden als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB. 3.9 Gelet op voorgaande overwegingen komt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep van eiseres ongegrond moet worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Aldus gegeven door mr. A.T. de Kwaasteniet, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Dijkstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 april
  2. w.g. J. Dijkstra w.g. A.T. de Kwaasteniet Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb. Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan: de Centrale Raad van Beroep Postbus 16002 3500 DA Utrecht In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.