RECHTBANK LEEUWARDEN Sector bestuursrecht Procedurenummers: AWB 08/819, 08/2620, 08/2651 en 08/2652 uitspraak van 18 maart 2010 van de meervoudige kamer als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) inzake de gedingen tussen 1. [eisers sub 1], wonende te [woonplaats], eisers sub 1, gemachtigde: mr. S.A.B. Boer, advocaat te Amsterdam, 2. [eisers sub 2], allen wonende te [woonplaats], eisers sub 2, gemachtigde: mr. E. Wiarda, werkzaam bij Langhout & Wiarda Juristen Rentmeesters te Oranjewoud, en 3. [eiseres sub 3], wonende te [woonplaats], eiseres sub 3, gezamenlijk te noemen: eisers, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Skarsterlân, verweerder, gemachtigden: P.J.H. Karseboom en P. van der Meulen, beiden werkzaam bij verweerders gemeente. Procesverloop Bij besluit van 23 november 2007 heeft verweerder aan [de vergunninghouder] vrijstelling van het bestemmingsplan op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en een bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van een jachthaven op [het perceel] (hierna: het perceel). Tegen dit besluit hebben eisers bezwaar gemaakt. Op 21 april 2008 hebben eisers sub 1 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op hun bezwaarschrift. Bij uitspraak van 17 juli 2008 (registratienummer 08/819) heeft de rechtbank dit beroep gegrond verklaard en bepaald dat verweerder binnen zes weken na dagtekening van de uitspraak alsnog een beslissing op het bezwaarschrift neemt. Op 28 augustus 2008 hebben eisers sub 1 opnieuw beroep ingesteld tegen de weigering van verweerder om tijdig op hun bezwaarschrift te beslissen (hierna: de fictieve weigering). Dit beroep is (per abuis) wederom geregistreerd onder nummer 08/819. Bij besluit van 22 september 2008 heeft verweerder de tegen het besluit van 23 november 2007 door eisers gemaakte bezwaren gegrond verklaard en dit besluit herroepen. Bij besluit van 15 oktober 2008 heeft verweerder vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO en een bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van de jachthaven op het perceel. Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld. Deze zaken zijn geregistreerd onder de registratienummers 08/2620, 08/2651 en 08/2652. De zaken zijn gevoegd behandeld ter zitting van de rechtbank, meervoudige kamer, gehouden op 19 november 2009. Verschenen zijn [eiser sub 1], bijgestaan door zijn gemachtigde, [eiser sub 2], mr. E. Wiarda en [eiseres sub 3]. Voor verweerder zijn bovengenoemde gemachtigden verschenen. Voorts is verschenen [de vergunninghouder], die op de voet van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb aan de gedingen deelneemt. Motivering Feiten 1.1 Op 13 juni 2007 heeft [de vergunninghouder] (hierna: de vergunninghouder) een reguliere bouwvergunning aangevraagd voor het uitbreiden van de jachthaven op het perceel naar circa 1288 m². Het plan behelst de uitbreiding van het aantal ligplaatsen van 25 naar 55 en daarnaast wordt de buitenopslag van boten uitgebreid en (deels) gelegaliseerd. 1.2 Bij besluit van 23 november 2007 heeft verweerder onder verlening van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO en ontheffing als bedoeld in artikel 2.1.5, tweede lid, van de Bouwverordening van de gemeente Skarsterlân (hierna: de bouwverordening) de gevraagde bouwvergunning verleend. 1.3 Bij besluit van 22 september 2008 heeft verweerder de tegen dit besluit ingediende bezwaren gegrond verklaard en het besluit van 23 november 2007 herroepen. Voorts heeft verweerder aangegeven hiervoor in de plaats op korte termijn een vervangend inhoudelijk besluit te nemen in een beslissing op bezwaar deel 2. 1.4 Bij besluit van 15 oktober 2008 heeft verweerder voor het bouwplan vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO verleend, alsmede een reguliere bouwvergunning. Aan de verleende vrijstelling zijn de voorwaarden verbonden dat de opmerkingen in het kader van de watertoets moeten worden opgevolgd en dat het beplantingsplan conform de bouwtekening moet worden uitgevoerd, met dien verstande dat de boombeplanting aan de zuidrand moet worden versterkt, en dat de conclusies en aanbevelingen van het ecologische rapport moeten worden opgevolgd. Geschil 2.1 Eisers hebben in beroep aangevoerd dat de besluitvormingsprocedure betreffende de vrijstelling onzorgvuldig heeft plaatsgevonden, nu niet alle relevante stukken ter inzage zijn gelegd. Daarnaast menen zij dat het bouwplan niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Daartoe voeren zij aan dat het bouwplan strijdig is met het streekplan Fryslân 2007. Verder stellen eisers dat ten onrechte is afgeweken van de afstandsnorm van 50 meter die op grond van de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) geldt voor de jachthaven. Voorts stellen eisers dat de luchtkwaliteit zal verslechteren en dat de financiële uitvoerbaarheid van het bouwplan onvoldoende is aangetoond. Verder zijn eisers van opvatting dat door het bouwplan afbreuk wordt gedaan aan het cultuurhistorische karakter van [het dorp] en dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het bouwplan in de weg staat. Ook voeren eisers aan dat het archeologisch onderzoek en de watertoets ontoereikend zijn geweest en dat ten onrechte geen akoestisch onderzoek is verricht naar de geluidsoverlast van de jachthaven. Ten slotte stellen eisers dat onvoldoende rekening is gehouden met hun belangen. Met name voorzien eisers een toename van de verkeersdruk en parkeerproblemen. 2.2 Verweerder heeft bestreden dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage zijn gelegd. Verder heeft verweerder naar voren gebracht dat het bouwplan is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Volgens verweerder strijdt het bouwplan niet met het streekplan, aangezien na uitvoering van het beplantingsplan sprake is van een goede landschappelijke inpassing van de jachthaven. Verder staan de natuurwaarden niet aan het bouwplan in de weg en worden de wettelijke luchtkwaliteitseisen en geluidsnormen niet overschreden, aldus verweerder. Verder meent verweerder dat voldoende gemotiveerd is afgeweken van de in de VNG-brochure opgenomen richtafstand van 50 meter. Verweerder heeft daarnaast aangevoerd dat de financiële haalbaarheid van het bouwplan voldoende is aangetoond en dat onderzoek is gedaan naar de in geding zijnde archeologische waarden. Ook is een watertoets verricht. Ten slotte heeft verweerder aangevoerd dat met het bouwplan niet op onevenredige wijze afbreuk wordt gedaan aan de belangen van eisers. Volgens verweerder valt een forse toename van de verkeersintensiteit vanwege het bouwplan niet te verwachten en zijn ter plaatse voldoende parkeerplaatsen aanwezig. Ook overigens blijft een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gehandhaafd, aldus verweerder. 2.3 De vergunninghouder heeft zich aangesloten bij het standpunt van verweerder. Overwegingen ten aanzien van beroep 08/819 3.1 De rechtbank is van oordeel dat, nu verweerder bij besluiten van 22 september 2008 en 15 oktober 2008 alsnog heeft beslist op het bezwaarschrift van eisers sub 1, zij geen procesbelang meer hebben bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de fictieve weigering. Ook overigens is geen belang gesteld of gebleken op grond waarvan zou kunnen worden gezegd dat eisers sub 1 nog een rechtens te honoreren belang hebben bij de beoordeling van dit beroep. Het beroep tegen de fictieve weigering zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard. 3.2 De rechtbank ziet in het voorgaande wel aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de proceskosten van eisers sub 1 in deze procedure vastgesteld op € 80,50 ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (beroepschrift 1 punt; gewicht van de zaak: zeer licht; waarde per punt € 322,00). De rechtbank zal niet gelasten dat aan eisers sub 1 het griffierecht moet worden vergoed, aangezien door de rechtbank voor het (tweede) beroep tegen de fictieve weigering van 28 augustus 2008 niet opnieuw griffierecht is geheven. Formeelrechtelijke overwegingen ten aanzien van de overige beroepen 4.1 Eisers sub 1 en 2 betogen dat het besluit tot verlening van vrijstelling en bouwvergunning van 15 oktober 2008 een primair besluit is waartegen eerst bezwaar moet worden gemaakt. Dit betoog faalt. Omdat verweerder na de herroeping van de vrijstelling en bouwvergunning van 23 november 2007 nog diende te beslissen of hij de door de vergunninghouder aangevraagde bouwvergunning zou verlenen dan wel weigeren, bestaat tussen de gegrondverklaring van het bezwaar en de herroeping van de vrijstelling en bouwvergunning van 23 november 2007 en de daarop volgende verlening van vrijstelling en bouwvergunning een onverbrekelijke samenhang. Dat de verleende bouwvergunning en het vrijstellingsbesluit van 15 oktober 2008 enige tijd na het besluit van 22 september 2008 zijn genomen, doet aan die samenhang niet af en leidt niet tot een ander oordeel. Gelet hierop dienen de besluiten van 22 september 2008 en 15 oktober 2008, naar ook blijkt uit de bewoordingen daarvan, te worden opgevat als samenstellende bestanddelen van de in heroverweging gegeven beslissing op de door eisers gemaakte bezwaren. Gelet op het voorgaande worden de besluiten van 22 september 2008 en 15 oktober 2008 in het hiernavolgende tezamen aangeduid als het bestreden besluit. 4.2 Eisers sub 1 en 2 hebben aangevoerd dat verweerder bij de voorbereiding van het bestreden besluit artikel 3:11, eerste lid, van de Awb heeft geschonden door met het ontwerpbesluit niet alle relevante stukken ter inzage te leggen. Eisers sub 1 wijzen daarbij (met name) op het ecologische rapport van Altenburg & Wymenga van 24 april 2008 en eisers sub 2 op het advies van de brandweer van 30 juli 2008. 4.2.1 Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage. 4.2.2 Naar het oordeel van de rechtbank ziet de in artikel 3:11 van de Awb opgenomen verplichting tot terinzagelegging op de op dat moment beschikbare stukken. De termijn van terinzagelegging liep van 16 mei 2008 tot 27 juni 2008. Aangezien het brandweeradvies ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbesluit nog niet voorhanden was, is artikel 3:11 van de Awb hierop niet van toepassing. 4.2.3 Verder overweegt de rechtbank dat verweerder zich op het standpunt stelt dat alle relevante stukken, zoals het integrale ontwerp van het besluit en alle bijbehorende stukken, waaronder het rapport van Altenburg & Wymenga, volledig ter inzage hebben gelegen. In hetgeen eisers sub 1 hierover hebben aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanknopingspunt om aan de juistheid van het standpunt van verweerder te twijfelen. 4.2.4 Gelet op het voorgaande bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in strijd met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb heeft gehandeld. Deze beroepsgrond faalt. 4.3 Ten aanzien van de stelling van eisers sub 1 dat het bestreden besluit niet conform het bepaalde in artikel 3:44 van de Awb is bekendgemaakt, overweegt de rechtbank dat, wat hiervan verder ook zij, het hierbij gaat om een gebrek dat dateert van na het nemen van het bestreden besluit. Dergelijke gebreken kunnen de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Het beroep van eisers sub 1 faalt in zoverre. Wettelijk kader 5.1 Met ingang van 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden en met ingang van die datum is de WRO ingetrokken. Volgens het overgangsrecht blijven de bepalingen uit de WRO respectievelijk de Woningwet van toepassing op aanvragen om bouwvergunning die zijn ingediend vóór 1 juli 2008. 5.2 Op grond van artikel 44, eerste lid, van de Woningwet mag en moet een reguliere bouwvergunning alleen worden geweigerd wegens strijd met het bestemmingsplan, de bouwverordening of het Bouwbesluit 2003, of indien het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, dan wel indien voor het bouwen een vergunning op grond van de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze is geweigerd. 5.3 Tussen partijen is niet in geschil dat het in geding zijnde bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende [bestemmingsplan]. 5.4 Op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders. Ingevolge artikel 19a, achtste lid, van de WRO, voor zover van belang, kunnen gedeputeerde staten de verklaring weigeren wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening. 5.5 Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval voldaan aan de formele vereisten voor het kunnen verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO. Gedeputeerde Staten van Fryslân (GS) hebben bij brief van 30 september 2008 een verklaring van geen bezwaar afgegeven. Uit de gedingstukken blijkt dat de gemeenteraad bij besluit van 25 juni 2003 zijn bevoegdheid met betrekking tot de onderhavige projectprocedure heeft gedelegeerd aan verweerder. Verklaring van geen bezwaar 6.1 Eisers betogen dat GS niet in redelijkheid hebben kunnen afwijken van het streekplan Fryslân 2007 (hierna: het streekplan). Zij voeren daartoe aan dat is miskend dat niet wordt voldaan aan de afstanden die zijn opgenomen in de brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van de VNG (2007; hierna: de brochure). De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende. 6.2 De rechtbank stelt vast dat [het dorp] in het streekplan niet valt onder de zogeheten stedelijke en regionale centra of recreatiekernen, maar onder "overige kernen". In paragraaf 2.5.2 van het streekplan is ten aanzien van vaarrecreatie het volgende opgenomen: “Wij leggen vooral via het Friese Merenproject een accent op kwaliteitsverbetering van de watersportvoorzieningen en van het vaarwegennet. Daarnaast zien wij mogelijkheden voor uitbreiding van bestaande en voor vestiging van nieuwe kleinere tot middelgrote jachthavencomplexen. Deze mogelijkheden liggen primair bij de op de vaargebieden gerichte stedelijke en regionale centra en recreatiekernen. Onder de voorwaarde van grotere provinciale betrokkenheid, kan hiervan gemotiveerd worden afgeweken. Buiten de stedelijke en regionale centra en de recreatiekernen zijn nieuwe, kleinschaliger voorzieningen mogelijk. Het betreft hier voorzieningen van 25 (buiten de kernen) tot 50 ligplaatsen (bij de kernen). In alle gevallen vragen wij een goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing.” 6.3 Gelet hierop hebben GS naar het oordeel van de rechtbank met juistheid onderkend dat, gelet op het aantal ligplaatsen waarin het project voorziet, het project niet strookt met de in paragraaf 2.5.2 van het streekplan opgenomen richtinggevende beleidsuitspraak, dat buiten de stedelijke en regionale centra en recreatiekernen slechts kleinschalige jachthavens tot 50 ligplaatsen mogelijk zijn. In de verklaring van geen bezwaar hebben GS gemotiveerd waarom in dit geval van het streekplan kan worden afgeweken. Volgens GS is een overschrijding van 5 ligplaatsen aanvaardbaar, nu de ruimtelijke gevolgen en de landschappelijke invloed daarvan zeer beperkt zijn. Daarbij nemen GS in aanmerking dat afschermende boombeplanting langs de [vaart] aanwezig is en dat deze aan de zuidrand van het terrein wordt versterkt. Voorts hebben GS meegewogen dat het project voldoet aan de voorwaarden die in het streekplan worden gesteld aan bedrijven in de zogeheten "overige kernen". Het gaat om een bedrijfsuitbreiding die ruimtelijk past binnen de maat en de schaal van [het dorp] en die bijdraagt aan de levendigheid en economische vitaliteit. Daarnaast gaat het om een relatief kleinschalig bedrijfstype in milieucategorie 3.1 van de brochure, in een omgevingstype "gemengd gebied", zijnde een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Aan de voor een dergelijk bedrijf in deze omgeving geldende richtafstand van 30 meter kan worden voldaan, aldus GS. 6.4 De rechtbank stelt vast dat een jachthaven valt onder SBI-code 9262, als bedoeld in de brochure (jachthavens met diverse voorzieningen) en dat een dergelijk bedrijf volgens de brochure behoort tot milieucategorie 3.1. 6.5 In de brochure zijn de bedrijfstypen ingedeeld in milieucategorieën, waarvoor afstanden worden aanbevolen tot een milieugevoelige bestemming om hinder van de milieufactoren geur, stof, gevaar en geluid uit te sluiten of althans tot een aanvaardbaar niveau te beperken. De afstanden die de brochure aanbeveelt, gelden in beginsel tussen de perceelsgrens van een bedrijf enerzijds en de gevel van een - in een rustige woonwijk gelegen - woning anderzijds. Voor categorie 3.1 bedrijven wordt in de brochure een afstand van 50 meter aanbevolen. Bij het omgevingstype "gemengd gebied" is een correctie van één afstandsstap mogelijk voor het aspect geluid. Dit betekent dat in gemengd gebied een afstand van 30 meter kan worden aangehouden tussen een categorie 3.1 bedrijf en in het gemengde gebied gelegen woningen. 6.6 De in geding zijnde vrijstelling voorziet naast de uitbreiding van het aantal ligplaatsen tevens in de uitbreiding en legalisatie van (een deel van) de buitenopslag. Ter plaatse van deze buitenopslag kunnen bedrijfsactiviteiten worden ontplooid die mogelijk leiden tot hinder als gevolg van geur, stof, gevaar of geluid voor de nabijgelegen woningen. Uit de gedingstukken en het ter zitting verhandelde, met name het getoonde kaartmateriaal, kan door de rechtbank geen andere conclusie worden getrokken dan dat GS met deze uitbreiding en legalisatie van de buitenopslag geen rekening hebben gehouden. Ter zitting is duidelijk geworden dat de afstand van de opslag tot de (gevel van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.