← Nederland

ECLI:NL:RBLEE:2010:BM3984

RECHTBANK LEEUWARDEN Sector bestuursrecht procedurenummer: AWB 09/1576 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 maart 2010 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen Recul B.V., gevestigd te Lelystad, eiseres, gemachtigde: mr. F.P. van Galen, advocaat te Leiden, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sneek, verweerder, hierna: het college, gemachtigden: M. Grondsma en M. Huisman, beiden werkzaam bij verweerders gemeente. Procesverloop Bij brief van 9 juni 2009, verzonden op 2 juli 2009, heeft het college Recul B.V. (hierna: Recul) mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en de Woningwet. Tegen dit besluit heeft Recul beroep ingesteld. De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 9 februari

  1. Recul heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en E. Strijker. Voor het college zijn bovengenoemde gemachtigden verschenen. Verder zijn namens Bouwmarkt 82 B.V. (hierna: Bouwmarkt 82) en Syjoni Vastgoed B.V. (hierna: Syjoni Vastgoed), die op de voet van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb als derde-belanghebbenden aan dit geding deelnemen, verschenen mr. A. Kaspers, advocaat te Amsterdam en T. Vellinga. Motivering Feiten 1.1 Op 3 juni 2008 heeft Recul een bouwvergunning aangevraagd voor het oprichten van twee bedrijfspanden ten behoeve van de vestiging van twee bouwmarkten aan de Kolenbranderstraat op het bedrijventerrein De Hemmen te Sneek (hierna: het perceel). De twee bouwmarkten hebben tezamen een verkoopvloeroppervlak van 8.700 m². 1.2 Bij besluit van 19 december 2008 heeft het college onder gelijktijdige verlening van een zogenaamde binnenplanse vrijstelling de gevraagde bouwvergunning verleend. 1.3 Bij besluit van 9 juni 2009 heeft het college het tegen dit besluit door Bouwmarkt 82 en Syjoni Vastgoed ingediende bezwaarschrift deels gegrond verklaard, het besluit van 19 december 2008 herroepen en alsnog vrijstelling en bouwvergunning geweigerd aan Recul. Daartoe heeft het college overwogen dat het bouwplan zal leiden tot een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau in de sector bouwmarkten in Sneek. Beoordeling 2.1 Met ingang van 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden en met ingang van die datum is de WRO ingetrokken. Volgens het overgangsrecht blijven de bepalingen uit de WRO van toepassing op aanvragen om bouwvergunning die zijn ingediend vóór 1 juli
  2. 2.2 In artikel 44, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat gold tot 1 juli 2008, is bepaald dat de reguliere bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd wegens strijd met het bestemmingsplan, de bouwverordening of het Bouwbesluit 2003, of indien het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, dan wel indien voor het bouwen een vergunning op grond van de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze is geweigerd. 2.3 Op het perceel rust ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Bedrijvenpark De Hemmen A7" de bestemming "Bedrijfsdoeleinden -B-". Ingevolge artikel 4, lid A, sub 1 van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor bedrijfsdoeleinden met de daarbij behorende gebouwen, andere bouwwerken, andere werken en bijbehorende voorzieningen. Het college is ingevolge artikel 4, lid B, sub 2, onder a, van de planvoorschriften bevoegd om bij wege van vrijstelling de vestiging van bouwmarkten toe te staan. Alvorens een vrijstelling te verlenen doen burgemeester en wethouders een afweging naar de distributieplanologische aspecten/effecten samenhangend met de aard van de vestiging. 2.4 Artikel 4, tweede lid, van de planvoorschriften bevat de Hoofdlijnen van beleid. Onder d van dit artikellid - voor zover hier van belang - is aangegeven dat ten aanzien van de uitoefening van detailhandelsactiviteiten, na een door burgemeester en wethouders verleende vrijstelling, medewerking kan worden verleend aan de vestiging van onder meer bouwmarkten indien de vestiging geen onevenredige afbreuk doet aan de bestaande distributiestructuur binnen de gemeente. 2.5 Tussen partijen is niet in geschil dat het gebruik van het perceel ten behoeve van bouwmarkten in strijd is met de op het perceel rustende bestemming "Bedrijfsdoeleinden". Het college is niet bereid deze strijdigheid op te heffen door vrijstelling te verlenen krachtens artikel 4, lid B, sub 2, onder a van de planvoorschriften. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten de vrijstelling te weigeren. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. 2.6 Het college heeft aan het bestreden besluit een distributieplanologisch onderzoek van LogiMark uit 2008 ten grondslag gelegd. Hierin is geconcludeerd dat de marktruimte in de sector bouwmarkten 3.370 m² verkoopvloeroppervlakte bedraagt. Aangezien het bouwplan voorziet in het oprichten van twee bouwmarkten met een totale verkoopvloeroppervlakte van 8.700 m², kan hieruit worden afgeleid dat de realisering van het bouwplan zal leiden tot een overaanbod in de bouwmarktenbranche van circa 43%, aldus het college. Volgens college is dit overaanbod te groot en zal dit leiden tot een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau. 2.7 Naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS), zie bijvoorbeeld haar uitspraak van 7 oktober 2009 (LJN BJ9464), komt voor het antwoord op de vraag of sprake is van een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau in een bepaalde sector geen doorslaggevende betekenis toe aan het antwoord op de vraag of sprake is van overaanbod en mogelijke sluiting van bestaande detailhandelsvestigingen, maar aan het antwoord op de vraag of voor de inwoners van de gemeente een voldoende voorzieningenniveau behouden blijft in die zin dat zij op een aanvaardbare afstand van hun woonplaats hun geregelde inkopen kunnen doen. 2.8 Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het enkele feit dat de beoogde uitbreiding van het verkoopvloeroppervlak zal leiden tot een aanzienlijke overschrijding van hetgeen uit distributieplanologisch oogpunt voor bouwmarkten optimaal wordt geacht, op zichzelf niet voldoende is om de conclusie te rechtvaardigen dat sprake zal zijn van een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau in de hierboven beschreven zin. Met de constatering dat de realisering van het bouwplan zal leiden tot een fors overaanbod in de betrokken sector is niet aannemelijk gemaakt dat voor de inwoners van Sneek en het daarbij behorende verzorgingsgebied geen voldoende voorzieningenniveau behouden blijft in die zin dat zij niet op een aanvaardbare afstand van hun woonplaats hun geregelde inkopen kunnen doen. Het bestreden besluit is derhalve in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb onvoldoende gemotiveerd. 2.9 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep van Recul gegrond is en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Het college dient met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op de bezwaren van Bouwmarkt 82 en Syjoni Vastgoed te beslissen. Gelet hierop behoeven de overige door Recul aangevoerde gronden geen bespreking. Proceskosten
  3. Op grond van art. 8:75, eerste lid, van de Awb veroordeelt de rechtbank het college in de proceskosten. Overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van Recul € 644,00 ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (beroepschrift 1 punt; verschijnen ter zitting 1 punt, waarde per punt € 322,00; gewicht van de zaak: gemiddeld). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - bepaalt dat het college opnieuw op het bezwaarschrift van Bouwmarkt 82 en Syjoni Vastgoed beslist; - bepaalt dat het college het door Recul betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 vergoedt; - veroordeelt het college in de proceskosten van Recul tot een bedrag van € 644,
  4. Aldus gegeven door mr. A.T. de Kwaasteniet, rechter, in tegenwoordigheid van mr. T. Hoekstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 maart
  5. w.g. T. Hoekstra w.g. A.T. de Kwaasteniet Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb. Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan: de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Postbus 20019 2500 EA Den Haag In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.