vonnis RECHTBANK LEEUWARDEN Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 105074 / KG ZA 10-162 Vonnis in kort geding van 14 juli 2010 in de zaak van
(2005)betrokken bij de uitwerking van de voorgenomen bezuinigingen op de veerpont. De in dat verband gemaakte afspraken zijn uiteindelijk vastgelegd in een door gemeente en de Burd organisaties opgestelde startnotitie, die is uitgewerkt in een raadsvoorstel, waarna de gemeenteraad conform dit raadsvoorstel heeft besloten en gemeentelijke verordeningen terzake heeft vastgesteld. Waar de gemeente aanvankelijk een convenant heeft gesloten met De Burd organisaties en de resultaten van het overleg met De Burd organisaties telkens (vrijwel geheel) zijn doorvertaald in gemeentelijke verordeningen, kan niet geoordeeld worden dat er slechts sprake is van beleidsafspraken tussen de gemeente en De Burd organisaties. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moeten het convenant en de nadien gemaakte afspraken als een (en dezelfde) overeenkomst in civielrechtelijke zin worden beschouwd, waaruit voor beide partijen rechten en verplichtingen voortvloeien. 5.
- Anders dan De Burd organisaties, is de voorzieningenrechter van oordeel dat er eind 2005/begin 2006 geen nadere overeenkomst tussen de gemeente en De Burd organisaties is totstandgekomen, maar dat de toen gemaakte afspraken als een wijziging/aanpassing van het in 1998 gesloten convenant moeten worden beschouwd, waarbij nieuwe vaartijden en tarieven zijn overeengekomen. In dat licht bezien behoefde de gemeente dus niet, zoals De Burd organisaties hebben aangevoerd, tot opzegging van de vermeende nadere overeenkomst over te gaan. 5.
- In het in 2005 gevoerde overleg van De Burd organisaties met de gemeente is uitdrukkelijk aan de orde geweest dat De Burd organisaties een duurzame overeenkomst zonder opzegtermijn wilden sluiten. Van gemeentewege is hierop instemmend gereageerd, de toenmalige wethouder heeft verklaard dat "de gemeente er ook voor een langere tijd vanaf wil zijn" en uiteindelijk is ook in het door de gemeenteraad overgenomen raadsvoorstel het duurzame contract zonder opzegtermijn terug te vinden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarmee de opzegtermijn van één jaar uit het convenant komen te vervallen en geldt sindsdien een duurzaam contract (lees: convenant) zonder opzegtermijn tussen partijen. Hieraan doet niet af dat de in dat verband nog op te stellen appendix op het convenant, waarin de bedoelingen van partijen met de gewijzigde afspraken zouden worden vastgelegd, niet tot stand is gekomen. Voldoende aannemelijk is geworden dat de totstandkoming van deze appendix is doorkruist door het onderzoek van de Rekenkamercommissie, dat er uiteindelijk toe heeft geleid dat de gemeente heeft besloten om de vaartijden en tarieven uitsluitend nog publiekrechtelijk te regelen. Een en ander laat echter onverlet de bedoeling van beide partijen om een duurzaam contract zonder opzegtermijn te sluiten, hetgeen tot stand was gekomen ook zonder de (verdere) schriftelijke vastlegging daarvan. 5.
- Volgens vaste jurisprudentie zal, bij gebreke van een wettelijke of contractuele regeling daaromtrent, de vraag of de opzegging in een concreet geval het beoogde resultaat heeft gehad, beantwoord moeten worden aan de hand van de redelijkheid en billijkheid in verband met de omstandigheden van dat geval. Ook indien uit de aard van een specifieke overeenkomst zou volgen dat zij in beginsel zonder meer opzegbaar is, kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de concrete omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts tot beëindiging van de overeenkomst leidt indien een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging bestaat (zie HR 3 december 1999, NJ 2000, 120). 5.
- Het duurzame karakter van het convenant brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter met zich dat partijen hebben bedoeld om de vaartijden en tarieven voor langere tijd vast te leggen. Hierbij kan worden gedacht aan de genoemde periode van tien jaar. Ook een dergelijke overeenkomst is naar het oordeel van de voorzieningenrechter tussentijds opzegbaar, waartoe de gemeente wél een zwaarwegende reden dient te hebben. Zodanige zwaarwegende redenen zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter hier niet aanwezig. Het feit dat de Rekenkamercommissie de gemeente heeft aanbevolen om de vaartijden en tarieven voortaan publiekrechtelijk te regelen, is daartoe onvoldoende. Daarnaast vormt ook de slechte financiële positie van de gemeente geen toereikende grond voor opzegging van het convenant, nu daarvan ook al sprake was bij het maken van de afspraken tussen de gemeente en De Burd organisaties eind 2005/begin
- De toen overeengekomen wijzigingen van het convenant waren juist ingegeven door de slechte financiële positie van de gemeente. Gesteld noch gebleken is dat de financiële positie van de gemeente tussentijds zodanig is verslechterd, dat zij in redelijkheid niet meer tot nakoming van het gewijzigde convenant kan worden gehouden. Zo is bijvoorbeeld niet gebleken dat de provinciale bijdrage voor de veerpont in de tussentijd is gewijzigd. Integendeel, deze wordt ook thans onverkort gecontinueerd. 5.
- Tegen deze achtergrond heeft de gemeente naar het oordeel van de voorzieningenrechter jegens De Burd organisaties gehandeld in strijd met de door haar in acht te nemen beginselen van zorgvuldigheid, vertrouwen en fair play door het convenant reeds anderhalf jaar na de totstandkoming daarvan op te zeggen. De opzegging van het convenant moet dan ook als onrechtmatig worden gekwalificeerd. Overigens is terecht aangevoerd dat niet het juiste orgaan van de gemeente (namelijk: de burgemeester) de opzegging heeft gedaan, zodat die ook geen rechtsgevolg zou hebben. 5.
- De niet op de juiste wijze gedane opzegging, dan wel de onrechtmatigheid van de opzegging zou tot toewijzing van de vordering tot nakoming van het convenant kunnen leiden, ware het niet dat er thans sprake is van gemeentelijke verordeningen, die afwijken van het convenant. De gemeente kan niet worden veroordeeld om te handelen in strijd met de door haar vastgelegde publiekrechtelijke regelgeving. 5.
- Anders dan de gemeente, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vorderingen van De Burd organisaties er níet toe strekken dat de betreffende verordeningen door de gemeente(raad) dienen te worden ingetrokken of gewijzigd. In dat geval zou overigens sprake zijn van een ongeoorloofd ingrijpen door de rechter in de procedure van politieke besluitvorming en belangenafweging die is voorbehouden aan de gekozen vertegenwoordigers in de gemeenteraad (HR 1 oktober 2004, NJ 2004, 679). De vorderingen van De Burd organisaties hebben in wezen de strekking dat de gemeente, onder nakoming van het convenant, de door de gemeenteraad vastgestelde Veergeldverordening en Beheerverordening buiten toepassing moet laten. Een dergelijke civielrechtelijke actie is krachtens vaste jurisprudentie wél mogelijk (zie HR 17 september 1999, AB 1999, 480 en HR 12 mei 2000, NJ 2000, 714). In het Landbouwvliegersarrest (HR 16 mei 1986, NJ 1987, 251) heeft de Hoge Raad aanvaard dat een door een bestuursorgaan vastgesteld en uitgevaardigd algemeen voorschrift vatbaar is voor rechterlijke toetsing aan ongeschreven bestuursrecht. In dit arrest overwoog de Hoge Raad onder meer: "dat geen rechtsregel eraan in de weg staat dat de rechter een zodanig, niet door de formele wetgever gegeven voorschrift onverbindend en in verband daarmee de vaststelling en uitvoering daarvan onrechtmatig kan oordelen op de grond dat sprake is van willekeur in dier voege dat het betreffende overheidsorgaan, in aanmerking genomen de belangen die aan dit orgaan ten tijde van de totstandbrenging van het voormelde uitvoeringsbesluit bekend waren of behoorden te zijn, in redelijkheid niet tot het betreffende voorschrift is kunnen komen." De Burd organisaties hebben evenwel niet gesteld dat de door de gemeenteraad vastgestelde verordeningen in strijd zijn met het hiervoor genoemde evenredigheidsbeginsel, zodat daarin geen grond kan worden gevonden voor het buiten toepassing laten van deze verordeningen. 5.
- Uit het vorenstaande volgt dat de vorderingen van De Burd organisaties dienen te worden afgewezen. 5.
- Gelet op het vorenoverwogene en de uitkomst van dit geding bestaat er naar het oordeel van de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten op na te melden wijze te compenseren.
- De beslissing De voorzieningenrechter: wijst af het gevorderde; compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dit vonnis is gewezen door mr. G. Tangenberg en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Postma op 14 juli
- fn 343