RECHTBANK LEEUWARDEN Sector bestuursrecht procedurenummer: AWB 10/1684 uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 september 2010 als bedoeld in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker (hierna: [verzoeker]), gemachtigde: mr. E.A. van Wieren, advocaat te Leeuwarden, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden, verweerder (hierna: het college), gemachtigden: A.J. Grondsma, Mulder en Van der Velde, allen werkzaam bij de gemeente Leeuwarden. Procesverloop Bij besluit van 27 juli 2010 heeft het college Elkien, voor zover in deze zaak van belang, vergunning verleend voor het vellen van een els aan de 3e Saskiadwarsstraat ter hoogte van huisnummer 5, een spar aan de 3e Saskiadwarsstraat ter hoogte van huisnummer 10 en een berk op perceel Saskiastraat 11. [verzoeker] en een aantal andere buurtbewoners hebben daartegen bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft [verzoeker] zich bij brief van 31 augustus 2010 tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om met toepassing van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank heeft Elkien aangemerkt als belanghebbende partij. Het verzoek is ter zitting behandeld op 8 september 2010. [verzoeker] is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens het college zijn voornoemde gemachtigden verschenen. Namens Elkien zijn mr. I. van der Meer, advocaat te Leeuwarden, en [X] en [Y] verschenen. Motivering Inleidende overwegingen 1.1 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 1.2 Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om [verzoeker] te kunnen ontvangen. 1.3 Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter. 1.4 Aan een verzoek als het onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in de hoofdzaak luidt dat het bezwaar tegen het aangevallen besluit gegrond verklaard zal moeten worden. Beoordeling van het verzoek 2.1 De voorzieningenrechter constateert dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening enkel is ingediend door [verzoeker]. Ter zitting heeft [verzoeker] weliswaar verklaard dat hij het verzoek mede heeft ingediend namens een aantal andere buurtbewoners, maar het verzoek is niet door hen ondertekend en de afgegeven machtiging ziet enkel op het maken van bezwaar tegen de kapvergunning en niet op het indienen van een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. 2.2 De voorzieningenrechter constateert voorts dat [verzoeker] woont in de [A-straat], terwijl de kapvergunning is verleend voor het vellen van twee bomen in de 3e Saskiadwarsstraat en één boom in de Saskiastraat. De voorzieningenrechter is niet gebleken dat [verzoeker] vanuit zijn woning zicht heeft op de te kappen bomen of op geringe afstand van de bomen woont. Nu door [verzoeker] geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan hij desondanks als belanghebbende aangemerkt zou moeten worden, is hij naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen belanghebbende bij de verleende kapvergunning. Het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in de hoofdzaak luidt daarom dat het bezwaar van [verzoeker] tegen de kapvergunning niet-ontvankelijk verklaard zal moeten worden. 2.3 Voorts overweegt de voorzieningen rechter dat het college aan de kapvergunning onder meer - voor zover in deze zaak van belang - het voorschrift heeft verbonden dat kappen pas is toegestaan "nadat de vergunning definitief onherroepelijk is geworden, oftewel pas nadat:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.