RECHTBANK LEEUWARDEN Nevenzittingsplaats 's-Gravenhage Sector familie- en jeugdrecht Meervoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 11-1389 Zaaknummer: 387886 Datum beschikking: 8 april 2011 Internationale kinderontvoering Beschikking op het op 15 februari 2011 ingekomen verzoek van: de directie Control, Bedrijfsvoering en Juridische Zaken van het directoraat-generaal Preventie, Jeugd en Sancties, afdeling Juridische en Internationale Zaken, van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, belast met de taak van Centrale Autoriteit als bedoeld in artikel 4 van de Wet van 2 mei 1990 (Stb. 202) tot uitvoering van het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (Trb. 1987, 139), gevestigd te 's-Gravenhage, verder te noemen: de Centrale Autoriteit, optredend voor zichzelf en namens: [de moeder], de moeder, wonende te [woonplaats A], Duitsland. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de vader], de vader, wonende te [woonplaats B], advocaat: mr. W.A. Bruinsma-Woudstra te Leeuwarden. Procedure Van de zijde van de moeder is op 9 augustus 2010 bij de Centrale Autoriteit een verzoek ingediend tot teruggeleiding van de minderjarigen: - [de minderjarige A], geboren op [geboortedatum minderjarige A] 2004 te [geboorteplaats minderjarigen A], - [de minderjarige B], geboren op [geboortedatum minderjarige B] 2005 te [geboorteplaats minderjarige B], - [de minderjarige C], geboren op [geboortedatum minderjarige C] 2008 te [geboorteplaats minderjarige C], Duitsland, naar Duitsland. Op 15 februari 2011 heeft de Centrale Autoriteit onderhavig verzoekschrift bij de rechtbank Leeuwarden ingediend. Bij beschikking d.d. 18 februari 2011 heeft de rechtbank Leeuwarden zich bevoegd geacht van de zaak kennis te nemen en op grond van artikel 8 van het Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen en het Aanwijzingsbesluit 's-Gravenhage als nevenzittingsplaats internationale kinderontvoeringen d.d. 4 februari 2009 van de Raad voor de Rechtspraak bepaald dat de behandeling van de zaak plaatsvindt in de nevenzittingsplaats 's-Gravenhage. De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: - het verzoekschrift; - het verweerschrift. Op 3 maart 2011 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de Centrale Autoriteit in de persoon van mevrouw M.M. Maljaars-Hendrikse, de moeder, vergezeld van mevrouw S. Blakaj, tolk in de Albanese taal, alsmede twee broers van de moeder, [broer moeder A] en [broer moeder B]. Het betrof hier een regiezitting in het kader van crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. J.M.J. Keltjens. Genoemde regiezitting heeft niet geresulteerd in crossborder mediation. Op 24 maart 2011 is de behandeling ter terechtzitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de Centrale Autoriteit in de persoon van mevrouw M.M. Maljaars-Hendrikse, de moeder, vergezeld van mevrouw S. Blakaj, tolk in de Albanese taal, alsmede de vader, bijgestaan door zijn advocaat. Van de zijde van de moeder en van de zijde van de vader zijn ter terechtzitting nadere stukken overgelegd, van welke stukken de griffier ten behoeve van partijen en de rechtbank een kopie heeft gemaakt. Verzoek en verweer De Centrale Autoriteit heeft middels haar verzoekschrift verzocht, met toepassing van artikel 13 van de Wet van 2 mei 1990, Stb. 202, de onmiddellijke terugkeer van de minderjarigen te bevelen, althans de terugkeer van de minderjarigen vóór een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum te bevelen, waarbij de vader de minderjarigen dient terug te brengen naar Duitsland, dan wel - indien de vader nalaat de minderjarigen terug te brengen - te bepalen op welke datum de vader de minderjarigen met de benodigde geldige reisdocumenten aan de moeder zal afgeven, zodat zij de minderjarigen zelf mee terug kan nemen naar Duitsland, alsmede de vader (naar de rechtbank begrijpt) conform artikel 26, lid 4, van het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 te veroordelen in de door de moeder gemaakte kosten in het kader van deze procedure. De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna - voor zover nodig - zal worden besproken, en verzocht de moeder te veroordelen in de door de vader gemaakte kosten in het kader van deze procedure. Feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting wordt van het volgende uitgegaan. De vader en de moeder zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] 2003 in de gemeente [huwelijksplaats]. Tijdens dit huwelijk zijn genoemde thans nog minderjarige kinderen geboren: - [de minderjarige A], geboren op [geboortedatum minderjarige A] 2004 te [geboorteplaats minderjarigen A], - [de minderjarige B], geboren op [geboortedatum minderjarige B] 2005 te [geboorteplaats minderjarige B], - [de minderjarige C], geboren op [geboortedatum minderjarige C] 2008 te [geboorteplaats minderjarige C], Duitsland. De vader en de moeder zijn met het gezamenlijk gezag over de minderjarigen belast. De vader en de minderjarigen hebben in ieder geval de Nederlandse nationaliteit en de moeder heeft de Servische nationaliteit. De vader en de moeder zijn in 2006 met hun gezin vanuit Nederland naar Duitsland verhuisd in verband met problemen rond de verblijfstitel van de moeder. Zij hebben daar sindsdien gewoond. De vader, de moeder en de minderjarigen zijn op 26 april 2010 op een retourticket, waarin als datum terugreis 17 mei 2010 stond vermeld, per trein vanuit Duitsland naar Nederland gereisd. De vader, de moeder en de minderjarigen zijn op 17 mei 2010 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente [woonplaats B]. De moeder is op 19 mei 2010 alleen naar Duitsland teruggereisd. De minderjarigen verblijven thans bij de vader op het adres [adres vader] te [woonplaats B]. De vader heeft in augustus 2010 een echtscheidingsprocedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Leeuwarden. Beoordeling Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan. Het verzoek van de moeder is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Zowel Nederland als Duitsland zijn partij bij het Verdrag. Het Verdrag heeft - voor zover hier van belang - tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken. Ongeoorloofde vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofd niet doen terugkeren in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag). De Centrale Autoriteit heeft niet gesteld met ingang van welke datum sprake is van ongeoorloofde vasthouding. De rechtbank gaat er vanuit dat de Centrale Autoriteit zich op het standpunt stelt dat vanaf 17 mei 2010 sprake is van ongeoorloofde vasthouding, nu partijen, blijkens de door de Centrale Autoriteit overgelegde stukken, in het bezit waren van retourtickets naar Duitsland gesteld op 17 mei
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.