RECHTBANK LEEUWARDEN Sector bestuursrecht procedurenummer: AWB 10/1149 uitspraak van de meervoudige kamer van 25 mei 2011 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [naam], wonende te [woonplaats], eiser, gemachtigde: mr. A.A.M. van der Zandt, werkzaam bij ABVAKABO FNV te Deventer, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden, verweerder, gemachtigde: I. Zittema, werkzaam bij verweerders gemeente. Procesverloop Bij brief van 3 mei 2010 heeft verweerder eiser mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende functiewaardering. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2011. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en ing. A.J.E. Karelse, commandant van de brandweer Leeuwarden. De zaak is gevoegd behandeld met de zaken geregistreerd onder nummers 10/1143 tot en met 10/1148 en 10/1150 tot en met 10/1152. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt afzonderlijk uitspraak gedaan. Motivering Feiten 1.1 Eiser is werkzaam bij de brandweer Leeuwarden als financieel beheersmedewerker. 1.2 In 2008 is een wijziging van de organisatiestructuur van de brandweer in gang gezet. Op 1 januari 2010 is de nieuwe organisatiestructuur ingevoerd. Gekozen is om de organisatie niet langer te structureren rond de repressieve taken van de brandweer en in te richten in 24-uur-teams, maar teams te vormen op basis van de beheersmatige taken van de brandweer. In het kader van deze organisatiewijziging zijn de functies dienstbreed opnieuw beschreven en gewaardeerd. Daarbij is aangesloten bij het organieke functiehuis van de gemeente Leeuwarden. De functies zijn gewaardeerd met toepassing van de Procedureregeling functiewaardering 1994. Deze Procedureregeling heeft als uitgangspunt een methode van beredeneerd vergelijken aan de hand van ijkfuncties. 1.3 Bij besluit van 16 december 2009 heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij met ingang van 1 januari 2010 wordt ingepast in de functie financieel beheersmedewerker bij het bedrijfsbureau van de brandweer. Het niveau van deze functie is vastgesteld op schaal 6. De functiebeschrijving en de bijbehorende waarderingsmotivering in de vorm van een vergelijkingsmatrix zijn als bijlage meegezonden. 1.4 Tegen dit besluit heeft eiser een bezwaarschrift ingediend. Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit bezwaarschrift ongegrond verklaard. Geschil 2.1 Eiser heeft aangevoerd dat hij had moeten worden ingepast in de functie senior financieel beheersmedewerker. Volgens eiser geeft zijn functiebeschrijving zijn feitelijke werkzaamheden niet juist weer. In dit verband acht eiser met name van belang dat in de functiebeschrijving ten onrechte niet is opgenomen dat hij planning & control (p&
- c)adviseur is en in die hoedanigheid bepaalde taken uitvoert. Daarnaast stelt eiser dat hij gelijk(waardig) werk verricht als de bij de gemeente Leeuwarden werkzame senior financieel beheersmedewerkers. 2.2 Verweerder houdt vast aan de inpassing van eiser in de functie financieel beheersmedewerker. Volgens verweerder doen de hoofdtaken van deze functie recht aan zijn feitelijke werkzaamheden. Het woord p&c adviseur voegt daaraan niets toe en maakt de functie niet zwaarder, aldus verweerder. Verder stelt verweerder dat de functie senior financieel beheersmedewerker een wezenlijk andere functie is die binnen de organisatie van de brandweer niet nodig is. Eiser voert slechts een klein deel van de hoofdtaken van die functie uit, namelijk codering en controle. Verder verschilt het benodigde opleidingsniveau, aldus verweerder. Beoordeling 3.1 De rechtbank stelt voorop dat de vraag of de inpassing van eiser in de functie financieel beheersmedewerker in rechte houdbaar is, naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep terughoudend dient te worden getoetst. De rechtbank zal zich daarom, naast de overigens in aanmerking komende toetsing aan regels van geschreven en ongeschreven recht, beperken tot de vraag of de inpassing van eiser in de functie financieel beheersmedewerker op voldoende gronden berust. Dit betekent dat pas tot vernietiging van het bestreden besluit kan worden overgegaan indien deze als onhoudbaar moet worden aangemerkt. Daarvoor is ontoereikend de enkele omstandigheid dat inpassing in een andere, hoger gewaarde, functie op zichzelf denkbaar en verdedigbaar is. 3.2 Eiser betwist de functiebeschrijving die aan de inpassing ten grondslag is gelegd. Volgens eiser doet deze functiebeschrijving geen recht aan de feitelijke situatie, in het bijzonder wat betreft het feit dat hij p&c adviseur is. 3.2.1 De rechtbank overweegt dat het hier toepasselijke functiewaarderingssysteem de zwaarte weegt van organieke functies in samenhang met de totale organisatieopbouw. Bij het vaststellen van de functiebeschrijvingen komt daarom aan verweerder beleidsvrijheid toe. Anders dan bij de zogenoemde mensfunctiebeschrijvingen gaat het hier niet om de beschrijving van de feitelijke uitgevoerde of feitelijk opgedragen taken, maar om de door verweerder aan de betrokken functionaris opgedragen werkzaamheden gegeven de inrichting van de organisatie zoals die verweerder voor ogen staat. Dit brengt mee dat de rechterlijke toetsing van de organieke functiebeschrijving met terughoudendheid moet plaatsvinden. 3.2.2 In het licht hiervan heeft de rechtbank in hetgeen door eiser naar voren is gebracht geen aanleiding gevonden om de voor zijn functie gehanteerde functiebeschrijving in rechte onhoudbaar te achten. Eiser heeft de rechtbank er niet van kunnen overtuigen dat de beschrijving op hoofdtaken niet in overeenstemming is met de feitelijke werkzaamheden die hij verricht. Dat verweerder het p&c adviseurschap niet apart heeft vermeld, kan niet tot een ander oordeel leiden. Verweerder heeft toegelicht dat de werkzaamheden die eiser in die hoedanigheid verricht in de functiebeschrijving tot uitdrukking zijn gebracht in de (uitwerking van
- de)eerste hoofdtaak. Eiser heeft ook ter zitting niet duidelijk kunnen maken welke werkzaamheden die hij als p&c adviseur verricht daarin ontbreken. 3.2.3 Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de bestreden functiebeschrijving aan de inpassing ten grondslag heeft kunnen leggen. 3.3 Verder heeft de rechtbank in de gedingstukken geen aanwijzingen gevonden die zouden moeten leiden tot de conclusie dat de inpassing van eiser in de functie financieel beheersmedewerker onhoudbaar is te achten. Gelet op de overgelegde functiebeschrijvingen onderschrijft de rechtbank het standpunt van verweerder dat de functie senior financieel beheersmedewerker op essentiële punten verschilt van de functie financieel beheersmedewerker en derhalve een wezenlijk andere functie betreft. De enkele omstandigheid dat eiser een klein onderdeel uitvoert van het takenpakket van de functie senior financieel beheersmedewerker brengt op zichzelf dan ook niet mee dat eiser daarom in die functie moet worden ingepast. 3.4 De rechtbank stelt verder vast dat eiser geen inhoudelijke argumenten heeft aangevoerd tegen de juistheid van de waardering van de functie financieel beheersmedewerker op het niveau van schaal 6. De stelling van eiser dat er een te groot verschil bestaat wat waardering betreft tussen hem en de senior financieel beheersmedewerkers van de gemeente Leeuwarden, is in dit verband niet relevant. Ingevolge de gehanteerde waarderingsmethode moet de betrokken functie worden vergeleken met voorbeeldfuncties. Een vergelijking met bestaande functies is dus niet aan de orde. 3.5 De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep van eiser ongegrond verklaard moet worden. 3.6 Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond. Aldus gegeven door mr. J.S. van der Kolk, voorzitter, en door mrs. E.M. Visser en P.G. Wijtsma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T. Hoekstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2011. w.g. T. Hoekstra w.g. J.S. van der Kolk Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb. Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan: de Centrale Raad van Beroep Postbus 16002 3500 DA Utrecht In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.