RECHTBANK LEEUWARDEN Sector bestuursrecht zaaknummer: AWB 11/2099 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2012 in de zaak tussen [naam], wonende te [woonplaats], eiseres, gemachtigde: mr. A. van der Wielen, advocaat te Leeuwarden, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden, verweerder, gemachtigde: S.E. de Jong. Procesverloop Bij besluit van 24 november 2010 heeft verweerder de uitkering van eiseres ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) en de Algemene bijstandswet (Abw) ingetrokken vanaf 1 januari
- Bij besluit van 15 december 2010 heeft verweerder de teveel uitbetaalde uitkering teruggevorderd vanaf 1 juli
- Bij besluit van 22 juli 2011 heeft verweerder de bezwaarschriften van eiseres tegen de besluiten van 24 november 2010 en 15 december 2010 gedeeltelijk gegrond verklaard, in die zin dat het recht op bijstand over de periode van 1 januari 2000 tot 1 november 2010 wordt herzien naar de norm voor een echtpaar onder aftrek van de inkomsten van [naam] (verder: [A]). Er wordt een bedrag van € 108.209,06 teruggevorderd. Bij besluit van 26 juli 2011 heeft verweerder het bezwaarschrift van [A] eveneens gegrond verklaard, in die zin dat hij hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor de vordering van € 108.209,
- Tegen het besluit van 22 juli 2011 heeft eiseres beroep aangetekend. De zaak is gevoegd behandeld met het beroep van [A] ter zitting van de rechtbank gehouden op 17 april 2012, welk beroep is gericht tegen het besluit van 26 juli 2011 en is geregistreerd onder nummer AWB 11/
- Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Voor verweerder is zijn gemachtigde verschenen. Ter zitting is tevens verschenen [A], bijgestaan door zijn gemachtigde mr. K.A. Faber. Eveneens zijn daar verschenen de door eiseres meegebrachte getuigen [naam, hierna: B], wonende op [adres], [naam, hierna: C], wonende op [adres] en [naam, hierna: D], wonende op [adres]. De getuigen zijn, na het afleggen van de eed of de belofte, ter zitting gehoord. Na sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de zaken gesplitst en wordt in de zaken geregistreerd onder nummers 11/2099 en 11/2105 afzonderlijk uitspraak gedaan. Overwegingen
- Eiseres ontvangt reeds lange tijd, in ieder geval vanaf 1 januari 1995, een uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet (ABW), de Algemene bijstandswet (Abw) en daarna ingevolge de WWB.
- Op 17 november 2008 is de Sociale Recherche Friesland (SRF) naar aanleiding van een anonieme tip, binnengekomen op 29 augustus 2008, een onderzoek gestart naar de woonsituatie van eiseres. In zijn rapport van 10 september 2010 heeft de sociaal rechercheur P. Douma op basis van een onderzoek (waaronder onderzoek van bankgegevens, observaties, getuigenverhoren en het verhoor van [A]) geconcludeerd dat eiseres sinds in ieder geval 1 januari 1995 een gezamenlijke huishouding voert met [A].
- Bij besluit van 24 november 2010 heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiseres vanaf 1 januari 1995 ingetrokken, omdat hem op grond van het bovengenoemde onderzoek is gebleken dat zij in ieder geval vanaf die datum een gezamenlijke huishouding voert met [A]. Aangezien uit hun relatie een kind is geboren, danwel erkenning van een kind heeft plaatsgevonden, is sprake van een zogenoemd onweerlegbaar rechtsvermoeden van een gezamenlijke huishouding. De ten onrechte verstrekte bijstand zal van haar worden teruggevorderd. Wegens verjaring beperkt de terugvordering zich tot de periode vanaf 1 juli
- Bij besluit van 15 december 2010 heeft verweerder de ten onrechte ontvangen uitkering van eiseres teruggevorderd. Dit betreft de bedragen die zijn verstrekt aan algemene bijstand, bijzondere bijstand en aan langdurigheidstoeslag. Het totale bedrag dat teruggevorderd wordt is € 176.416,
- Bij het thans bestreden besluit van 22 juli 2011 heeft verweerder de bezwaarschriften van eiseres tegen de besluiten van 24 november 2010 en 15 december 2010 gedeeltelijk gegrond verklaard, in die zin dat het recht op bijstand wordt herzien over de periode van 1 januari 2000 tot 1 november 2010 naar de norm van een echtpaar, onder aftrek van de inkomsten van [A]. Het besluit tot terugvordering van de bijzondere bijstand en de langdurigheidstoeslag wordt ingetrokken. De terugvordering van de algemene bijstand bedraagt € 108.209,
- De rechtbank verwijst voor het wettelijk kader in deze zaak naar het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften Sociale Zekerheidskamer waarin de van toepassing zijnde bepalingen zijn opgenomen, waarbij zij -onder verwijzing naar de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep- overweegt dat de artikelen 54, 58 en 59 van de WWB ook van toepassing zijn op de periode vóór inwerkingtreding van de WWB (1 januari 2004) en dat artikel 65, eerste lid, van de Awb (de inlichtingenplicht) van toepassing is op periode van bijstandsverstrekking totdat artikel 17, eerste lid, van de WWB (eveneens de inlichtingenplicht) in werking is getreden. Ter zitting heeft de rechtbank vastgesteld, en partijen hebben hier ter zitting mee ingestemd, dat het geschil zich toespitst op en beperkt tot de vraag of eiseres in de periode van 1 januari 2000 tot november 2010 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [A]. Tot juli 2009 betreft dit een gezamenlijke huishouding op het adres van eiseres op [adres X] en vanaf juli 2009 op [adres Y]. 7.1 Namens eiseres is gesteld dat zij en [A] een zoon hebben, [voornamen] geboren in [geboortejaar], die door [A] is erkend. Zij zijn al in de jaren '80 uit elkaar gegaan, maar hebben wel contact gehouden vanwege de omgang met zijn zoon door [A]. Zowel eiseres als [A] hadden een relatie met een ander. Later is hun verstandhouding verbeterd, maar zij hebben nooit meer samengewoond. De verstandhouding werkt alleen als zij elkaar niet te veel zien. Over en weer helpen zij elkaar wel. Eiseres heeft hart- en darmklachten en suikerziekte en heeft om die reden wel eens hulp nodig van [A]. En eiseres helpt [A] bij zijn administratieve en financiële zaken, omdat [A] niet kan lezen en schrijven. Dit betekent niet dat zij samenleven. Ten onrechte heeft verweerder toepassing gegeven aan artikel 3, vierde lid, onder b, van de WWB. Het onweerlegbare rechtsvermoeden is naar de mening van eiseres in strijd met het eerste protocol (EP) bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Door uit te gaan van een onweerlegbaar rechtsvermoeden heeft eiseres door het aandragen van bijzondere feiten en omstandigheden, die tot gevolg zouden kunnen hebben dat er in uitzondering op de door de wetgever in zijn algemeenheid gestelde regel, geen kans meer op het algemene recht om gevrijwaard te zijn van armoede. Dit grondrecht wordt in casu beperkt, om het makkelijker te maken -zo blijkt uit de parlementaire geschiedenis- om uitkeringsfraude te voorkomen. Uit de jurisprudentie volgt echter dat een inbreuk maken op het bepaalde van artikel 1 van het EP van het EVRM niet is toegestaan, indien slechts de belangen van de staat hiermee gemoeid zijn. Voorts heeft eiseres gesteld dat [A] nooit op haar adres ingeschreven heeft gestaan in de Gemeentelijke basisadministratie (GBA). Verweerder heeft niet onderzocht of [A] op zijn GBA-adres woonachtig was. Uit de getuigenverklaringen kan niet worden afgeleid dat [A] zijn hoofdverblijf had bij eiseres. De getuigen die een verklaring hebben afgelegd, hebben negatieve ervaringen met eiseres danwel [A] gehad en zijn niet objectief, omdat deze personen rancuneus zijn jegens eiseres en/of [A]. Dat de verklaringen niet betrouwbaar zijn, blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat ook over de periode van 4 november 2003 tot en met 19 mei 2004 is verklaard dat eiseres en [A] gezamenlijk hoofdverblijf hadden, terwijl [A] toen gedetineerd zat. Daarnaast heeft [naam, hierna: E] verklaard dat zij vanaf oktober 2002 met [A] samenwoonde. Over de periode van januari 2004 tot en met eind 2006 is geen enkele concrete aanwijzing voor samenwoning. Uit de bewijsstukken blijkt dat de verstandhouding tussen eiseres en [A] zeer wisselvallig was. Om deze reden hebben zij over de gestelde periodes geen gezamenlijk hoofdverblijf gehad. Uit de verklaringen van eiseres en [A] tegenover de sociale recherche blijkt evenmin van een gezamenlijke huishouding. Dat in de periode van observatie de auto van [A] regelmatig bij eiseres stond, wil niet zeggen dat hij daar verbleef. De observaties hebben bovendien in een betrekkelijk korte periode plaatsgevonden. 7.2 Verweerder heeft gesteld dat het onweerlegbare rechtsvermoeden volgens vaste rechtspraak niet in strijd is met het EVRM of andere bepalingen van nationaal of internationaal recht. Voorts stelt verweerder dat ook de adressen zijn onderzocht waar [A] stond ingeschreven volgens de GBA. Het adres aan de [adres] betrof een woonboot. Hierover hebben verschillende getuigen verklaard dat [A] daar niet woonde, maar dat hij deze verhuurde, hetgeen ook wel blijkt uit het aantal inschrijvingen van 41 personen gedurende de periode in geding (tot mei 2007). Ook uit processen-verbaal van de politie blijkt dat het adres bekend staat als verblijfplaats voor zwervers en junks. Ten aanzien van de inschrijving op het adres [adres] heeft verweerder opgemerkt dat uit verschillende getuigenverklaringen is gebleken dat [A] niet woonachtig is op dit adres. Ook in de observatieperioden is [A] niet gezien in of nabij [adres]. Van dit adres is tevens bekend dat het maar over één slaapkamer beschikt en de zoon van [A] hier woont. Door eiseres wordt niet onderbouwd welk belang de getuigen erbij hebben om over haar woonsituatie een onjuiste verklaring af te leggen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van diverse getuigenverklaringen, de verklaring van [A] en de observaties is aangetoond dat [A] in de periode van 1 januari 2000 tot 1 november 2010 zijn hoofdverblijf heeft gehad in dezelfde woning als eiseres. 7.3.1 De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiseres en [A] een gezamenlijke zoon hebben, [naam zoon eiseres en A], geboren in [geboortejaar]. Eveneens heeft de rechtbank ter zitting vastgesteld dat verweerder in verband hiermee toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 3, vierde lid, onder b van de WWB. Nu uit hun relatie een kind is geboren, is in het geval van een gezamenlijk hoofdverblijf, sprake van een onweerlegbaar rechtsvermoeden van het voeren van een gezamenlijke huishouding. Zoals de Hoge Raad in zijn uitspraak van 25 september 2009 (LJN: BH2580) heeft bepaald is het onweerlegbare rechtsvermoeden van een gezamenlijke huishouding bij een gezamenlijk hoofdverblijf ook van toepassing nadat het gezamenlijke kind de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Eiseres stelt dat deze verlichting van de bewijslast voor verweerder een te grote inbreuk maakt op haar ongestoorde eigendomsrecht, zoals bedoeld in artikel 1 van het EP bij het EVRM. 7.3.2 De rechtbank is in de lijn van de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), zie bijvoorbeeld LJN: BL2155 en BP6843, van oordeel dat de herziening van het recht op algemene bijstand aangemerkt kan worden als ontneming van eigendom in de zin van artikel 1 van het EP bij het EVRM. Volgens deze bepaling is de inbreuk op het eigendomsrecht alleen dan gerechtvaardigd wanneer deze in het algemeen belang geschiedt en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. Daarnaast moet de inbreuk op het eigendomsrecht in een evenredige verhouding staan tot het nagestreefde doel. Uit het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 20 november 1995 (NJ 1996/593) blijkt dat onder meer ook politieke overwegingen een inbreuk op het eigendomsrecht (mede) kunnen rechtvaardigen. Uit het arrest volgt dat de staten een ruime "margin of appreciation" hebben ten aanzien van de vraag wat in het algemeen belang is op het gebied van de sociale en economische politiek. De keuze van de wetgever wat in het algemeen belang is, dient te worden gerespecteerd, tenzij die keuze 'manifestly without reasonable foundation' is. De 'margin of appreciation' die de wetgever volgens het EVRM toekomt om in het algemeen belang een inbreuk te maken op het eigendomsrecht is ruimer dan bij het beperken van andere door het EVRM gewaarborgde rechten. Anders dan bij die rechten het geval is, is een inbreuk op het eigendomsrecht niet alleen gerechtvaardigd wanneer deze noodzakelijk moet worden geacht in het algemeen belang, maar reeds wanneer deze in het algemeen belang wenselijk mag worden geoordeeld. De vraag of een inbreuk op eigendomsrecht in het onderhavige geval gerechtvaardigd is, beantwoordt de rechtbank bevestigend. De rechtbank overweegt -onder verwijzing naar de conclusie van de Advocaat Generaal bij de uitspraak van de Hoge Raad van 25 september 2009 (LJN: BH2580)- dat de achtergrond van het bepaalde in artikel 3, vierde lid, onder b, van de WWB is dat daardoor - aldus de regering - een effectieve bestrijding van leefvormfraude wordt bevorderd. De kennelijke en niet onbegrijpelijke gedachte daarbij is geweest, dat de kans op verbondenheid en daarmee op wederzijdse verzorging van belanghebbenden die in een gemeenschappelijke woning verblijven in zijn algemeenheid groter zal zijn indien uit hun relatie kinderen zijn geboren - ongeacht of zij voor die kinderen (nog) een verzorgingsplicht hebben - dan indien dit niet het geval is. De rechtbank overweegt dat deze bestrijding van ongerechtvaardigde verrijking door leefvormfraude niet leidt tot uitsluiting van het recht op bijstand op zichzelf, maar dat een herziening van het recht op bijstand naar de gezinsnorm volgt voor zover het gezamenlijk inkomen van betrokkenen onder bijstandsniveau ligt. De rechtbank is van oordeel dat artikel 3, vierde lid, onder b, van de WWB toetsing aan artikel 1 van het EP bij het EVRM kan doorstaan. De rechtbank overweegt verder dat in het onderhavige geval onvoldoende overeenkomst is met de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 21 juli 2006 (LJN: AY8969) op grond waarvan eiseres heeft gesteld dat een inbreuk op het bepaalde in artikel 1 van het EP bij het EVRM niet is toegestaan indien slechts de belangen van de staat hiermee zijn gemoeid. In de uitspraak van het Gerechtshof ging het om regelgeving die met terugwerkende kracht van toepassing was en met enkel een budgettair belang ten doel, waarbij alleen rekening is gehouden met het belang van de staat.
- Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan de beoordeling van de gezamenlijke huishouding in de periode van 1 januari 2000 tot 1 november 2010 beperkt blijven tot de vraag of sprake was van een gezamenlijk hoofdverblijf in dezelfde woning in die periode. Omdat het hier om een voor eiseres belastend besluit gaat, rust op verweerder de bewijslast dat eiseres gedurende de periode in geding de inlichtingenverplichting niet is nagekomen door niet te melden dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met [A]. 8.1 De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Volgens vaste rechtspraak hoeft het hebben van verschillende woonruimten niet in de weg te staan aan het hebben van een gezamenlijk hoofdverblijf in dezelfde woning als bedoeld in de WWB. Het college zal in een dergelijk geval wel aannemelijk moeten maken dat desondanks een feitelijke situatie van samenwonen bestaat, doordat slechts één van beide woningen wordt gebruikt, dan wel doordat op een andere wijze een zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken. De rechtbank stelt vast dat verweerder zijn standpunt dat eiseres en [A] ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, vooral heeft gebaseerd op de stelling dat het geheel van feiten en verklaringen van getuigen en [A] in samenhang bezien leidt tot de conclusie dat zij de gehele periode in geding een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Desgevraagd heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting bevestigd dat zijn standpunt met name is gebaseerd op de verklaringen van de getuigen [F], [G] en [H], die elkaar ondersteunen en ondersteund worden door andere getuigenverklaringen. De rechtbank ziet aanleiding om de periode in geding te splitsen in perioden en deze afzonderlijk te bespreken. De periode van 1 januari 2000 tot 15 oktober 2002 De rechtbank overweegt dat de verklaring van [F] betrekking heeft op de periode van 2000 tot
- [F] heeft verklaard dat het contact daarna verbroken is. Ter zitting heeft eiseres de objectiviteit van de verklaring van [F] in twijfel getrokken. Wat daar van zij, de rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [F] geen feiten bevat, maar kwalificaties. Bovendien heeft zij geen aandacht besteed in haar verklaring aan het feit dat [A] in die periode (vanaf 15 oktober 2002) gehuwd is geweest met [E] en de periode dat [A] in detentie heeft gezeten van 4 november 2003 tot 19 mei 2004, zodat verweerder zich voor zijn bewijsvoering niet op de verklaring van [F] heeft kunnen baseren. Echter de verklaringen van [I], [J], [K] en [L] zijn in samenhang bezien, naar het oordeel van de rechtbank, voldoende concreet om een gezamenlijk hoofdverblijf van eiseres en [A] aannemelijk te achten over de periode van 1 januari 2000 tot 15 oktober
- Deze getuigen woonden nabij en naast de woning van eiseres en hebben uit eigen waarneming verklaard dat [A] op het adres [adres X] woonachtig was. [E] heeft verklaard dat zij op 15 oktober 2002 met [A] is gehuwd en dat zij daarna daadwerkelijk samen op de woonboot van [A] zijn gaan wonen. Zij heeft verklaard: "Ik heb het ongeveer een jaar uitgehouden op de woonboot. Van dat jaar was [voornaam A] ([A]) het laatste half jaar al vaker bij [voornaam eiseres] (eiseres) dan bij mij". De rechtbank ziet geen aanleiding om deze verklaring niet geloofwaardig te achten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat eiseres en [A] vanaf 1 januari 2000 tot 15 oktober 2002 hun gezamenlijk hoofdverblijf hadden op [adres X], maar heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat [A] in de periode vanaf 15 oktober 2002 tot 15 april 2003 zijn hoofdverblijf bij eiseres had. De periode van 15 oktober 2002 tot 19 mei 2004 In vervolg op het bovenstaande overweegt de rechtbank dat hoewel [E] heeft verklaard dat [A], na die periode van een half jaar, meer bij eiseres verbleef, het ook mogelijk is dat hij elders verbleef. Uit de verklaring blijkt dat hij in ieder geval niet meer bij [E] verbleef. Desgevraagd heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting aangegeven dat verweerder het standpunt dat [A] zijn hoofdverblijf had bij eiseres in de periode van 4 november 2003 tot 19 mei 2004 niet kan handhaven, nu hij gedetineerd was in die periode. De rechtbank overweegt voorts dat verklaringen van getuigen over de tussenliggende periode (van 15 april 2003 tot 19 mei 2004) ontbreken. De verklaring van [G], waarop verweerder zich baseert, biedt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende steun voor een gezamenlijk hoofdverblijf op [adres X], omdat zij stelt niet te kunnen zeggen of eiseres en [A] daar samenwoonden of niet, omdat zij daarvoor te weinig thuis was. Het hoge energieverbruik in de woning van eiseres toont evenmin aan dat [A] zijn hoofdverblijf bij eiseres had, nu eiseres ter zitting hierover heeft verklaard -en haar dochter heeft dit ter zitting bevestigd- dat er vaak één of meerdere kinderen (soms met partner en kind) bij haar inwoonden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat [A] in de periode vanaf 15 oktober 2002 tot 19 mei 2004 zijn hoofdverblijf bij eiseres had. De periode van 19 mei 2004 tot 1 januari 2007 Naar het oordeel van de rechtbank zijn er over de periode vanaf 19 mei 2004 tot 1 januari 2007 geen getuigenverklaringen of feiten die verweerders standpunt dat eiseres en [A] een gezamenlijke hoofdverblijf hadden, onderbouwen. De verklaring van [H], die verklaart over de periode vanaf 2006, biedt weliswaar -zoals hieronder zal worden besproken- voldoende aanknopingspunten voor een gezamenlijk hoofdverblijf, maar deze verklaring kan niet eerder dan vanaf 1 januari 2007 ter onderbouwing van het standpunt van verweerder dienen, nu de verklaring onvoldoende concreet is over het moment in 2006 waarop zij eiseres en [A] leerde kennen. De periode vanaf 1 januari 2007 tot 1 november 2010 Zoals hierboven reeds opgemerkt is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van [H], die verklaart over de periode vanaf 2006, voldoende aanknopingspunten biedt voor een gezamenlijk hoofdverblijf, met name in samenhang bezien met de gebleken wederzijdse verzorging van eiseres en [A] voor elkaar. Behalve uit de verklaringen ter zitting van eiseres en [A], en de verklaring van [A] tegenover de Sociale Recherche, blijkt een financiële verstrengeling uit de bankafschriften vanaf
- Eiseres voerde de administratie van [A] en daarnaast blijkt uit de afschriften dat in supermarkten heel veel op rekening van [A] werd gekocht en heel weinig op rekening van eiseres. Een verklaring hiervoor is dat [A] veel bij eiseres was, bijvoorbeeld voor het nuttigen van de maaltijden, zoals hij tegenover de Sociale Recherche heeft verklaard. Nu de verklaring van [H] onvoldoende concreet is over het moment in 2006 waarop zij eiseres en [A] heeft leren kennen, kan de verklaring van [H] niet eerder dan vanaf 1 januari 2007 ter onderbouwing van het standpunt van verweerder dienen. Ook de verklaring van [A] tegenover de Sociale Recherche, in samenhang met de bevindingen uit de observaties in de perioden van 20 november 2009 tot en met 17 december 2009 en van 14 juni 2010 tot en met 28 juni 2010, biedt voldoende aanknopingspunten voor een hoofdverblijf van eiseres en [A] in dezelfde woning. [A] heeft verklaard tegenover de Sociale Recherche dat hij dagelijks medicijnen gebruikt, die liggen in de kast in de woning van eiseres. Hij heeft voorts verklaard: "het komt er op neer dat waar de auto staat, ik daar ook ben". Hij heeft een eigen keyprocessor van het wooncomplex van eiseres en een sleutel van haar woning. Voorts heeft hij een afstandsbediening om op het parkeerdek bij de woning van eiseres te komen. De rechtbank overweegt dat ten tijde van de observaties de auto van [A] dagelijks op het parkeerdek bij de woning van eiseres is waargenomen, aan het eind van de middag/begin van de avond en de daaropvolgende dag, vroeg in de ochtend. De auto stond dan op dezelfde plek als de avond te voren. [A] heeft verklaard dat eiseres zijn geldzaken regelt en ze gaan ieder weekend samen naar de camping (van 1 april tot 1 oktober) en in de zomer 2 weken. Hij zorgt voor eiseres als zij hulp nodig heeft in verband met haar gezondheid. Boodschappen doen ze samen. "Mijn boodschappen gaan naar het adres van [voornaam eiseres] (eiseres), want [voornaam eiseres] kookt ook voor mij". De rechtbank is van oordeel dat de gezamenlijke huishouding vanaf 1 januari 2007 tot 1 november 2010 voldoende aannemelijk is gemaakt door verweerder. 8.2 Het overwogene onder 8.1 leidt tot de conclusie dat eiseres de inlichtingenplicht van artikel 65, eerste lid, van de Abw en van artikel 17 WWB heeft geschonden over de perioden waarin sprake was van een gezamenlijke huishouding met [A]. Dit betreffen de perioden van 1 januari 2000 tot 15 oktober 2002 en van 1 januari 2007 tot 1 november
- 9.1 De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, respectievelijk artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van eiseres over de perioden van 1 januari 2000 tot 15 oktober 2002 en van 1 januari 2007 tot 1 november 2010 te herzien en terug te vorderen. De rechtbank is verder van oordeel dat het college de bijstand over de beide genoemde perioden onder toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB in redelijkheid heeft kunnen herzien. Het besluit van 22 juli 2011 kan, voor zover het ziet op de herziening van de bijstand over de periode van 25 oktober 2002 tot 1 januari 2007, wegens strijd met artikel 54, derde lid, van de WWB en de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb niet in stand blijven. Dit geldt eveneens voor zover het besluit van 11 juli 2011 ziet op de terugvordering over die periode. 9.2 De rechtbank stelt vast dat de periode waarover kosten van bijstand kunnen worden teruggevorderd door deze uitspraak vaststaat. Voor zover namens eiseres is aangevoerd dat verweerder zijn recht om tot terugvordering over te gaan heeft verwerkt, overweegt de rechtbank dat onderhavige terugvordering een vordering is waarop artikel 3:309 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is. Volgens deze bepaling verjaart een rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgend op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van de vordering als met de persoon van de ontvanger bekend is geworden. Gelet op de jurisprudentie van de CRvB (zie bijvoorbeeld LJN: BQ9942) vangt de verjaringstermijn voor het nemen van een besluit tot terugvordering van bijstand aan op het moment dat het bestuursorgaan bekend is geworden met feiten of omstandigheden op grond waarvan voldoende duidelijk is dat een besluit inzake terugvordering in de rede ligt. Uit de gedingstukken blijkt dat op 29 augustus 2008 een anonieme tip bij verweerder is binnengekomen, op grond waarvan verweerder de Sociale Recherche een onderzoek heeft laten instellen. Hoewel verweerder eerder onderzoeken heeft ingesteld naar de woonsituatie van eiseres, was verweerder niet vijf jaar voordat hij overging tot terugvordering daadwerkelijk bekend met het bestaan van de vordering en de persoon van de ontvanger. Nu het terugvorderingsbesluit op 15 december 2010 is genomen, is verjaring van de vordering hier niet aan de orde. Dringende redenen om van de herziening en terugvordering af te zien zijn gesteld noch gebleken. De rechtbank zal verweerder opdragen om een nieuw besluit te nemen op de bezwaarschriften tegen de besluiten van 24 november 2010 en 15 december 2010 en daarbij de terugvordering bepalen op het bedrag dat overeenkomt met de kosten van de ten onrechte verleende bijstand over de perioden van 1 januari 2000 tot 15 oktober 2002 en van 1 januari 2007 tot 1 november
- Met toepassing van artikel 8:75 van de Awb veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van eiseres € 874 terzake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (beroepschrift één punt; verschijnen ter zitting één punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 437). Aangezien in deze procedure aan eiseres een toevoeging krachtens de Wet op de rechtsbijstand is verleend, dient het (gehele) bedrag van de kosten te worden betaald aan de griffier van de rechtbank. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit voor zover het ziet op de herziening van bijstand over de periode 25 oktober 2002 tot 1 januari 2007 en voor zover het ziet op de terugvordering over die periode; - bepaalt dat verweerder met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit neemt op de bezwaarschriften tegen de besluiten van 24 november 2010 en 15 december 2010; - bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 41 aan eiseres vergoedt; - veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 874, te betalen aan de griffier van de rechtbank. Aldus gegeven door mr. A.T. de Kwaasteniet, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Dijkstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 mei
- w.g. J. Dijkstra w.g. A.T. de Kwaasteniet Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb. Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan: de Centrale Raad van Beroep Postbus 16002 3500 DA Utrecht In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.