RECHTBANK LEEUWARDEN Sector kanton Locatie Heerenveen zaak-/rolnummer: 397054 \ CV EXPL 12-2759 vonnis van de kantonrechter ex art. 254 lid 4 Rv d.d. 18 juli 2012 inzake [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, gemachtigde: mr. C. Niens, tegen LAMMIGJE [GEDAAGDE], wonende te [woonplaats], gedaagde, gemachtigde: mr. M.E. Scholten. Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd. Procesverloop 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - producties aan de zijde van [gedaagde] - producties aan de zijde van [eiser] - de mondelinge behandeling d.d. 9 juli 2012, waarbij partijen en hun gemachtigden aanwezig waren - pleitaantekeningen van de gemachtigde van [gedaagde]. 1.2 Ten slotte is vonnis bepaald. Motivering De feiten 2.1 In deze procedure kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan. 2.2 Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Uit deze relatie is op 12 juni 2000 hun zoon [A] geboren. Partijen hebben lange tijd met elkaar samengewoond. Zij waren niet getrouwd en hadden geen geregistreerd partnerschap. Zij woonden in eerste instantie in een huurwoning aan de [adres1] te [woonplaats]. De huurovereenkomst voor deze woning was op naam van [gedaagde] gesteld. Met ingang van mei 2002 zijn partijen gaan wonen op het adres [adres2] te [woonplaats] (hierna: de woning). Partijen zijn voor de woning in aanmerking gekomen op basis van de registratie van [gedaagde] bij de Woningstichting Weststellingwerf (hierna: de woningstichting) als woningzoekende. De huurovereenkomst voor de woning is op naam gesteld van [eiser]. 2.4 De relatie tussen partijen is sinds april 2012 beëindigd. Vanaf die tijd verblijft [eiser] niet meer in de woning, is hij zonder vaste woon of verblijfplaats en verblijft hij wisselend en voor korte periodes bij familie, vrienden en kennissen. [A] is bij zijn moeder blijven wonen in de woning. Er is inmiddels een bezoekregeling tussen [A] en zijn vader tot stand gekomen. Die regeling houdt in dat [A] een keer per twee weken een weekend bij zijn vader - in een caravan op het terrein van diens broer - verblijft en dat [A] door zijn vader wordt gehaald en gebracht naar de wekelijkse judotrainingen. De vordering 3.1 [eiser] vordert om bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen om op straffe van een dwangsom binnen drie dagen na de datum van betekening van dit vonnis de woning te verlaten, die woning ter vrije beschikking aan [eiser] te stellen en te laten onder afgifte van de sleutels en die woning ook zonder uitdrukkelijke toestemming van [eiser] niet meer te betreden, met machtiging aan [eiser] dat mocht [gedaagde] nalaten aan de veroordelingen te voldoen, deze nakoming op kosten van [gedaagde] te (doen) bewerkstelligen door een deurwaarder zonodig met behulp van de sterke arm van de politie en met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure. 3.2 [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat uit de huurovereenkomst blijkt dat hij als de enige huurder van de woning kan worden aangemerkt. Ook betaalt hij de kosten van de woning. Er is geen sprake van enig recht of enige titel op grond waarvan [gedaagde] in de woning mag blijven. Zij is niet van rechtswege medehuurder als bedoeld in artikel 7:266 BW en zij heeft geen verzoek tot medehuurderschap als bedoeld in artikel 7:267 BW ingediend. Het verweer 3.3 [gedaagde] heeft tot haar verweer aangevoerd dat zij toevalligerwijs niet op de huurovereenkomst voor de woning terecht is gekomen. De woning aan de [adres1] te [woonplaats], waar partijen eerder samenwoonden, stond wel op haar naam, [gedaagde] stond in 2002 ingeschreven als woningzoekende bij de woningstichting en zonder die inschrijving had [eiser] de woning nooit kunnen huren. Het was ook de bedoeling dat partijen in de woning zouden gaan samenwonen. De kosten voor de gezamenlijke huishouding werden verdeeld. Dat [gedaagde] - uit onwetendheid - het medehuurderschap niet heeft aangevraagd, kan haar niet worden verweten. Volgens [gedaagde] geldt in de gegeven situatie dat het huurrecht aan partijen gezamenlijk toekomt en dat op basis van een belangenafweging moet worden beoordeeld aan wie het uitsluitend recht op voortgezet gebruik van de woning toekomt. Hierbij moet volgens [gedaagde] groot gewicht toegekend worden aan de wijze waarop de huurovereenkomst tot stand is gekomen, de omstandigheid dat [gedaagde] met haar zoon thans nog woont in de woning en dat [A] er veel belang bij heeft dat deze situatie ongewijzigd zal voortduren. [gedaagde] stelt dat zij zelf in staat is om de woonlasten op te brengen. Een basis voor co-ouderschap ontbreekt, zodat [eiser] [A] niet bij zich kan houden in de woning. Verder wijst [gedaagde] er op dat [eiser] zelf de situatie heeft veroorzaakt dat het hem tijdelijk is verboden om de woning te betreden ([gedaagde] doelt op de relationele problemen tussen haar en [eiser] en op het feit dat aan [eiser] tijdelijk een huisverbod is opgelegd). Ten slotte stelt [gedaagde] dat [eiser] in staat geacht kan worden vervangende woonruimte te realiseren en dat het contact met [A] gewaarborgd is door middel van afspraken tussen partijen. De beoordeling
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.