RECHTBANK LEEUWARDEN Sector bestuursrecht, belastingkamer procedurenummers: 09/75, 10/1668, 10/1669, 11/440 tot en met 11/451. uitspraak van de meervoudige kamer van 19 juli 2012 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, gemachtigde [gemachtigde eiser], en de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Leeuwarden, verweerder, gemachtigde [gemachtigde verweerder]. Procesverloop 1.1 Verweerder heeft aan eiser de volgende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en vermogensbelasting (VB) opgelegd en beschikkingen gegeven. jaar navorderingsaanslag beschikking procedurenummer 1995 navorderingsaanslag IB/PVV heffingsrente en boete 09/75 1996 navorderingsaanslag IB/PVV heffingsrente en boete 10/1668 1997 navorderingsaanslag IB/PVV heffingsrente 11/441 1998 navorderingsaanslag IB/PVV heffingsrente 11/442 1999 navorderingsaanslag IB/PVV heffingsrente 11/443 2000 navorderingsaanslag IB/PVV heffingsrente 11/444 2001 navorderingsaanslag IB/PVV heffingsrente en boete 11/445 2002 navorderingsaanslag IB/PVV heffingsrente en boete 11/440 2003 navorderingsaanslag IB/PVV heffingsrente en boete 11/446 2004 navorderingsaanslag IB/PVV heffingsrente en boete 11/447 2005 navorderingsaanslag IB/PVV heffingsrente en boete 11/448 1997 navorderingsaanslag VB heffingsrente en boete 10/1669 1998 navorderingsaanslag VB heffingsrente 11/449 1999 navorderingsaanslag VB heffingsrente 11/450 2000 navorderingsaanslag VB heffingsrente 11/451 1.2 Verweerder heeft bij - in één geschrift vervatte - uitspraken op bezwaar van 27 november 2008 de in de zaken geregistreerd onder de procedurenummers 09/75 en 11/440 aan de orde zijnde navorderingsaanslagen en beschikkingen heffingsrente en boete gehandhaafd. Eiser heeft daartegen bij brief van 5 januari 2009, ingekomen bij de rechtbank op 6 januari 2009, beroep ingesteld. Dit beroep heeft de rechtbank naderhand gesplitst in twee zaken en geregistreerd zoals onder punt 1.1 is weergegeven. Bij - in één geschrift vervatte - uitspraken op bezwaar van 2 juli 2010 heeft verweerder de in de zaken geregistreerd onder de procedurenummers 10/1668, 11/441, 11/442, 11/443, 11/444, 11/445, 11/446, 11/447, 11/448 aan de orde zijnde navorderingsaanslagen en beschikkingen heffingsrente en boete eveneens gehandhaafd. Eiser heeft daartegen bij brief van 4 augustus 2010, ontvangen bij de rechtbank op 5 augustus 2010, beroep ingesteld. Dit beroep heeft de rechtbank naderhand gesplitst in negen zaken en geregistreerd zoals onder punt 1.1 is weergegeven. De in de zaken geregistreerd onder de procedurenummers 10/1669, 11/449, 11/450 en 11/451 aan de orde zijnde navorderingsaanslagen en beschikkingen heffingsrente en boete heeft verweerder bij - in één geschrift vervatte - uitspraken op bezwaar van 2 juli 2010 gehandhaafd. Daartegen heeft eiser bij brief van 4 augustus 2010, ontvangen bij de rechtbank op 5 augustus 2010, beroep ingesteld. Dit beroep heeft de rechtbank naderhand gesplitst in vier zaken en geregistreerd zoals onder punt 1.1 is weergegeven. 1.3 Verweerder heeft verweerschriften ingediend en de - zijns inziens - op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd. Daarbij heeft verweerder ten aanzien van de volgende stukken onder verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) meegedeeld dat uitsluitend de rechtbank kennis mag nemen van de integrale en ongeanonimiseerde versie van die stukken. Het betreffen de volgende stukken, waarbij de rechtbank de door verweerder gehanteerde opsomming overneemt: A. De Belgische aanbiedingsbrief B. De bij de Belgische aanbiedingsbrief behorende nota C. De bij de nota behorende bijlagen B.1, B.2, B.6 en B.9 (de rekeningstandenlijsten en de adressenlijsten) en het renseignement van eiser D. De overige bij de Nota behorende bijlagen E. Gegevens meewerkende belastingplichtigen in eerdere projecten F. Chi-kwadraattoets G. Berekeningsmethodiek redelijke schatting H. Memo verhouding meewerkers/weigeraars/ontkenners I. Draaiboek J. Memo identificatieproces K. Toelichting kennisgeving navordering L. Brief 13-11-2007 toestemming gebruik gegevens voor belastingheffing 1.4 Verweerder heeft bij afzonderlijke brief van 2 oktober 2009 een motivering gegeven van zijn mededeling dat uitsluitend de rechtbank kennis mag nemen van de integrale en ongeanonimiseerde versie van de zojuist opgesomde stukken. Van het onder K bedoelde stuk heeft verweerder alsnog een integrale versie als - een ook voor eiser bestemd - gedingstuk overgelegd. Ten aanzien van de onder F bedoelde stukken heeft verweerder alsnog het proces-verbaal van ambtshandeling overgelegd. In het voor eiser bestemde exemplaar heeft verweerder de namen van individuele belastingambtenaren geanonimiseerd; uitsluitend de rechtbank mag kennis nemen van de ongeanonimiseerde versie. Naar aanleiding van tussenuitspraken van de rechtbank 's-Gravenhage en de rechtbank Haarlem heeft verweerder in aanvulling op zijn zojuist bedoelde brief een aantal gewijzigde bijlagen overgelegd en heeft ter zake in een begeleidende brief van 6 januari 2011 een motivering gegeven. Ten aanzien van de onder A, C, D, en L bedoelde stukken heeft verweerder een aantal weggelaten gegevens alsnog vrijgegeven en ten aanzien van de onder C en F bedoelde stukken heeft verweerder aanvullende stukken overgelegd. Voor wat betreft het onder E bedoelde stuk, heeft verweerder aangegeven dat dit bij nader inzien geen op de zaak betrekking hebbend stuk is, zodat artikel 8:29 van de Awb hiervoor niet geldt. Dit stuk dient slechts - in geanonimiseerde vorm - als bewijs ter onderbouwing van het verweer. De ongeanonimiseerde versie dient volgens verweerder uit de procesdossiers te worden verwijderd. Ten aanzien van de onder H bedoelde stukken heeft verweerder zich eveneens op het standpunt gesteld dat dit geen op de zaak betrekking hebbende stukken zijn. Deze stukken wenst verweerder in het geheel niet over te leggen; deze dienen uit de procesdossiers te worden verwijderd. In de plaats van deze stukken heeft verweerder bij brief van 18 februari 2011 een nieuwe bijlage overgelegd, die integraal ter kennis van eiser mag worden gebracht. Verweerder heeft in zijn brieven aangegeven dat hij thans alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. 1.5 De rechtbank heeft eiser in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op de onder punt 1.4 bedoelde brieven van verweerder. Eiser heeft van deze gelegenheid bij brief van 26 oktober 2009 (in de oorspronkelijke procedure 09/75) gebruik gemaakt. 1.6 Ten behoeve van het nemen van deze tussenbeslissing heeft de rechtbank (geheimhoudingskamer) kennisgenomen van de stukken in het procesdossier die aan beide partijen bekend waren. Daarnaast heeft de rechtbank (geheimhoudingskamer) kennisgenomen van de door verweerder overgelegde ongeschoonde stukken als hiervóór genoemd. 1.7 De rechtbank (geheimhoudingskamer) heeft in het kader van het vooronderzoek een inlichtingencomparitie gelast. De comparitiezitting heeft, na afstemming daartoe met partijen, plaatsgevonden op 15 februari 2011 te Leeuwarden. Namens eiser is daar, zonder bericht aan de rechtbank, niemand verschenen. Namens verweerder zijn daar verschenen zijn gemachtigde, bijgestaan door [bijstand]. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. 1.8 De rechtbank (geheimhoudingskamer) heeft op 24 maart 2011 een beslissing genomen als bedoeld in artikel 8:29, derde lid, van de Awb (hierna: de beslissing). De beslissing is op dezelfde dag samen met het onder 1.7 vermelde proces-verbaal, per aangetekend schrijven, aan partijen toegezonden. 1.9 Eiser heeft bij brief van 31 maart 2011 op de beslissing gereageerd en geen toestemming verleend aan de rechtbank om uitspraak te doen mede op grondslag van de stukken waarvan beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, zoals beslist in de onder 1.8 vermelde beslissing. 1.10 Eiser heeft bij brief van 18 mei 2011 nadere gronden van het beroep ingediend. 1.11 Verweerder heeft daarop bij brief van 17 juni 2011 gereageerd. 1.12 Het onderzoek ter zitting door de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 7 juli 2011 te Leeuwarden. Eiser is daar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is daar tevens vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, bijgestaan door [bijstand]. Het onderzoek is ter zitting geschorst. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan partijen is toegezonden. 1.13 Verweerder heeft bij brief van 23 september 2011 drie ambtsedige verklaringen toegestuurd. 1.14 Eiser heeft hierop bij brief van 20 oktober 2011 gereageerd. 1.15 Partijen hebben voorts nadere stukken ingediend 1.16 Het onderzoek ter zitting door de meervoudige kamer is hervat op 21 maart 2012. Eiser is daar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is daar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, bijgestaan door [bijstand]. Ter zitting zijn [A] en [B] als getuigen van eiser gehoord. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht en deel uitmaakt van de gedingstukken. Het onderzoek is ter zitting gesloten. 1.17 Van de hiervoor vermelde stukken die door partijen zijn ingediend is over en weer steeds een kopie naar de andere partij verzonden. Motivering Feiten Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast: 2.1 Eiser is geboren op [datum] 1942 en gehuwd met [echtgenote]. 2.2 In februari 2005 hebben de bevoegde Belgische belastingautoriteiten in het kader van de spontane uitwisseling van informatie op grond van de Richtlijn 77/799/ EEG van 19 december 1977 van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten op het gebied van de directe belastingen (kortweg: de Bijstandsrichtlijn) gegevens verstrekt aan de FIOD/ECD team Internationaal. De gegevens bestaan uit een Nota met twaalf bijlagen. De bijlagen behorende bij de Nota zijn genummerd als B1, B2, enzovoorts. B1, B2 en B6 zijn zogenoemde rekeningbestandenlijsten. B9 betreft een adressenlijst. 2.3 In de Nota staat vermeld dat het gegevens betreft van de bank Van Lanschot Bankiers Luxembourg (hierna: Van Lanschot). De gegevens zijn door het Belgische Parket in beslaggenomen bij een huiszoeking bij een verdachte. 2.4 In maart 2007 is binnen de Belastingdienst het project “Bank Zonder Naam” (hierna het Project) gestart. Doel van het Project was het op projectmatige wijze behandelen van de in 2005 van de Belgische autoriteiten verstrekte gegevens, door middel van het identificeren en sofiëren van de beschikbare renseignementen, ten einde de niet aangegeven inkomen- en vermogensbestanddelen (bankrekeningen) alsnog in de belastingheffing te betrekken. 2.5 Ten behoeve van het Project is een draaiboek opgesteld. 2.6 Tijdens het proces van identificatie bleek dat de combinatie van de achternaam van eiser en zijn echtgenote slechts éénmaal in het geautomatiseerde systeem Beheer Van Relaties (BVR) voorkomt. 2.7 In het BVR-systeem zijn alle namen van natuurlijke personen en rechtspersonen die in Nederland wonen of zijn gevestigd opgenomen. Via dit systeem zijn ook historische gegevens te raadplegen. Het BVR-systeem wordt voor wat betreft natuurlijke personen gevoed vanuit de gemeentelijke basisadministratie. Indien en voor zover uit de vergelijking met het systeem BVR slechts 1 persoon met de ingevoerde combinatie van voorletters, achternaam-achternaam naar voren kwam, is deze persoon door verweerder als rekeninghouder aangemerkt. 2.8 Uit renseignementen van 21 december 1994, 5 september 1996 en 28 november 1996 volgt dat bij Van Lanschot een rekening werd gehouden op naam van [naamcombinatie eiser en echtgenote], met rekeningnummer [nummer]. Het saldo op deze rekening bedroeg op 21 december 1994 in totaal f 46.293,43.Dit bedrag is als volgt uitgesplitst: f 1.541,16, f 3.612,27 en f 41.140,00. Het saldo op deze rekening bedroeg op 5 september 1996 in totaal f 346.183.74. Dit bedrag is als volgt uitgesplitst: f 8,71 aan current accounts, f 302.100,00 aan bonds, en f 44.075,00 aan investment funds. Het saldo op deze rekening bedroeg op 28 november 1996 in totaal f 358.775,91. Dit bedrag is als volgt uitgesplitst: f 980,83 aan current accounts, f 313.500,00 aan bonds en f 44.295,08 aan investment funds. 2.9 Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 7 maart 2007 een vragenbrief gestuurd. Bij de vragenbrief is een formulier “verklaring in het buitenland aangehouden bankrekeningen” (hierna: de verklaring) en een formulier “Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekeningen” (hierna: het formulier) gevoegd. 2.10 Eiser heeft de verklaring en het formulier ondertekend op 9 maart 2007 en aan verweerder geretourneerd. Op de verklaring heeft eiser onder de ná 31 december 1994 aangehouden buitenlandse bankrekeningen ingevuld: "Geen buitenlandse bankrekeningen". Op het formulier heeft eiser geschreven: "Er zijn geen bankrekeningen in het buitenland en ook nooit gehad.". 2.11 Verweerder heeft eiser op 19 november 2007 een brief gestuurd, waarin is vermeld dat uit de hem ter beschikking staande informatie blijkt dat eiser of zijn echtgenote een of meerdere bankrekeningen heeft aangehouden in het buitenland, dat eiser niet heeft voldaan aan de informatieverplichting ex artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en dat verweerder genoodzaakt is voor het opleggen van navorderingsaanslagen IB en/of VB uit te gaan van geschatte bedragen. Verweerder heeft eiser tevens op de hoogte gesteld van zijn voornemen om voor 1995 een navorderingsaanslag IB/PVV en een boete (verhoging) op te leggen, alsmede voor 2002 een navorderingsaanslag IB/PVV en een vergrijpboete. 2.12 Met dagtekening 19 december 2007 heeft verweerder aan eiser de navorderingsaanslag IB/PVV 1995 en de boete (verhoging) opgelegd. De navorderingsaanslag IB/PVV 1995 is berekend naar een belastbaar inkomen van € 27.498 (f 60.599), vermeerderd met een bedrag van € 467 (f 1.030) aan heffingsrente. De boete bedraagt € 1.178 (f 2.598). 2.13 Met dagtekening 20 december 2007 heeft verweerder aan eiser de navorderingsaanslag IB/PVV 2002, alsmede bij beschikking de vergrijpboete opgelegd. De navorderingsaanslag IB/PVV 2002 is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.689 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 7.242, vermeerderd met een bedrag van € 434 aan heffingsrente. De vergrijpboete bedraagt € 3.592. 2.14 Bij brief van 10 januari 2008 is namens eiser bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en 2002, alsmede tegen de boete (verhoging) en de vergrijpboete. 2.15 Bij uitspraak op bezwaar van 27 november 2008, derhalve in één geschrift vervat, zijn de navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en 2002, de boete (verhoging) en de boetebeschikking gehandhaafd. 2.16 Verweerder heeft eiser op 20 oktober 2008 een brief gestuurd, waarin is vermeld dat uit de hem ter beschikking staande informatie blijkt dat eiser of zijn echtgenote een of meerdere bankrekeningen heeft aangehouden in het buitenland, dat eiser niet heeft voldaan aan de informatieverplichting ex artikel 47 van de AWR en dat verweerder genoodzaakt is voor het opleggen van navorderingsaanslagen IB en/of VB uit te gaan van geschatte bedragen. Verweerder heeft eiser tevens op de hoogte gesteld van zijn voornemen om de navorderingsaanslagen IB/PVV 1996, 1997, 1998, 1999, 2000, 2001, 2003, 2004 en 2005, navorderingsaanslagen VB 1998, 1999 en 2000, alsmede boetes (verhogingen) en vergrijpboetes op te leggen. 2.17 Met dagtekening 25 november 2008 heeft verweerder aan eiser de navorderingsaanslagen IB/PVV 2001, 2003, 2004 en 2005, alsmede de vergrijpboetes opgelegd. De navorderingsaanslag IB/PVV 2001 is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.383 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.622, vermeerderd met een bedrag van € 558 aan heffingsrente. De vergrijpboete voor 2001 bedraagt € 1.986. De navorderingsaanslag IB/PVV 2003 is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.395 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 7.752, vermeerderd met een bedrag van € 513 aan heffingsrente. De vergrijpboete voor 2003 bedraagt € 2.325. De navorderingsaanslag IB/PVV 2004 is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.556 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 8.328, vermeerderd met een bedrag van € 464 aan heffingsrente. De vergrijpboete voor 2004 bedraagt € 2.498. De navorderingsaanslag IB/PVV 2005 is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.192 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 9.091, vermeerderd met een bedrag van € 370 aan heffingsrente. De vergrijpboete voor 2001 bedraagt € 2.727. 2.18 Bij brief van 8 december 2008 is namens eiser bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV 2001, 2003, 2004 en 2005, alsmede tegen de vergrijpboetes. 2.19 Met dagtekening 31 december 2008 heeft verweerder aan eiser de navorderingsaanslag IB/PVV 1996, de navorderingsaanslag VB 1997 en de boetes (verhogingen) opgelegd. De navorderingsaanslag IB/PVV 1996 is berekend naar een belastbaar inkomen van € 27.980 (f 61.662), vermeerderd met een bedrag van € 576 (f 1.270) aan heffingsrente. De boete bedraagt € 1.299 (f 2.864). De navorderingsaanslag VB 1997 is berekend naar een belastbaar vermogen van € 160.184 (f 353.000), vermeerderd met een bedrag van € 300 (f 663) aan heffingsrente. De boete bedraagt € 678 (f 1.496). 2.20 Bij brief van 21 januari 2009 is namens eiser bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 1996, de navorderingsaanslag VB 1997, alsmede tegen de boetes (verhogingen). 2.21 Met dagtekening 15 augustus 2009 heeft verweerder de navorderingsaanslagen IB/PVV 1997, 1998, 1999 en 2000 en de navorderingsaanslagen VB 1998, 1999 en 2000 opgelegd. De navorderingsaanslag IB/PVV 1997 is berekend naar een belastbaar inkomen van € 32.885 (f 72.471), vermeerderd met een bedrag van € 1.972 (f 4.346) aan heffingsrente. De navorderingsaanslag IB/PVV 1998 is berekend naar een belastbaar inkomen van € 37.207 (f 81.995), vermeerderd met een bedrag van € 2.313 (f 5.098) aan heffingsrente. De navorderingsaanslag IB/PVV 1999 is berekend naar een belastbaar inkomen van € 34.802 (f 76.695), vermeerderd met een bedrag van € 2.338 (f 5.153) aan heffingsrente. De navorderingsaanslag IB/PVV 2000 is berekend naar een belastbaar inkomen van € 36.523 (f 80.488), vermeerderd met een bedrag van € 2.511 (f 5.535) aan heffingsrente. De navorderingsaanslag VB 1998 is berekend naar een belastbaar vermogen van € 240.049 (f 529.000), vermeerderd met een bedrag van € 384 (f 848) aan heffingsrente. De navorderingsaanslag VB 1999 is berekend naar een belastbaar vermogen van € 315.831 (f 696.000), vermeerderd met een bedrag van € 609 (f 1.343) aan heffingsrente. De navorderingsaanslag VB 2000 is berekend naar een belastbaar vermogen van € 255.024 (f 562.000), vermeerderd met een bedrag van € 351 (f 774) aan heffingsrente. 2.22 Bij brief van 7 september 2009 is namens eiser bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV 1997, 1998, 1999 en 2000 en de navorderingsaanslagen VB 1998, 1999 en 2000. 2.23 Bij uitspraak op bezwaar van 2 juli 2010, derhalve in één geschrift vervat, zijn de navorderingsaanslagen IB/PVV 1997, 1998, 1999, 2000, 2001, 2003, 2004 en 2005, de navorderingsaanslagen VB 1997, 1998, 1999 en 2000, alsmede de boetes (verhogingen) en de vergrijpboetes gehandhaafd. Geschil 3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de navorderingsaanslagen, alsmede de boetes (verhogingen) en de vergrijpboetes terecht, en naar het juiste bedrag zijn opgelegd. 3.2 Meer in het bijzonder zijn de volgende vragen in geschil: 3.2.1 Heeft verweerder alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd? 3.2.2 Zijn de gegevens op rechtmatige wijze verkregen, op een zodanig wijze zoals een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht? 3.2.3 Is eiser en/of zijn echtgenote op correcte en juiste wijze als rekeninghouder geïdentificeerd? 3.2.4 Is de navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR in strijd met het gemeenschapsrecht? 3.2.5 Heeft verweerder voldoende voortvarend gehandeld bij het opleggen van de navorderingsaanslagen? 3.2.6 Is de bewijslast terecht omgekeerd en verzwaard en zo ja, is er sprake van een redelijke schatting? 3.2.7 Is de boete terecht opgelegd en tot het juiste bedrag vastgesteld? Is er reden tot matiging van de boete? 3.3 Ter zitting heeft eiser zijn grieven met betrekking tot de heffingsrente laten varen. 3.4 Voor een uitgebreide weergave van de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de van hen afkomstige gedingstukken. Beoordeling van het geschil Met betrekking tot de op de zaak betrekking hebbende stukken 4.1 Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder niet naar behoren heeft voldaan aan de in artikel 8:42 van de Awb vervatte verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. Verweerder betwist dat er andere stukken zijn dan die al zijn overgelegd aan de rechtbank, al dan niet met een beroep op artikel 8:29 van de Awb. 4.2 De rechtbank verwijst voor dit punt naar de uitspraak van de geheimhoudingskamer (zie 1.8) waarin is beslist over de op de zaak betrekking hebbende stukken, alsmede voor welke van deze stukken met een beroep op artikel 8:29, derde lid, van de Awb beperkte kennisneming gerechtvaardigd is geacht. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de verklaring van verweerder dat er geen andere op de zaak betrekking hebbende stukken aanwezig zijn. 4.3 Voor zover eiser heeft gesteld dat hij in de gelegenheid moet zijn om te controleren of verweerders stelling dat 74% van de belastingplichtigen die zijn geïdentificeerd en navorderingsaanslagen hebben ontvangen, 'meewerkt', en dat de van hen afkomstige informatie overeenkomt met de gegevens op de rekeningstandenlijsten, overweegt de rechtbank als volgt. Verweerders stelling dat het verzamelen van de cijfermatige gegevens van al deze personen fysiek vrijwel onmogelijk is, aangezien die gegevens vervat zijn in dossiers van over het gehele land verspreide inspecteurs, wordt onderschreven. De rechtbank onderschrijft eveneens verweerders stelling dat het selecteren van de gegevens van de betreffende groep belastingplichtigen uit de totale gegevens op de rekeningstandenlijsten alsmede het anonimiseren daarvan, een aanzienlijk tijdsbeslag vergt. Verstrekking van de ongeanonimiseerde afdrukken leidt tot een onaanvaardbare inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de daarop vermelde rekeninghouders en vormt om die reden geen bruikbaar alternatief. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat tussen enerzijds het belang van eiser bij kennisneming van de door de meewerkende belastingplichtigen verstrekte gegevens en de met betrekking tot deze personen op de rekeningstandenlijsten vermelde informatie en anderzijds de daaraan verbonden (praktische) bezwaren een zodanige wanverhouding bestaat dat eiser in redelijkheid geen aanspraak op kennisneming van deze gegevens kan maken. Met betrekking tot de rechtmatigheid van het verkregen bewijs 4.4 Eiser stelt dat het bewijs uit België onrechtmatig is verkregen. Vaststaat dat het bewijs afkomstig is van de Belgische overheid. In zoverre is de situatie vergelijkbaar met die waarbij de Belgische overheid gegevens verstrekte die betrekking hadden op rekeningen aangehouden bij de Kredietbank Luxembourg te Luxemburg (KB-Lux). 4.5 De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 21 maart 2008, nr. 43 050, LJN BA 8179, overwogen dat daarbij geen sprake was van onrechtmatig verkregen bewijs. De rechtbank is van oordeel dat dit ook voor het onderhavige geval geldt, nu er geen enkele aanwijzing is dat de Belgische overheid de hand heeft gehad in de ontvreemding van gegevens van Van Lanschot en ook anderszins voor de Nederlandse belastingautoriteiten geen redenen bestonden om aan te nemen dat bij de verkrijging van de gegevens een zo fundamenteel recht van de daarin vermelde personen was geschonden dat het instellen van een nader onderzoek naar de fiscale relevantie van die gegevens ontoelaatbaar moest worden geoordeeld. 4.6 Voor zover eiser met zijn beroep op de Richtlijn van de Raad van de Europese gemeenschappen van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe belastingen, bepaalde accijnzen en heffingen op verzekeringspremies (hierna: Bijstandsrichtlijn) heeft bedoeld te stellen dat de informatie van Van Lanschot is verkregen met schending door de Nederlandse Staat en de Belgische Staat van de soevereiniteit van de Staat Luxemburg, faalt die stelling eveneens. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de Bijstandsrichtlijn uitsluitend is gericht tot de lidstaten en dat belastingplichtigen, zoals eiser, daaraan geen rechten kunnen ontlenen. In onderhavige zaken is verder geen sprake geweest van informatie-uitwisseling tussen Luxemburg en Nederland, maar van het overdragen van gegevens door de Belgische fiscale autoriteiten aan de Nederlandse fiscale autoriteiten. De Bijstandsrichtlijn mist derhalve toepassing (vergelijk Hoge Raad 4 juni 2010, nr. 09/00212, LJN BM0137). De rechtbank zal dan ook geen prejudiciële vragen stellen, zoals eiser verzoekt. Met betrekking tot de vaststelling van de identiteit van de rekeninghouder 4.7 Vaststaat dat bij Van Lanschot (de bank) een rekening werd gehouden op naam van [naamcombinatie eiser en echtgenote] met rekeningnummer [nummer] (zie 2.8). Tijdens het proces van identificatie bleek dat deze combinatie van persoonsnamen slechts éénmaal in het geautomatiseerde systeem van de belastingdienst BVR (Beheer van Relaties) voorkomt: er is sprake van een unieke naam-naam combinatie. BVR bevat de volgende identificerende gegevens: [eiser], geboren op [datum] 1942 die gehuwd is met [echtgenote], geboren op [datum] 1941. Beiden zijn sinds jaren woonachtig aan [adres]. 4.8 De rechtbank is van oordeel dat verweerder met deze unieke naam-naam combinatie met de daarbij behorende persoonsgegevens aannemelijk heeft gemaakt dat eiser en zijn echtgenote moeten worden aangemerkt als degenen op wie het voornoemde renseignement betrekking heeft. Anders dan eiser stelt, acht de rechtbank de door de verweerder gehanteerde identificatiemethode betrouwbaar. De rechtbank neemt daarbij tevens in aanmerking dat uit het identificatieproces slechts één “hit” naar voren kwam. De rechtbank is van oordeel dat de genoemde combinatie van de eisers achternaam tezamen met de achternaam van zijn echtgenote zo specifiek is, dat er geen reden is om aan te nemen dat de vermelding in het renseignement op iemand anders kan slaan. 4.9 De rechtbank passeert de stelling van eiser dat Van Lanschot zou hebben verklaard dat de lijsten met renseignementen niet uit de boekhouding afkomstig zouden zijn, nu hij zijn stelling niet met verifieerbare gegevens heeft onderbouwd. 4.10 De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser en/of zijn echtgenote op correcte en juiste wijze als rekeninghouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.