← Nederland

ECLI:NL:RBLEE:2012:BY2924

RECHTBANK LEEUWARDEN Sector civiel recht zaak-/rekestnummer: 117269 / FA RK 12-29 beschikking van de enkelvoudige kamer d.d. 7 november 2012 inzake [A], wonende te [woonplaats], hierna ook te noemen de man, advocaat mr. J.F. Rouwé-Danes, kantoorhoudende te Leeuwarden, tegen [B], wonende te [woonplaats], hierna ook te noemen de vrouw, advocaat mr. A.J. de Boer, kantoorhoudende te Leeuwarden, en [C], wonende te [woonplaats], hierna ook te noemen pleegmoeder, advocaat mr. Y. Bergsma, kantoorhoudende te Sneek. Procesverloop Bij beschikking van deze rechtbank van 7 maart 2012, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd, is de zaak in handen van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) gesteld met het verzoek een onderzoek te starten. Bij de stukken bevinden zich: - een rapport van de Raad van 3 juli 2012; - een brief van 14 augustus 2012 van de zijde van de man; - een brief van 8 oktober 2012 van de zijde van pleegmoeder. De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van deze enkelvoudige kamer op 9 oktober

  1. Bij de zitting zijn aanwezig: - de man, bijgestaan door mr. J.F. Rouwé-Danes, - de vrouw, bijgestaan door mr. A.J. de Boer, - de pleegmoeder, bijgestaan door mr. Y. Bergsma, - W.G. Douma, namens de Raad, - A. Ytsma, namens Bureau Jeugdzorg Friesland, - I. Hoekstra, namens Jeugdhulp Friesland afdeling Pleegzorg. Motivering De feiten en standpunten van betrokkenen zijn verwoord in de beschikking van 7 maart
  2. De Raad heeft geadviseerd om [X], die nu 7 jaar is en vanaf 1-jarige leeftijd bij pleegmoeder woont, voortaan zijn hoofdverblijfplaats bij de man te laten hebben. De man is het eens met het advies. De vrouw en pleegmoeder zijn het niet eens met het advies. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is voorts gebleken dat Bureau Jeugdzorg zich achter het advies van de Raad schaart. Jeugdhulp Friesland, verantwoordelijk voor de pleegzorg, meent dat de gehechtheidrelatie die [X] met pleegmoeder heeft opgebouwd niet ten gunste van vader doorbroken moet worden. De Raad voert aan dat [X] zich weliswaar goed ontwikkelt bij pleegmoeder, maar dat als de mogelijkheid zich voordoet het de voorkeur verdient dat een kind opgroeit bij (één van) zijn biologische ouder(s). De Raad stelt dat [X] veilig is gehecht en dat hij thans in staat moet worden geacht een wijziging in zijn hoofdverblijf aan te kunnen. De Raad acht de man in staat om [X] te bieden wat hij nodig heeft. De Raad realiseert zich dat dit in het begin ingrijpend voor [X] zal zijn, maar meent dat dit niet opweegt tegen het feit dat hij zijn jeugd grotendeels bij zijn vader zal doorbrengen. De man geeft aan blij te zijn met het advies van de Raad. Hij wil [X] een gedegen opvoeding geven, iets wat [X] volgens hem niet voldoende krijgt bij pleegmoeder. De man geeft aan het contact tussen [X] en de vrouw en tussen [X] en pleegmoeder niet in de weg te staan. De vrouw stelt dat het rapport van de Raad niet compleet is. Volgens de vrouw is er onvoldoende onderzocht wat een plaatsing bij de man voor [X] betekent en wat de gevolgen zullen zijn. De vrouw voert aan dat [X] veilig gehecht is aan pleegmoeder en dat hij de mogelijkheden heeft om zich goed te ontwikkelen. De moeder geeft aan dat het [X] bij de man weliswaar aan niets zal ontbreken, maar zij vindt een wisseling in het hoofdverblijf niet in het belang van [X]. De pleegmoeder is van mening dat de Raad voorbij gaat aan het feit dat [X] al jarenlang in een stabiele opvoedingssituatie verkeert en dat de Raad onvoldoende de gevolgen van een plaatsing van [X] bij zijn vader heeft onderzocht. Ter beoordeling van de rechtbank ligt de vraag of [X] het best verder kan opgroeien bij zijn vader of bij zijn pleegmoeder. Nu de ouders van [X] het oneens zijn over hoe deze vraag moet worden beantwoord, geldt dat de rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 1:253a BW een zodanige beslissing dient te nemen als haar in het belang van [X] wenselijk voorkomt. Hoewel de man zijn verzoek niet expliciet heeft gestoeld op het bepaalde in artikel 1:253s lid 2 BW, dient naar het oordeel van de rechtbank -zoals ook al overwogen in de beschikking van 7 maart 2012- (mede) getoetst te worden of gegronde vrees bestaat dat bij een beëindiging van de pleegplaatsing de belangen van [X] zouden worden verwaarloosd. Vast staat immers dat ouders altijd op vrijwillige basis hebben ingestemd met een verblijf van [X] in het pleeggezin. Alle betrokkenen zijn het er over eens dat pleegmoeder de primaire hechtingsfiguur is in het leven van [X]. [X] is op 1-jarige leeftijd in het pleeggezin komen wonen. Het hechtingsproces -zo blijkt uit het rapport van de Raad- is na een moeizame start langzaam op gang gekomen, maar is volgens de Raad nu voltooid. [X] is goed gehecht en ontwikkelt zich goed en leeftijdsadequaat. Er zijn geen zorgen vanuit school die anders doen blijken. Het enige punt van aandacht dat -onder meer vanuit school- genoemd wordt en dat ook door pleegmoeder wordt onderschreven, is dat [X] soms star kan zijn. Hij kan moeilijk met veranderingen omgaan. Verder is gebleken dat [X] met zowel zijn vader als met zijn moeder een relatie heeft opgebouwd. Zo verblijft [X] een weekend per maand bij zijn vader en een weekend per maand bij zijn moeder. In het geval dat [X] bij zijn vader zou gaan wonen, zal de huidige echtgenoot van de man, stiefmoeder, het grootste aandeel in de opvoeding van [X] hebben. Vader werkt fulltime en zijn baan brengt mee dat hij ook op zaterdag moet werken. Gedurende de twee dagen dat stiefmoeder werkt, zal haar moeder beschikbaar zijn als oppas. De rechtbank overweegt dat uit recent onderzoek over gehechtheid (Beslissingen over kinderen in problematische opvoedingssituaties, Inzichten uit gehechtheidsonderzoek, F. Juffer 2010) onder meer volgt dat het terugplaatsen van een kind bij een biologische ouder na een jarenlange stabiele opvoedingssituatie in een pleeggezin, moet worden gezien als het aanbrengen van een opzettelijke scheiding, met de uit de gehechtheidsonderzoek bekende negatieve gevolgen voor de ontwikkeling van het kind. Om die reden wordt in het rapport geconcludeerd dat indien de beslissing voor een permanent pleeggezin uiteindelijk genomen is, dit ook een permanent en onomkeerbaar besluit zou moeten zijn. Alleen dan kunnen er stabiele gehechtheidsrelaties gegarandeerd worden aan het betreffende kind. Desgevraagd heeft de Raad ter zitting aangegeven dit aspect onderkend te hebben en in het advies betrokken te hebben. Omdat er volgens de Raad eveneens sprake is van een gehechtheidsrelatie tussen [X] en de man, meent de Raad dat [X] de overplaatsing aan zal kunnen en dat de negatieve gevolgen zullen meevallen. De rechtbank is hier niet van overtuigd en overweegt daartoe als volgt. Een verhuizing van [X] naar zijn vader, leidt tot een scheiding van zijn primaire hechtingsfiguur, pleegmoeder. Van [X] wordt in dat geval bovendien gevergd dat hij een nieuwe hechtingsrelatie opbouwt met een (derde) moederfiguur, stiefmoeder, die het grootste aandeel in de zorg voor [X] zal hebben. De verhuizing naar vader brengt voorts mee dat [X] zijn vertrouwde leefomgeving met school en vriendjes kwijt zal raken. De Raad veronderstelt dat de negatieve gevolgen van deze overplaatsing voor [X] mee zullen vallen. Het raadsrapport biedt naar het oordeel van de rechtbank echter geen aanknopingspunten voor deze veronderstelling. Dat opgemerkt wordt dat [X] soms star is en het moeilijk vindt om te schakelen, geldt in dat verband eerder als tegenargument. Naar het oordeel van de rechtbank moet dan ook geconcludeerd worden dat het risico bestaat -en ook de Raad kan dit niet uitsluiten- dat [X] blijvend nadelige gevolgen van deze ingrijpende gebeurtenis zal ondervinden. Met name gezien de belaste voorgeschiedenis van [X] en de daarop volgende, moeizaam tot stand gekomen hechting met pleegmoeder, als ook het gegeven dat [X] zich bij pleegmoeder thans goed ontwikkelt en goed kan blijven ontwikkelen, is de rechtbank met de afdeling Pleegzorg van Jeugdhulp Friesland van oordeel -zonder daarmee overigens de opvoedingscapaciteiten van de man en stiefmoeder in twijfel te trekken- dat dit risico niet genomen moet worden. De rechtbank overweegt daarbij nog dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting naar voren is gekomen dat de huidige situatie, waarin voor [X] onduidelijkheid is ontstaan over zijn toekomstperspectief, nu al zeer belastend voor hem is. Zo laat [X] signalen zien die duiden op angst om verlaten te worden en heeft hij zich bij de laatste omgangsmomenten verzet tegen een bezoek aan zijn vader. Het belang bij duidelijkheid op korte termijn is derhalve zeer groot. Mede om die reden acht de rechtbank nader onderzoek door de Raad, dan wel door een door de rechtbank te benoemen deskundige niet aan de orde. De stelling van de Raad dat het belangrijk is dat [X] in zijn volwassen leven zal kunnen terugkijken op een jeugd die hij grotendeels bij zijn biologische vader heeft doorgebracht leidt niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten dat daar het trauma van de scheiding van pleegmoeder tegenover zou staan, stelt de rechtbank vast dat er thans ook al een belangrijke plaats voor vader in het leven van [X] is. Deze plaats kan zelfs groter worden doordat bijvoorbeeld een uitgebreide(re) vakantieregeling voor alle betrokkenen heel goed bespreekbaar is. Voorts kan vader (nog meer) betrokken zijn bij de schoolgang van [X], zijn sportactiviteiten etc. Pleegmoeder staat, zo is uit de stukken en ook ter zitting gebleken, positief tegenover een dergelijke uitbreiding dan wel verdieping van het contact tussen vader en [X]. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank een verder verblijf bij pleegmoeder de meest wenselijke hoofdverblijfplaats voor [X] acht. Doordat een scheiding van pleegmoeder schadelijke gevolgen voor [X] kan meebrengen is naar het oordeel van de rechtbank evenzeer voldaan aan het hiervoor genoemde criterium van artikel 1:253s BW. Het verzoek van de man zal dan ook worden afgewezen. De rechtbank benadrukt dat het belangrijk is dat [X] de ruimte krijgt contact te onderhouden met alle volwassenen om hem heen. In het verleden is er altijd een goede samenwerking geweest en het zou niet goed voor [X] zijn dat deze samenwerking wordt verstoord door een rechterlijke beslissing. De rechtbank heeft er vertrouwen in dat alle betrokkenen het belang van [X] voorop blijven stellen en de strijd over het hoofdverblijf, zo die mocht bestaan, opgeven. [X] is gebaat bij rust en duidelijkheid. Beslissing De rechtbank: wijst het verzoek van de man af. Deze beschikking is gegeven te Leeuwarden door mr. I.M. Dölle, lid van de kamer, tevens kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op woensdag 7 november 2012 in tegenwoordigheid van de griffier. (fn: 31/98) Van deze beschikking kan binnen 3 maanden hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden. Indien u in deze procedure bent verschenen start deze termijn op de dag van de uitspraak. Als u niet in de procedure bent verschenen kan de termijn op een latere datum beginnen. Volgens de wet bent u verplicht om voor het instellen van hoger beroep een advocaat in te schakelen. In verband met de beperkte termijn dient u zo spoedig mogelijk contact met uw/een advocaat op te nemen! De griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.