RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Heerlen Burgerlijk recht zaakno: 513917 EJ VERZ 13-33 Beschikking van de kantonrechter van 11 april 2013 op het verzoek van [verzoeker] , gevestigd te [woonplaats 1], verder ook te noemen: de werkgever, gemachtigde: mr. K.J.J.W. Smedts te Nijmegen, tot ontbinding van haar arbeidsovereenkomst met [verweerder] , wonende te [woonplaats 2], verder ook te noemen: de werknemer, gemachtigde: mr. R. van der Hulle te Amsterdam. 1Het verloop van de procedure 1.1 De werkgever heeft op 25 februari 2013 het verzoekschrift ingediend. De werknemer heeft op 27 februari 2013 een verweerschrift ingediend. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 28 februari 2013, tegelijk met de mondelinge behandeling van het door de werknemer tegen de werkgever bij exploit van 13 februari 2013 aanhangig gemaakte kort geding. Beide partijen hebben hun standpunten toegelicht onder overlegging van pleitaantekeningen, die zowel in deze verzoekschriftprocedure als in het kort geding deel uitmaken van de processtukken. Ter mondelinge behandeling heeft de kantonrechter mondeling tussenbeschikking gegeven en -vonnis gewezen, houdende een bewijsopdracht aan de werkgever, zoals vastgelegd in het proces-verbaal van 28 februari 2013. In de enquête aan de zijde van de werkgever zijn op 19 maart 2013 als getuigen gehoord de bestuurders/eigenaren van de werkgever, [bestuurder 1] en [bestuurder 2], en [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4]. In de contra-enquête aan de zijde van de werknemer zijn op 8 april 2013 als getuigen gehoord de werknemer, [getuige 5] en [getuige 6]. Verwezen wordt naar de hiervan opgemaakte processen-verbaal 1.2 Beschikking is bepaald op heden. Het eveneens op heden gewezen vonnis is aan deze beschikking gehecht en wordt geacht hier te zijn herhaald en ingelast. 2De feiten De werknemer, geboren op 3 juli 1959, is op 20 augustus 2007 in dienst van de werkgever getreden krachtens een arbeidsovereenkomst voor (thans) onbepaalde tijd, tegen een bruto salaris van (thans) € 4.010,54 per maand exclusief 8% vakantiebijslag. De werknemer is sinds 12 november 2012 arbeidsongeschikt. De werkgever heeft de werknemer op die datum op staande voet ontslagen wegens een dringende reden. Sedertdien heeft de werknemer niet voor de werkgever gewerkt en heeft deze geen loon betaald. 3Het verzoek en het verweer 3.1 De werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen, primair gevormd door de dringende reden en subsidiair door (andere) veranderingen in de omstandigheden op grond waarvan de arbeidsovereenkomst tegen de vroegst mogelijke datum dient te eindigen. Het verzoek wordt gedaan “uitdrukkelijk voor het geval dat het gegeven ontslag op staande voet van 12 november 2012 ten onrechte is gegeven.” 2.2 De werknemer voert verweer. Hij bestrijdt dat hij een dringende reden voor ontslag op staande voet heeft gegeven en dat de omstandigheden (overigens) zodanig zijn veranderd dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst niet mogelijk zou zijn. 4De beoordeling 4.1 De voorwaarde (“uitdrukkelijk voor het geval dat”, zie hierboven onder 3.1) waaronder het verzoek is gedaan, is niet vervuld. De kantonrechter heeft immers bij vonnis in kort geding van heden geoordeeld dat het ontslag op staande voet van 12 november 2012 terecht is gegeven. De andere aan het verzoek ten grondslag gelegde gedragingen van de werknemer dan de verduistering die de dringende reden voor het ontslag op staande voet vormde, zijn door de werknemer gemotiveerd betwist, door de werkgever niet aannemelijk gemaakt en overigens zo lang geleden en gelet op het verder vlekkeloze functioneren van de werknemer zo gering van gewicht dat zij niet kunnen gelden als veranderingen van omstandigheden die noodzaken tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst. 4.2 Het verzoek wordt afgewezen. De proceskosten worden gecompenseerd aldus dat elk van partijen de eigen kosten draagt omdat met dit oordeel formeel de werkgever maar materieel de werknemer de in het ongelijk gestelde partij is. 5De beslissing De kantonrechter: wijst het verzoek af en compenseert de proceskosten. Deze beschikking is gegeven door mr. E.P. van Unen, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2013.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.