RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Burgerlijk recht / Kantonrechter Zaaknummer 497208 CV EXPL 12-4209 Vonnis van 25 september 2013 in de zaak [eiseres], wonend te [adres], verder ook te noemen: “[eiseres]”, eisende partij, gemachtigde: mr. I. Wudka, advocaat te Maastricht tegen STICHTING MOSAE ZORGGROEP, gevestigd en kantoorhoudend te (6213 EC) Maastricht aan de Médoclaan 66, verder ook te noemen: “Mosae”, gedaagde partij, gemachtigde: mr. M.M.J.F. Sijben, advocaat te Heerlen VERLOOP VAN DE PROCEDURE [eiseres] heeft Mosae bij dagvaarding van 25 september 2012in rechte betrokken voor een vordering als uiteengezet in het exploot van dagvaarding, tegelijk waarmee aan Mosae veertien (deels omvangrijke en/of meervoudige) producties betekend zijn. Mosae heeft, na herhaald uitstel, schriftelijk geantwoord en zij heeft bij die gelegenheid harerzijds twee producties aan het dossier doen toevoegen. Bij een na herhaald uitstel eerst op 17 april 2013 genomen repliek had [eiseres] de aanvullende producties 16 (?) tot en met 18 gevoegd (een nummer 15 ontbreekt aldus), waarna Mosae - eveneens na herhaald uitstel - van dupliek gediend heeft. Hierna is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak nader op vandaag gesteld is. Het door [eiseres] gedane verzoek om (verdere) aanhouding van de uitspraak in verband met een bij dagvaarding van 3 juli 2013 door haar ingestelde en inmiddels ook aangebrachte andere vordering tegen Mosae (gegrond op art. 7: 658 BW en/of art. 7:611 BW) is niet gehonoreerd, nu Mosae daar op goede gronden bezwaar tegen aangetekend had. MOTIVERING a. het geschil [eiseres] vordert - naast een verklaring van recht dat Mosae de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk opgezegd heeft (‘ te bepalen voor recht dat het door Mosae aan [eiseres] met ingang van 31 maart 2012 verstrekte ontslag kennelijk onredelijk is’) - de veroordeling van Mosae - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling van € 123 614,09 (kennelijk bruto), althans ‘de vaststelling’ van een in goede justitie te bepalen ander bedrag aan schadevergoeding, nog te vermeerderen met de wettelijke rente ‘vanaf het uitbrengen van de onderhavige dagvaarding’. [eiseres] vordert geen verwijzing van Mosae in de proceskosten. Subsidiair ‘beperkt’ zij haar vordering tot ‘de vaststelling van een schadevergoeding naar redelijkheid en billijkheid door U.E.A Kantonrechter in goede justitie waarbij rekening wordt gehouden met de derving in lengte van jaren van significante inkomsten, zowel te verdienen bij de Stichting Mosae als bij de Stichting Zusters onder de Bogen’. Eveneens ‘subsidiair’, maar wel in een afzonderlijke vierde alinea van het petitum, duidt [eiseres] een (deel)vordering aldus aan: “met toepassing van een vergoeding krachtens de zogenaamde actuele Kantonrechtersformule” (verder niet uitgewerkt of in een geldbedrag uitgedrukt, net zo min als de hiervoor geciteerde subsidiaire vordering). [eiseres] baseert haar vorderingen - samengevat - op een lang dienstverband bij (een van de rechtsvoorgangsters van) Mosae waaraan naar haar oordeel op kennelijk onredelijke wijze door opzegging tegen 1 april 2012 een einde gekomen is na verkregen toestemming van het UWV WERKbedrijf in verband met arbeidsongeschiktheid die reeds langer dan twee jaren bestond. De veronderstelde kennelijke onredelijkheid zoekt [eiseres] in het gevolgencriterium van art. 7:681 lid 2 aanhef en sub b. BW. Zij is van oordeel dat zowel de duur van het dienstverband als haar arbeidsongeschiktheid een verplichting voor Mosae met zich brengt om het nadeel van het wegvallen van (mogelijkheden tot) passend werk financieel te compenseren. Tot de schade die zij door het wegvallen van haar werk bij Mosae zegt te lijden, rekent [eiseres] eveneens het (door haar verminderde arbeidsvermogen veroorzaakte) wegvallen van de mogelijkheid om (weer) inkomsten te verwerven uit extra arbeid in loondienst. Zij wijst dan op een per 1 september 2009, volgens [eiseres] tijdelijk, beëindigd ‘afroepcontract’ bij ‘de Stichting de Zusters onder de Bogen’, waar zij 2½ jaar een tweede baan had. [eiseres] verwacht nooit meer aan het werk te komen en noemt dit in haar repliek een ‘jammerlijke doch realistische optie’. Zij wijdt veel woorden in haar exploot en repliek aan een verondersteld verband tussen die arbeidsongeschiktheid (die geleid heeft tot toekenning van een WGA-uitkering per 27 september 2011, na bezwaar van de zijde van Mosae gewijzigd in een IVA-uitkering bij een ‘geringe kans op herstel’) en een incident d.d. 26 september 2009 tijdens de vervulling van haar werkzaamheden voor Mosae. Voor dit als arbeidsongeval aangemerkte voorval houdt [eiseres] Mosae aansprakelijk en zij is deswege op 3 juli 2013 een tweede procedure tegen haar vroegere werkgeefster gestart. [eiseres] weerspreekt in voortgezet debat de tegenwerpingen die Mosae bij antwoord naar voren gebracht heeft .Zij blijft in haar repliek de vordering ex 7:681 BW vooral beargumenteren met stellingen die beogen de aansprakelijkheid van Mosae krachtens art. 7:611 en art. 7:658 BW aannemelijk te maken ter zake van schade die [eiseres] in haar recente en toekomstige inkomsten zegt te hebben ondervonden respectievelijk denkt nog te zullen ondervinden. In haar pertinente verweer tegen de vorderingen van [eiseres] laakt de thuiszorgorganisatie Mosae de vele onjuistheden en inconsistenties in het betoog van [eiseres] en pleit zij voor algehele afwijzing van de ingestelde vordering(en). Mosae acht zich niet aansprakelijk voor (de gevolgen van) het arbeidsongeval van september 2009, betwist dat zij in haar zorgplicht ten opzichte van [eiseres] tekortgeschoten is of enige publiekrechtelijke veiligheidsregel geschonden heeft en stelt dat zij [eiseres] niet had kunnen beschermen tegen ‘het gevaar van plotseling omvallende cliënten’ (een conclusie waartoe ook de aansprakelijkheidsverzekeraar van Mosae na inschakeling van een expert gekomen was). Mosae bestrijdt dat zij voor de dekking van een ongevalrisico als het onderhavige ten aanzien van [eiseres] een afzonderlijke verzekeringsverplichting had. De twee redenen die [eiseres] aanvoert om de opzegging als kennelijk onredelijk te kwalificeren, gaan volgens Mosae niet op. Daargelaten of [eiseres] wel zo ernstig arbeidsongeschikt is ‘als zij het wil doen voorkomen’, levert de enkele omstandigheid van een opzegging wegens arbeidsongeschiktheid van langere duur na een langdurig dienstverband geen (zelfstandige) grond op voor het toekennen van een vergoeding bovenop de doorbetaling van loon gedurende de voorgeschreven twee jaren. Daarom is er geen sprake van kennelijke onredelijkheid van de opzegging, zodat een toe te wijzen schadevergoeding niet aan de orde komt. Mosae wijst er nog op dat [eiseres] het aanbod van de WA-verzekeraar van Mosae (in combinatie met de WA-verzekeraar van [naam], de omgevallen ‘cliënte’) om haar bij wijze van coulance € 10 000,00 tegen finale kwijting uit te keren, afgewezen heeft. Als de opzegging al als kennelijk onredelijk gekwalificeerd moet worden, valt de schadeberekening van [eiseres] niet goed te volgen. Die is alleen al onjuist omdat [eiseres] in de schade tevens het gederfde loon in een beëindigd dienstverband bij een andere werkgever betrekt en de geprognosticeerde schade tot de pensioenleeftijd uitstrekt. Waar nuttig en nodig - en voor zover al niet tot uitdrukking komend in de opsomming onder b. van feiten die zijn komen vast te staan - zullen specifiekere en/of meer in detail tredende stellingen van partijen aan de orde komen en gewogen worden bij de beoordeling onder c. de feiten en omstandigheden Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, althans niet of ondeugdelijk weersproken, en mede op basis van de inhoud van in dit opzicht onbetwist gebleven producties staat tussen partijen het navolgende vast. [eiseres] is in 1978 kort in loondienst van (een rechtsvoorgangster van) Mosae geweest, maar heeft tot hernieuwde indiensttreding ‘in 1991’ geen arbeid voor Mosae verricht, zodat de relevante periode gedurende welke Mosae als haar werkgeefster verplichtingen jegens [eiseres] had, ligt tussen het jaar 1991 en 1 april 2012, de datum waartegen de arbeidsovereenkomst door Mosae met toestemming van het UWV WERKbedrijf opgezegd is wegens het ontbreken van een duidelijk werkhervattingperspectief na twee jaar onafgebroken arbeidsongeschiktheid. [eiseres] is geboren op 29 april 1957 en was dus ten tijde van de opzegging 54 jaar oud (bij het einde van haar arbeidsovereenkomst bijna 55 jaar). Voor 24 uur per week vervulde [eiseres] als ‘verzorgende’ in dienst van de thuiszorgorganisatie Mosae taken als het wassen, verzorgen, verplegen en begeleiden van zorgafhankelijke personen van en naar bed en toilet. In een dienst op de Mosae-locatie Daalhof te Maastricht (een woonzorgcentrum) in de nacht van 25 op 26 september 2009 heeft [eiseres] bij het begeleiden van [naam], een cliënte die zich van een rollator bediende en van wie bekend was dat zij slecht ter been was, de zonder concrete aanleiding achterovervallende cliënte met de linkerarm proberen op te vangen en daarbij vermoedelijk haar rug ‘verdraaid’. [eiseres] heeft weliswaar de dienst voltooid, doch zich de daaropvolgende dag, althans kort nadien met rugklachten bij de afdeling spoedeisende hulp van het academisch ziekenhuis Maastricht (AZM) en bij de huisarts gemeld. Bij onderzoek in het AZM is een lumbale wervelfractuur vastgesteld naast een mogelijke fractuur op thoracaal niveau. [eiseres] is toen een gipskorset aangemeten, dat na zes weken vervangen is door een afneembaar korset en na wederom vier weken door een op de persoon afgestemd korset. Na een CT-scan bleek in december 2009 een operatieve ingreep (orthopedisch) geïndiceerd te zijn, maar omdat ook na de operatie klachten aan rug en arm aanhielden, is [eiseres] in juli/augustus 2010 verwezen naar een revalidatiearts en een fysiotherapeut (en voor haar psychische klachten naar een maatschappelijk werker). De re-integratie-inspanningen van Mosae en [eiseres] hebben niet tot resultaat gehad dat [eiseres] in eigen of aangepaste arbeid bij Mosae kon hervatten en hebben evenmin tot herplaatsing bij een andere werkgever geleid. Uit de toestemmingsbeschikking d.d. 7 februari 2012 van het UWV WERKbedrijf kan afgeleid worden (en geen der partijen bestrijdt dit ook) dat er geen reëel herstelperspectief op een termijn van een halfjaar bestond ten tijde van de verleende toestemming tot opzegging (begin 2012). Anders dan Mosae noemt [eiseres] niet de hoogte van het laatstgenoten maandloon in dienst van Mosae (wel zijn bij exploot enige loonspecificaties gevoegd, maar net als de meeste andere producties heeft [eiseres] daar geen enkele relevante toelichting op gegeven noch opheldering over verschaft in de processtukken zelf). Mosae noemt bij antwoord een laatstelijk aan [eiseres] betaald bruto loon van € 1 585,45 per maand, hetgeen [eiseres] bij repliek niet weersproken heeft. Blijkens door [eiseres] ingebrachte loonspecificaties is dit echter het basisloon per periode zonder emolumenten. [eiseres] bestrijdt de opzegging niet naar het gehanteerde motief (art. 7:681 lid 2 aanhef en sub a. BW), maar uitsluitend wegens de volgens haar onevenredige gevolgen (art. 7:681 lid 2 aanhef en sub b. BW). Bij beslissing van 5 december 2011 is [eiseres] door het UWV met ingang van 27 september 2011in het kader van een gehonoreerd IVA-bezwaar voor een periode van drie jaar in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering (nadat haar eerder bij beslissing van 22 augustus 2011 met ingang van 27 september 2011 -voorlopig - een lagere WGA-uitkering toegekend was, die voor de eerste twee maanden een bedrag van € 2 470,37 bruto beliep). [eiseres] heeft geen inzage gegeven in het verloop (de variërende omvang) van de sedertdien aan haar toegekende uitkeringsbedragen bijvoorbeeld via overlegging van uitkeringsspecificaties. Evenmin heeft zij helderheid verschaft over de wijze waarop bij vaststelling van het voor de uitkeringshoogte bepalende WIA-dagloon rekening gehouden is met het loon uit de arbeid die zij tot 1 september 2009 verrichtte als oproepkracht bij ‘Stichting Bejaardenoorden Zusters Onder de Bogen’. Uit het besluit d.d. 5 december 2011 van het UWV valt slechts af te leiden dat de uitkering de eerste twee maanden 75% van het WIA-maandloon van € 3 557,21 beliep (€ 2 667,90 inclusief vakantiebetaling) en dat die per 27 november 2011 op 70% van dat WIA-maandloon gesteld zou gaan worden. Hoe het thans met de gezondheid en de herstelkansen van [eiseres] gesteld is en hoe dit was ten tijde van de opzegging (14 februari 2012) of bij het einde van de arbeidsovereenkomst (31 maart 2012), kan niet aan de hand van medische documenten of deskundige beschrijvingen vastgesteld worden. Alle door [eiseres] ingebrachte stukken ter zake dateren van vóór het jaar 2012. Overigens boden en bieden de gegevens van de verzekeringsgeneeskundige en de arbeidsdeskundige van het UWV (het laatste stuk is slechts voor de helft door [eiseres] gekopieerd en ingebracht) van 29 juni 2011 respectievelijk 18 augustus 2011 (prod. 14 en prod 11 bij exploot) enige hoop voor [eiseres]. Uit de rapportage blijkt weliswaar van ‘verminderde’ mogelijkheden tot werken door ziekte of gebrek, doch tevens van ‘benutbare’ mogelijkheden conform een beperkingenlijst. De verzekeringsarts sprak daarom (bij een ‘onzekere’ medische prognose ter gelegenheid van de overdracht van het dossier aan de arbeidsdeskundige, wier latere conclusie en advies niet uit het onvolledig overgelegde stuk af te leiden zijn), als intentie uit dat ‘medisch heronderzoek’ per juni 2012 aan de orde zou zijn. Enige vervolgrapportage heeft [eiseres] om onbekende redenen aan de kantonrechter en haar wederpartij onthouden, zij het dat bij repliek nog wel de beslissing d.d. 29 november 2011 ingebracht is (als prod. 18), waarbij het UWV het van de zijde van Mosae aangetekende bezwaar gehonoreerd heeft tegen zijn beslissing van 22 augustus 2011 tot toekenning van WGA-uitkering aan [eiseres]. Het UWV was het (voorlopig) met Mosae eens dat [eiseres] (voorlopig) in aanmerking diende te komen voor IVA-uitkering in verband met op dat moment bestaande onzekerheid over duurzaam benutbare arbeidsmogelijkheden. Die beslissing bevat zowel de mededeling dat [eiseres] ‘100% arbeidsongeschikt wordt geacht met een meer dan geringe kans op herstel’ als de wat raadselachtige passage onder het kopje “Heroverweging” dat de ‘VA B&B van mening (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.