RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Parketnummer: 03/703623-09 Datum uitspraak: 6 november 2013 Tegenspraak overeenkomstig artikel 279 Wetboek van Strafvordering Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1], wonende te [adres]. Raadsman is mr. L.P.H. Hameleers, advocaat te [geboorteplaats]. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 25 en 26 februari 2013, waarbij de officier van justitie en de gemachtigde raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Verdachte is niet ter zitting verschenen. Op 6 maart 2013 is het onderzoek ter terechtzitting formeel gesloten. Op 20 maart 2013 werd de heropening van het onderzoek ter terechtzitting bevolen. De zaak is daarna inhoudelijk behandeld op 23 oktober 2013, waarbij de officier van justitie en de raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1: al dan niet samen met [medeverdachte 1] bijstandsfraude heeft gepleegd door opzettelijk na te laten de instantie waarvan zij en/of [medeverdachte 1] een uitkering kreeg in kennis te stellen van de werkzaamheden die zij en/of [medeverdachte 1] verrichtte en/of van de inkomsten die zij en/of [medeverdachte 1] genoot; feit 2: al dan niet samen met een ander of anderen valsheid in geschrifte heeft gepleegd; feit 3: geld en goederen heeft witgewassen; feit 4: al dan niet samen met een ander of anderen opzettelijk harddrugs aanwezig heeft gehad; feit 5: al dan niet samen met een ander zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling dan wel schuldheling van een invalidenparkeerkaart en een toegangspas, dan wel een invalidenparkeerkaart en een toegangspas heeft verduisterd; feit 6: al dan niet samen met een ander of anderen elektriciteit en gas heeft gestolen. Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad. 3De voorvragen 3.1 De ontvankelijkheid van de officier van justitie 3.1.1 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft ten aanzien van de feiten 1 en 2 betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens schending van het gelijkheidsbeginsel. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de partner van verdachte, te weten medeverdachte [medeverdachte 1] gehuwd is geweest met [naam 1]. Verdachte dient zich thans in rechte te verdedigen tegen uitgaven die zijn gedaan in de periode dat [medeverdachte 1] met mevrouw [naam 1] een relatie had. Laatstgenoemde werd echter - in tegenstelling tot verdachte - niet als verdachte aangemerkt. De raadsman heeft voorts aangevoerd dat ook het verstrekken van vertrouwelijke gegevens uit het strafdossier door de officier van justitie aan derden reden is om de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de officier van justitie zonder wettelijke basis heeft gehandeld. 3.1.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft aangevoerd dat hij ten aanzien van de feiten 1 en 2 vrijspraak zal vorderen en hij heeft om die reden het verweer van de raadsman ten aanzien van het gelijkheidsbeginsel verder onbesproken gelaten. Met betrekking tot het verstrekken van vertrouwelijke gegevens heeft de officier van justitie verwezen naar artikel 39f, eerste lid, onder b, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en de daarop gebaseerde Aanwijzing Wjsg. In het kader van handhaving van de openbare orde en veiligheid was hij bevoegd om gegevens te verstrekken. 3.1.3 Het oordeel van de rechtbank Algemeen toetsingskader Alvorens in te gaan op de specifieke punten die de raadsman naar voren heeft gebracht ter staving van zijn niet-ontvankelijkheidsverweer, zal de rechtbank eerst het toetsingskader schetsen dat zij hanteert bij de bespreking van deze verweren. De sanctie van niet-ontvankelijkheid is een van de sancties uit artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna Sv). Deze bepaling heeft betrekking op vormverzuimen tijdens het voorbereidend onderzoek. In zijn standaardarrest van 30 maart 2004, NJ 2004, 376 heeft de Hoge Raad benadrukt dat artikel 359a Sv uitsluitend van toepassing is, indien het vormverzuim is begaan in het verband van het voorbereidend onderzoek naar de ten laste gelegde feiten. Artikel 359a Sv ziet op onherstelbare vormverzuimen waarvan de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken. Als er sprake is van een vormverzuim als hier bedoeld, moet de rechter beoordelen of hieraan enig rechtsgevolg moet worden verbonden. Daarbij dient hij rekening te houden met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie komt, volgens het arrest van de Hoge Raad van 30 maart 2004, als in artikel 359a Sv voorzien rechtsgevolg, slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking, namelijk alleen als de met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. I. Verweer ‘schending van het gelijkheidsbeginsel’ Voor zover de raadsman heeft betoogd dat er sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel overweegt de rechtbank als volgt. Krachtens het in artikel 167, tweede lid, Sv neergelegde opportuniteitsbeginsel, is het aan het openbaar ministerie om te beslissen of - en zo ja - wie vervolgd wordt. Hierbij heeft het openbaar ministerie een ruime discretionaire bevoegdheid. Dit zou anders kunnen zijn indien in identieke gevallen de vervolgingsbeslissing zou verschillen. Van (volstrekt) identieke gevallen is in de onderhavige strafzaak echter geen sprake. De tenlastegelegde perioden onder de feiten 1 en 2 hebben namelijk betrekking op een tijdvak waarop mevrouw [naam 1] niet meer gehuwd was met [medeverdachte 1]. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat het enkele feit dat mevrouw [naam 1] de partner van [medeverdachte 1] is geweest, nog niet maakt dat sprake is van identieke gevallen. II. Verweer ‘verstrekken vertrouwelijke gegevens aan derden’ De raadsman heeft voorts aangevoerd dat ten onrechte vertrouwelijke gegevens uit het strafdossier zijn verstrekt aan derden. De rechtbank is niet gebleken dat vertrouwelijke gegevens zijn verstrekt aan derden. Mocht hiervan al sprake zijn, dan is niet gebleken op welke wijze verdachte hiervan zodanig nadeel heeft ondervonden dat de niet-ontvankelijk verklaring van de officier van justitie de enige juiste sanctie zou zijn. Een dergelijk nadeel is ook niet door de raadsman gesteld. Op de stelling van de officier van justitie dat de wettelijke basis van een verstrekking gevonden zou kunnen worden in het genoemde artikel van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en de daarop gebaseerde Aanwijzing Wjsg is niet meer door de verdediging gerespondeerd. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van een handelen door de officier van justitie met zodanig ernstige gevolgen voor verdachte en haar verdedigingsbelang dat dit zou moeten leiden tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de feiten 1 en 2, aangezien verdachte geen uitkering ontving en dus ook geen gegevens kon verzwijgen. Zij heeft dan ook geen formulieren ondertekend. Feit 3 acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte en haar partner [medeverdachte 1] een groot bedrag hebben uitgegeven, afkomstig uit onverklaarbaar vermogen. De ten laste gelegde periode dient volgens de officier van justitie te worden aangepast, nu verdachte pas met ingang van 1 juli 2008 met [medeverdachte 1] samenwoonde. De uitgaven vóór deze periode dienen op het genoemde bedrag in mindering te worden gebracht, zodat € 97.074,- resteert. Ten aanzien van feit 4 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat dit feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de drugs in de woning van verdachte en haar partner [medeverdachte 1] werden aangetroffen. De drugs zijn door het NFI onderzocht. De officier van justitie heeft gevorderd verdachte vrij te spreken van feit 5, aangezien niet bewezen kan worden dat verdachte wist van de heling van de invalidenparkeerkaart en de toegangspas. De officier van justitie heeft ten slotte ten aanzien van feit 6 aangevoerd dat de zegels van de hoofdaansluiting waren vervangen en dat zowel elektriciteit als gas werd gestolen. Verdachte en [medeverdachte 1] hebben dit feit samen gepleegd. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van de feiten 1 en 2. Hij heeft daartoe aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte enige wetenschap had van het feit dat [medeverdachte 1] een bijstandsuitkering genoot. Verder heeft verdachte nooit formulieren ingevuld of ondertekend en ontving zijzelf geen uitkering. Bovendien is er geen bewijs voorhanden dat verdachte in de ten laste gelegde periode werkzaamheden heeft verricht of inkomsten heeft vergaard. De raadsman heeft verzocht de verklaringen van de moeder en vader van verdachte uit te sluiten van het bewijs, nu deze verklaringen - door het verhoren van de getuigen in elkaars aanwezigheid - onbetrouwbaar zijn. Ook ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman vrijspraak betoogd, aangezien niet kan worden vastgesteld dat verdachte handelingen heeft verricht die zien op het verbergen of verhullen van het aangetroffen geld. Verder is er ook geen bewijs dat verdachte wist dat het geld en/of de goederen die zij gebruikte van misdrijf afkomstig waren. De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van feit 4, nu niet kan worden vastgesteld dat verdachte wist van de aanwezigheid van de drugs in haar woning. Het enkele aantreffen is daartoe onvoldoende. Ten aanzien van de feiten 5 en 6 heeft de raadsman eveneens vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe bij feit 6 aangevoerd dat er geen bewijs is voor betrokkenheid van verdachte bij de beweerdelijke diefstal. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Inleiding Op 5 maart 2008 ontving de sociale recherche van de gemeente Kerkrade een anonieme melding betreffende [medeverdachte 2] en haar partner [medeverdachte 3]. In deze melding werd aangegeven dat [medeverdachte 2] bij haar vader stond ingeschreven, maar feitelijk al ruim twee jaar bij [medeverdachte 3] woonde. Ook werd vermeld dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] vier keer per jaar op vakantie gingen. Na raadpleging van de uitkeringssystemen bleek dat [medeverdachte 2] een bijstandsuitkering ontving van de gemeente Kerkrade als alleenstaande kostganger. [medeverdachte 3] ontving een bijstandsuitkering van de gemeente Sittard-Geleen als alleenstaande. Vervolgens werd een uitgebreid onderzoek gestart naar [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], waarbij verschillende inlichtingen werden ingewonnen. Uiteindelijk ging de sociale recherche over tot observaties bij de woning van [medeverdachte 3]. Tijdens deze observaties kwamen ook [medeverdachte 4] en zijn zoon [medeverdachte 1] in beeld. Ambtshalve was bekend dat beiden een bijstandsuitkering ontvingen. Naar aanleiding van waarnemingen ter plaatse werd ook een onderzoek gestart naar [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1]. Bij dit onderzoek kwam ook verdachte naar voren, als partner van [medeverdachte 1]. Verweer “bewijsuitsluiting” De raadsman heeft verzocht de verklaring van [getuige 1] en [getuige 2], zijnde de ouders van verdachte, van het bewijs uit te sluiten, nu deze verklaringen - door het verhoren van de getuigen in elkaars aanwezigheid – onbetrouwbaar zijn. De rechtbank stelt vast dat eerst de vader van verdachte als getuige is gehoord. Kennelijk heeft dit verhoor plaatsgevonden in aanwezigheid van de moeder van verdachte. Moeder verwijst tijdens haar verhoor namelijk naar de eerder door vader afgelegde verklaring. De rechtbank is van oordeel dat het enkele feit dat vader werd gehoord in het bijzijn van moeder, niets zegt over de betrouwbaarheid van zijn verklaring. Immers niet is gebleken dat hij zou zijn beïnvloed door de aanwezigheid van moeder. De verklaring van moeder zal niet voor het bewijs worden gebruikt, zodat de rechtbank de beoordeling van de betrouwbaarheid van haar verklaring onbesproken zal laten. Ten aanzien van feit 1: Onder feit 1 is aan verdachte ten laste gelegd dat zij in de periode van 27 juli 2009 tot en met 30 september 2009 samen met [medeverdachte 1] in strijd met een wettelijke verplichting heeft nagelaten gegevens te verstrekken die van belang konden zijn in het kader van de aan [medeverdachte 1] en/of haar toegekende bijstandsuitkering. [medeverdachte 1] ontving vanaf 23 november 2007 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande ouder met een gemeentelijke toeslag van 20%. Deze uitkering bedroeg in de periode van januari 2008 tot en met juni 2009 netto minimaal € 935,05 en maximaal € 1.080,50 per maand. In de maanden juli 2009, augustus 2009 en september 2009 werd aan [medeverdachte 1] een bedrag van respectievelijk € 1.044,03, € 1.010,61 en € 1.010,61 netto per maand uitgekeerd. Op grond van het bovenstaande stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 1], zijnde de partner van verdachte, een bijstandsuitkering ontving. De uitkering in de maanden juli tot en met september 2009 is nagenoeg ongewijzigd gebleven ten opzichte van de daaraan voorafgaande maanden. Aan de hand hiervan stelt de rechtbank ook vast dat er kennelijk geen wijzigingen ten aanzien van inkomsten op de maandelijks in te vullen rechtmatigheidsformulieren zijn vermeld. Tijdens een op 5 november 2009 gehouden grootschalige controle, onder andere gericht op witwassen, werd [medeverdachte 1] staande gehouden. Hij reed op dat moment in een terreinauto BMW X5, met kenteken [XX-XX-XX]. [medeverdachte 1] verklaarde dat hij de auto van zijn neef had geleend. De auto stond sinds 21 april 2008 op naam van [medeverdachte 5], geboren op [geboortedatum 2]. De BMW werd in beslag genomen en doorzocht. In de auto trof de politie zes facturen aan van BMW-dealer “De Maassche BV”, die betrekking hadden op onderhoudsbeurten en/of reparaties aan de auto in de periode van 6 mei 2008 tot en met 9 juli 2009. Alle facturen stonden op naam van [medeverdachte 1]. Medeverdachte [medeverdachte 5] heeft verklaard dat hij in de periode van 21 april 2008 tot 5 november 2009 een BMW op naam had. [medeverdachte 1] maakte gebruik van deze auto. De vaste kosten van de auto kreeg [medeverdachte 5] teruggestort op zijn rekening. Vanaf 23 mei 2008 werden van de bankrekening op naam van verdachte diverse bedragen overgeboekt naar de bankrekening ten name van [medeverdachte 5], onder vermelding van ‘[voornaam medeverdachte 1]’ of ‘velgen [voornaam medeverdachte 1]’. Blijkens de bankafschriften van verdachte werd op 28 juli 2009 tweemaal een bedrag van € 640,- en op 22 september 2009 eenmaal een bedrag van € 640,- overgemaakt naar [medeverdachte 5], onder vermelding van ‘[voornaam medeverdachte 1]’. Bij de doorzoeking van de woning van verdachte en [medeverdachte 1] op 26 januari 2010 werden diverse bonnen en facturen aangetroffen. Een van deze facturen betrof een bedrag van € 70,34, op 1 september 2009 betaald aan “De Maassche BV” voor de reparatie van de BMW X5. Op 1 augustus 2009 werd voor een bedrag van € 78,19 getankt. In de BMW X5 werden op naam van [medeverdachte 1] twee rekeningen van respectievelijk 7 augustus 2009 en 10 september 2009 van “De Maassche BV” aangetroffen van in totaal € 308,20. De BMW X5 werd tijdens observaties op 27, 28 en 29 juli 2009 en op 6 en 12 augustus 2009 op de oprit en/of voor de deur bij de woning van [medeverdachte 1] gezien. Op 12 augustus 2009 werd bovendien gezien dat [medeverdachte 1] in de auto reed. Ook werd een op naam van [medeverdachte 1] gestelde factuur d.d. 23 april 2007 aangetroffen betreffende de aankoop van een X5, met kenteken [XX-XX-XX], met inruil van een Passat 1.9 TDI. Een bedrag van € 25.000,- moest worden bijbetaald, waarvan € 1.000,00 werd aanbetaald. Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de BMW X5 feitelijk toebehoorde aan [medeverdachte 1]. Getuige [getuige 1], zijnde de vader van verdachte, heeft op 26 januari 2010 verklaard dat verdachte op dat moment al een kleine twee jaar bij [medeverdachte 1] op het adres [adres] woont. Op de bankrekening ten name van verdachte werden in de tenlastegelegde periode diverse bedragen contant gestort, en wel op 27 juli 2009 een bedrag van € 2.000,-, op 17 augustus 2009 € 1.025,70, op 25 augustus 2009 een bedrag van € 3.175,- en op 15 september 2009 € 500,-. Uit de bankafschriften blijkt dat verdachte in de periode van 27 juli 2009 tot en met 30 september 2009geen inkomen ontving. Bij raadpleging van Suwinet (arbeid en uitkering) bleek dat zij sinds 31 mei 2007 geen inkomsten uit arbeid of anderszins heeft gehad. Op grond van de verklaring van getuige [getuige 1] (verdachtes vader) en op grond van de betalingen die verdachte namens [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 5] verrichtte, stelt de rechtbank vast dat verdachte in ieder geval sedert 23 mei 2008 samenwoonde met [medeverdachte 1] op het adres [adres]. De rechtbank stelt vast dat zij vanaf dat moment ook een gezamenlijke huishouding voerden, nu van de bankrekening van verdachte bedragen werden overgemaakt naar [medeverdachte 5] ten behoeve van een auto die feitelijk bij [medeverdachte 1] in gebruik was. Verdachte ontving geen inkomsten uit arbeid of anderszins, het kan dan ook niet anders dan dat in haar levensonderhoud werd voorzien door haar partner, zijnde medeverdachte [medeverdachte 1]. De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat wanneer partners samenwonen en een gezamenlijke huishouding voeren, zij op de hoogte zijn van elkaars inkomenssituatie. Verdachte moet dan ook geweten hebben dat haar partner een bijstandsuitkering ontving. Met de hoogte van deze uitkering valt niet te rijmen dat gebruik werd gemaakt van een personenauto (BMW X5), die, zo blijkt uit de diverse aangetroffen facturen, zowel in aanschaf als in gebruik duur is. Op de bankrekening van verdachte werden regelmatig grote contante bedragen gestort. Zij heeft gedurende de tenlastegelegde periode echter geen inkomsten uit arbeid of anderszins gehad. Er moeten dan ook inkomsten zijn geweest buiten de uitkering van [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] had deze inkomsten aan de uitkeringsinstantie moeten melden, maar heeft dat nagelaten. Door dit niet te doen heeft hij geen gegevens verstrekt die van belang waren voor de vaststelling van zijn recht op dan wel de hoogte van de uitkering die hij genoot op grond van de Wwb. Ook verdachte kan worden verweten dat geen opgave werd gedaan van genoten inkomsten. Zij heeft daardoor geprofiteerd van de te hoog vastgestelde bijstandsuitkering van [medeverdachte 1]. Zij heeft verder niets gedaan om aan deze onrechtmatige situatie een einde te maken. Onder die omstandigheden kan zij als medepleger worden aangemerkt. De rechtbank acht feit 1 dan ook wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van feit 2: Onder feit 2 is aan verdachte ten laste gelegd dat zij in de periode van 1 januari 2008 tot en met 26 juli 2009 met een ander of anderen valsheid in geschrifte heeft gepleegd. [medeverdachte 1], zijnde de partner van verdachte, ontving vanaf 23 november 2007 een bijstandsuitkering naar de norm alleenstaande ouder met een gemeentelijke toeslag van 20%. Over de perioden van januari 2008 tot en met april 2008 vulde [medeverdachte 1] rechtmatigheidsformulieren in. Hierop heeft hij steeds aangekruist dat geen sprake was van inkomsten. Over de maanden mei 2008 en januari en juli 2009 vulde [medeverdachte 1] gegevensverklaringen Wwb in. Hierop heeft hij steeds aangekruist dat geen sprake was van inkomsten. De uitkering varieerde in de periode van januari 2008 tot en met juli 2009 van minimaal € 935,05 tot maximaal € 1.080,95 netto per maand. Op grond van het bovenstaande stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 1] sedert 23 november 2007 een bijstandsuitkering ontving naar de norm alleenstaande ouder. De uitkering is in de maanden januari 2008 tot en met juli 2009 nagenoeg ongewijzigd gebleven. Aan de hand hiervan stelt de rechtbank ook vast dat er kennelijk geen wijzigingen ten aanzien van inkomsten op de maandelijks in te vullen rechtmatigheidsformulieren of gegevensverklaringen Wwb zijn vermeld. Getuige [getuige 1], de vader van verdachte, heeft op 26 januari 2010 verklaard dat zijn dochter al een kleine twee jaar bij [medeverdachte 1] op het adres [adres] woonde. Uit de bankafschriften van verdachte blijkt dat zij vanaf 19 maart 2008 tot 24 juni 2009 diverse betalingen heeft verricht voor [medeverdachte 1], waaronder verzekeringsgelden ad € 368,14 en aanschaf van velgen ad € 2.527,50. Daarnaast werd onder vermelding van ‘[voornaam medeverdachte 1]’ maandelijks een bedrag van € 400,00 overgemaakt naar de bankrekening van [medeverdachte 5]. Op grond van de verklaring van getuige [getuige 1] en de bankafschriften van verdachte stelt de rechtbank vast dat verdachte in de tenlastegelegde periode samenwoonde met medeverdachte [medeverdachte 1] in de woning aan de [adres]. De rechtbank stelt eveneens vast dat zij in die periode een gezamenlijke huishouding voerden. Dit blijkt onder meer uit de betalingen die zij voor [medeverdachte 1] verrichtte. Verdachte ontving geen inkomsten uit arbeid of anderszins, het kan dan ook niet anders dan dat in haar levensonderhoud werd voorzien door haar partner, zijnde [medeverdachte 1]. De rechtbank stelt vast, zoals onder feit 1 reeds overwogen, dat de termijn van samenwonen aanving op 23 mei 2008. [medeverdachte 5] heeft verklaard dat hij in de periode van 21 april 2008 tot 5 november 2009 een BMW op naam had. [medeverdachte 1] maakte gebruik van deze auto. De vaste kosten van deze auto kreeg hij teruggestort op zijn rekening. In de periode van 29 februari 2008 tot en met 5 mei 2009 heeft verdachte in totaal € 786,- betaald aan bekeuringen, die werden begaan met voornoemde auto. Bij de doorzoeking van de BMW X5 werden op naam van [medeverdachte 1] rekeningen van “De Maassche BV” aangetroffen, gedateerd 6 mei 2008, 22 december 2008, 6 februari 2009, 3 maart 2009, 3 april 2009 en 7 juli 2009, met een totaal bedrag van € 7.234,07. Medewerkers van de sociale recherche constateerden tijdens observaties, (onder andere) in de maand juli 2009, dat de BMW X5, met kenteken [XX-XX-XX], op de oprit van of op de stoep van de woning aan de [adres], zijnde de woning van [medeverdachte 1] en verdachte, stond. Ook werd een op naam van [medeverdachte 1] gestelde factuur d.d. 23 april 2007 aangetroffen betreffende de aankoop van een X5, met kenteken [XX-XX-XX], met inruil van een Passat 1.9 TDI. Een bedrag van € 25.000,- moest worden bijbetaald, waarvan € 1.000,00 werd aanbetaald. Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de BMW X5 feitelijk toebehoorde aan [medeverdachte 1]. Tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] werden diverse facturen aangetroffen, waaronder een factuur van It’s. Bij dit bedrijf werd op 26 maart 2009 een Hifi-set met DVD gekocht ter waarde van € 1.002,60 (inclusief verwijderingsbijdrage). De factuur staat op naam van [medeverdachte 1], [adres]. Het bedrag werd contant betaald. Uit de bankafschriften blijkt dat verdachte in de periode van 1 januari 2008 tot en met 26 juli 2009geen inkomen ontving, met uitzondering van de maand februari 2008 (loon november 2007). Bij raadpleging van Suwinet (arbeid en uitkering) bleek dat verdachte sinds 31 mei 2007 geen inkomsten uit arbeid of anderszins heeft gehad. De rechtbank stelt aan de hand van het voorgaande vast dat [medeverdachte 1] in de periode van 1 januari 2008 tot en met 26 juli 2009, zijnde de tenlastegelegde periode, een bijstandsuitkering ontving van de gemeente Sittard-Geleen. In deze periode werden diverse uitgaven en kasstortingen gedaan die qua hoogte niet passen bij de financiële situatie van een uitkeringsgerechtigde. Ook het bezit, en de daarbij horende (onderhouds)uitgaven van een BMW X5 passen niet bij deze situatie. Het kan dan ook niet anders dan dat verdachte en haar partner [medeverdachte 1] inkomsten hebben genoten in deze periode, niet zijnde inkomsten uit uitkering. [medeverdachte 1] vulde op de rechtmatigheidsformulieren in dat geen inkomsten werden genoten, hij ondertekende deze formulieren en zond ze terug naar de gemeente Sittard-Geleen. Hij heeft daardoor valsheid in geschrifte gepleegd. Ook verdachte kan worden verweten dat er geen opgave werd gedaan van genoten inkomsten. Zoals hiervoor reeds overwogen acht de rechtbank het een feit van algemene bekendheid dat partners die samenwonen en een gezamenlijke huishouding voeren, op de hoogte zijn van elkaars inkomenssituatie. Verdachte voerde sedert 23 mei 2008 een gezamenlijke huishouding met [medeverdachte 1]. Verdachte wist dan ook dat de hoge uitgaven van haar partner en haar geen gelijke tred hielden met de financiële situatie van een bijstandsgerechtigde. [medeverdachte 1] heeft in de tenlastegelegde periode geen inkomsten uit arbeid gehad. Gelet op de uitgaven moesten er echter andere inkomsten zijn dan alleen de inkomsten uit een uitkering. [medeverdachte 1] had deze inkomsten moeten melden. Ook verdachte kan worden verweten dat geen opgave werd gedaan van inkomsten. Zij heeft niets gedaan om aan deze onrechtmatige situatie een einde te maken, maar is blijven profiteren van de te hoog vastgestelde, op onjuiste gegevens gebaseerde uitkering. Onder die omstandigheden kan zij als medepleger worden aangemerkt. De periode waarin dit het geval was, ving - zoals hiervoor reeds door de rechtbank werd overwogen - aan op 23 mei 2008. De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van feit 3: Onder feit 3 is aan verdachte ten laste gelegd dat zij geld en goederen heeft witgewassen. Op grond van hetgeen hiervoor onder feit 1 en 2 reeds is overwogen, kan worden vastgesteld dat verdachte samen met [medeverdachte 1] heeft nagelaten genoten inkomsten te melden en daarnaast valsheid in geschrifte heeft (mede)gepleegd, in de periode dat zij samenwoonden en een gemeenschappelijke huishouding voerden. Die periode ving aan op 23 mei 2008, zoals hiervoor onder feit 1 is overwogen. De rechtbank stelt ook vast dat indien de (aanzienlijke) inkomsten wel waren gemeld, de uitkering op zijn minst op een lager bedrag was vastgesteld. Verdachte heeft zich dus samen met [medeverdachte 1] schuldig gemaakt aan strafbare feiten en daardoor heeft [medeverdachte 1] (deels) onterecht een uitkering ontvangen, waarvan verdachte op haar beurt heeft geprofiteerd. Er kan dan ook worden vastgesteld dat verdachte door te profiteren van de te hoog vastgestelde bijstandsuitkering van [medeverdachte 1] gelden uit misdrijf heeft verkregen. Daarnaast waren er uitgaven die niet pasten bij de financiële situatie van een uitkeringsgerechtigde, hetgeen verdachte ook geweten moet hebben. Vaststaat ook dat verdachte in de tenlastegelegde periode geen legale inkomsten heeft genoten. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Aan de hand van een kasopstelling, gemaakt over de periode van 1 januari 2002 tot en met 26 januari 2010, is geconstateerd dat in deze onderzoeksperiode de uitgaven de legale inkomsten ver overstijgen. Zoals hiervoor reeds werd overwogen onder de feiten 1 en 2 zijn er in de ten laste gelegde periode (1 januari 2008 tot en met 26 januari 2010) uitgaven geweest die niet passen bij de financiële situatie van een bijstandsgerechtigde, zoals de aanschaf van een Hifi set ad € 1.002,60 en onderhouds- en reparatiekosten van de personenauto BMW X5 ad € 5.411,85. Op de bankrekening van verdachte werden in de tenlastegelegde periode bedragen gestort. Op 27 juli 2009 werd € 2.000,- gestort, op 17 augustus 2009 € 1.025,70, op 25 augustus 2009 € 3.175,- en op 15 september 2009 € 500,-. Uit de bankafschriften blijkt dat verdachte in de periode van 27 juli 2009 tot en met 30 september 2009geen inkomen ontving. Bij raadpleging van Suwinet (arbeid en uitkering) bleek dat verdachte sinds 31 mei 2007 geen inkomsten uit arbeid of anderszins heeft gehad. De rechtbank is van oordeel dat voornoemde uitgaven niet verklaard kunnen worden vanuit de legale inkomsten uit bijstandsuitkering die [medeverdachte 1] genoot. De rechtbank overweegt dat verdachte geen plausibele verklaring heeft gegeven voor de hoge uitgaven en de grote stortingen op haar bankrekening, hetgeen wel van haar onder de gegeven omstandigheden verlangd kon worden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het niet anders kan dan dat de inkomsten geen legale herkomst hebben en dus van criminele activiteiten afkomstig zijn. Van de gelden werden onder andere luxe goederen aangeschaft. De rechtbank acht feit 3 dan ook wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van feit 4: Onder feit 4 is aan verdachte ten laste gelegd dat zij samen met een ander of anderen opzettelijk harddrugs aanwezig heeft gehad. Op 26 januari 2010 werd de woning aan de [adres] doorzocht. In de woning werden aangehouden verdachte en [medeverdachte 1]. Tijdens de doorzoeking werden vier qua vorm en uiterlijke verschijningsvorm op XTC gelijkende tabletten aangetroffen. Deze lagen in het keukenkastje van het keukenblok rechts naast het fornuis. De tabletten werden in beslag genomen en voor nader onderzoek naar het NFI gestuurd. Onderzoek door het NFI wees uit dat de tabletten MDMA bevatten. De rechtbank stelt vast dat vier tabletten van een materiaal bevattende MDMA in de woning van verdachte en [medeverdachte 1] werden aangetroffen. De tabletten bevonden zich in een kastje dat voor de bewoners van het pand vrijelijk toegankelijk was en dat bijna dagelijks door de bewoners gebruikt moet zijn. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat verdachte wist dat de tabletten in haar woning lagen. Ditzelfde geldt ook voor haar partner, [medeverdachte 1]. Verdachte heeft dit feit dan ook samen met een ander gepleegd. Feit 4 kan dan ook wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. Ten aanzien van feit 5: Onder feit 5 is aan verdachte ten laste gelegd dat zij samen met een ander een invalidenparkeerkaart en een toegangspas voor de binnenstad van Sittard heeft geheeld, terwijl zij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat deze van misdrijf afkomstig waren. De rechtbank acht het tenlastegelegde onder feit 5, evenals de officier van justitie en de raadsman, niet wettig en overtuigend bewezen. De kaarten werden immers in de BMW X5, in gebruik bij [medeverdachte 1], in beslag genomen. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte wist van de aanwezigheid van de kaarten in de auto van [medeverdachte 1]. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van feit 5. Ten aanzien van feit 6: Onder feit 6 is aan verdachte ten laste gelegd dat zij samen met een ander elektriciteit en gas heeft gestolen. Op 26 januari 2010 werd de woning aan de [adres] doorzocht, zijnde de woning van verdachte en [medeverdachte 1]. Tijdens de doorzoeking bleek dat mogelijk sprake was van diefstal van energie. In de garage werd een gasmeter aangetroffen met meternummer 10958029. Op de correcte plaats in de meterkast werd, naar later bleek, een Enexis gasmeter aangetroffen met gasmeternummer 93967101. Een medewerker van Enexis constateerde dat sprake was van diefstal van stroom, door middel van een illegale aansluiting op de onderzijde van de zekeringhouders en van diefstal van gas door middel van het gebruik van een tweede gasmeter. Nader onderzoek wees uit dat aan de onderzijde van een zekeringhouder een illegale elektriciteitsaansluiting was gemaakt. Deze aansluiting liep buiten de elektriciteitsmeter om en voorzag de groep van de wasmachine en droger in de groepenkast van spanning. Door de manipulatie werd afgenomen elektriciteit ten behoeve van de wasmachine en droger niet correct via de elektriciteitsmeter geregistreerd. Op foto’s werd vastgelegd hoe in de meterkast een illegale elektriciteitsaansluiting werd afgetapt. De gasmeter van Enexis en de gasmeter die in de garage werd aangetroffen waren beide voorzien van teflon-tape om op deze wijze een gasdichte aansluiting te verkrijgen. Deze wijze van afdichting wordt nooit door medewerkers van Enexis toegepast en is dus door (een) derde(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.