RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Strafrecht Parketnummer : 04/800125-12 Datum uitspraak : 2 april 2013 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte], geboren te [geboortedatum en plaats], wonende te [adres en woonplaats].
(1)meter hoog oplaaiden. Vrijwel tegelijkertijd zag ik dat er bovenaan de trap eveneens vuur ontstond. Op dat moment was ik erg bang. Wij zaten op de trap ingesloten tussen twee vuren. Ik was bang dat mijn kleding, waarop ik benzine had gekregen mogelijk vlam zou vatten of dat er gezien de zware benzinedampen mogelijk een ontploffing ontstond. Ik vreesde op dat moment voor mijn leven en besefte dat [verdachte] ons echt dood wilde hebben. Ik ben hierop de trap naar beneden gerend. Ik ben vervolgens door de vlammen bij de voordeur naar buiten gerend. De camerabeelden van 3ML, hierboven vermeld onder C, D en E. Overweging Ten aanzien van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte heeft vanuit het raam op de eerste verdieping benzine naar beneden gegooid. [slachtoffer 5] relateert dat hij druppels benzine op zich kreeg. Op het moment dat verdachte de brandende benzine van boven langs de voordeur naar beneden gooide, bevond [slachtoffer 5] zich in de woning, op de trap. De rechtbank is van oordeel dat [slachtoffer 5], gelet op de afstand tussen hem en het vuur bij de voordeur, in de woning niet de aanmerkelijke kans heeft gelopen te overlijden of zwaar lichamelijk letsel op te lopen. Hetzelfde geldt naar het oordeel van de rechtbank voor het moment dat hij over het vuur in de deuropening naar buiten sprong. Hij had weliswaar benzine op zijn kleding, maar uit de camerabeelden en uit zijn eigen verklaring blijkt dat het slechts 'druppels' betrof. Daarnaast was het vuur bij de voordeur op dat moment nog slechts zo laag dat hij er overheen kon springen zonder door het vuur geraakt te worden. Gelet op het vorenoverwogene acht de rechtbank het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde ten aanzien van [slachtoffer 5] niet wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van het onder feit 1 meer subsidiair ten laste gelegde acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 5] heeft bedreigd met zware mishandeling, door benzine tegen zijn lichaam te gooien en brandende benzine op de grond voor het huis te gooien, terwijl [slachtoffer 5] zich op dat moment in het huis op korte afstand van die plek bevond. Zoals hiervoor ten aanzien van [slachtoffer 2] overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte op zijn minst genomen het voorwaardelijk opzet heeft gehad op het bedreigen van de aanwezige personen – waaronder [slachtoffer 5] – met zware mishandeling. Nu [slachtoffer 5] daarnaast relateert dat hij bang was dat zijn kleding, waarop benzine was gespat, vlam zou vatten en hij voor zijn leven vreesde, acht de rechtbank ten aanzien van [slachtoffer 5] het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. [slachtoffer 6] Verbalisant [slachtoffer 6], hoofdagent van regio Limburg Noord, relateert – zakelijk weergegeven – : Op 21 juni 2012 was ik in dienst in de hoedanigheid van surveillancehondgeleider van Regiokorps Limburg-Noord, politiedistrict Midden-Limburg. Ik en collega [slachtoffer 5] waren ter assistentie gevraagd bij een handhavingsactie van de [gemeente] die plaats zou gaan vinden op de [adres] te [plaats]. Ik hoorde dat collega [slachtoffer 2] om assistentie riep. Ik hoorde dat [slachtoffer 2] zei dat bewoner [verdachte] molotovcocktails in zijn handen had en hiermee rond had gesproeid. Hierop ben ik, samen met collega hondengeleider [slachtoffer 5], onmiddellijk ter plaatse gegaan. Ik hoorde dat collega [slachtoffer 5] riep dat we nu naar binnen moesten om collega [slachtoffer 7] te ontzetten. Ik zag dat collega's [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] de deur opentrapten en dat collega [slachtoffer 3] naar binnen rende. Direct hierna volgde ik, samen met collega [slachtoffer 5]. Op dat moment hoorde ik iemand rechts van mij roepen: "Kijk uit!". Instinctief keek ik naar boven en ik zag verdachte [verdachte] uit het raam op de eerste verdieping hangen. Ik zag dat verdachte [verdachte] mij aankeek terwijl hij een fles naar beneden hield. Ik zag dat uit de fles vloeistof naar beneden kwam vallen. Ik probeerde nog weg te komen maar het was al te laat waardoor de vloeistof op mijn bovenlichaam terechtkwam. Ik voelde de vloeistof in mijn nek, op mijn rug en op mijn linkerarm. Ik rook direct een sterke benzinegeur en besefte onmiddellijk dat de verdachte benzine op mij had gegooid met als doel mij in brand te kunnen steken. Hetzelfde moment hoorde ik collega [slachtoffer 5] roepen: "Kom, naar binnen." Ik bedacht me geen moment en volgde collega [slachtoffer 5] naar binnen waar wij direct de trap op renden. Kort daarna zag ik achter mij hoge vlammen in de toegangsdeur ontstaan die naar binnen sloegen, in de richting van mijn benen. Ik zag dat het vuur slechts enkele centimeters van mijn benen kwam en daarna terugsloeg naar de voordeur waar het vuur bleef branden. Op dat moment zag ik rechts van mij, uit de richting van de woonkamer, collega [slachtoffer 3] aan komen rennen en ik zag dat hij door het vuur in de deuropening de voordeur uit rende. Direct hierna rende ik eveneens door het vuur de voordeur uit. Terwijl ik dat deed, besefte ik ineens dat ik overal op mijn bovenlichaam benzine had en dat het wel eens heel slecht kon aflopen als ik door het vuur zou gaan. Buiten het hekwerk gekomen bleek mij dat ik geen vlam had gevat. Op het moment dat verdachte [verdachte] mij opzettelijk doordrenkte met benzine, had ik het gevoel dat de verdachte mij moedwillig en zeer bewust naar het leven stond door mij in brand te willen steken. Ik vreesde voor mijn leven. De camerabeelden van 3ML, hierboven vermeld onder C, D en E. Overweging Ten aanzien van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte heeft vanuit het raam op de eerste verdieping benzine naar beneden gegoten, dat op het hoofd en bovenlichaam van [slachtoffer 6] terechtkwam. Op het moment dat verdachte brandende benzine richting [slachtoffer 4] gooide –waarbij brandende vloeistof naar beneden spatte- ontstond een vuurkolom vanuit het raam op de eerste verdieping langs de deurpost van de voordeur tot aan de grond. [slachtoffer 6] bevond zich op dat moment in de woning, op korte afstand van de vlammen in de deuropening van de voordeur. Zij relateert dat achter zich de vlammen naar binnen sloegen en dat het vuur tot op enkele centimeters van haar benen kwam. De rechtbank acht de kans dat een persoon, van wie het hoofd en bovenlichaam zijn overgoten met benzine en die in aanraking komt met vuur, ernstige brandwonden aan het bovenlichaam en hoofd oploopt en ten gevolge van deze ernstige brandwonden over meer dan de helft van het lichaam komt te overlijden, naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk. Hoewel de rechtbank aldus van oordeel is dat [slachtoffer 6] onder de gegeven omstandigheden de aanmerkelijke kans liep door de handelingen van verdachte te overlijden, is zij van oordeel dat verdachte deze aanmerkelijke kans niet willens en wetens heeft aanvaard. Op het moment dat verdachte in het raam boven de voordeur verscheen en een fles met brandende benzine naar buiten gooide, waren alleen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] buiten, in het zicht van verdachte. [slachtoffer 6] en de andere agenten bevonden zich in de woning, volledig buiten het gezichtsveld van verdachte. Verdachte heeft niet bedoeld brand te stichten bij de voordeur; uit de camerabeelden blijkt dat de brand bij de voordeur is ontstaan doordat verdachte met de fles uithaalde om hem in de richting van [slachtoffer 4] te gooien, waarbij brandende benzine langs de linker deurpost van de voordeur naar beneden spatte. Nu verdachte niet wist en vanuit zijn positie ook niet kon zien waar [slachtoffer 6] zich bevond en de brand bij de voordeur bovendien onbedoeld is ontstaan, acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 6]. Gelet op het vorenoverwogene acht de rechtbank het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde ten aanzien van [slachtoffer 6] niet wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van het onder feit 1 meer subsidiair ten laste gelegde acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 6] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door benzine tegen haar lichaam te gooien en door zodanig met brandende vloeistof in de weer te zijn dat er brand ontstond op de grond voor het huis, terwijl [slachtoffer 6] zich op dat moment in het huis op korte afstand van die plek bevond. Zoals hiervoor ten aanzien van [slachtoffer 2] overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte op zijn minst genomen het voorwaardelijk opzet heeft gehad op het bedreigen van de aanwezige personen, waaronder [slachtoffer 6]. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de handelingen van verdachte jegens [slachtoffer 6] een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht opleveren. Doordat verdachte benzine over haar heen had gegoten en vervolgens met brandende vloeistof in het rond gooide kon naar objectieve maatstaven bij [slachtoffer 6] redelijkerwijs de vrees ontstaan dat zij vlam zou vatten en als gevolg van zware brandwonden over ten minste het gehele bovenlichaam en hoofd zou komen te overlijden. Nu [slachtoffer 6] daarnaast ook relateert dat zij bang was dat het slecht met haar zou aflopen en dat zij voor haar leven vreesde, acht de rechtbank ten aanzien van [slachtoffer 6] het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde Verbalisant [slachtoffer 7], inspecteur van politie van regio Limburg-Noord, relateert – zakelijk weergegeven – : Op 21 juni 2012 werd er een bestuurlijke handhavingsactie gehouden bij de woning [adres] in [plaats]. Ik begaf mij ter plaatse bij de woning. Ik gaf aan verdachte aan dat ik met hem in gesprek wilde gaan over de situatie en of ik daarvoor binnen mocht komen. Hij vond dit goed en wij begaven ons via de voordeur in diens woning. Ik sprak met hem op de begane grond van de woning. Ik deelde hem mede dat hij door mij werd aangehouden. Ik zag dat hij opstond vanuit de stoel en zijn hand naar zijn rechter broekzak ging. Ik trachtte zijn hand vast te grijpen echter het lukte hem om hier een klapmes uit te halen en dit uit te vouwen. Hij hield dit mes in mijn richting en zei dat hij niet mee zou gaan. Hij maakte hierbij in mijn richting geen stekende bewegingen, echter ik voelde mij door zijn houding en gedrag wel bedreigd. Hierop rende de verdachte richting voordeur alwaar de trap naar de eerste verdieping was. Hierbij het mes schuin naar achter houdende in mijn richting. Ik volgde de verdachte door zijn woning en riep dat hij het mes moest weg doen. Hij voldeed hier niet aan. Hij rende de trap op en ik stond halverwege de trap. Vervolgens zag ik dat de verdachte plotseling een groot mes in zijn rechterhand had en hiermee in mijn richting wees. Hij maakte geen stekende beweging, echter ik had nauwelijks bewegingsruimte om hem te kunnen ontwijken indien hij een stekende beweging zou maken. Hij stond op een afstand van ongeveer een meter bij mij vandaan. Verdachte verklaart ter terechtzitting – zakelijk weergegeven – : Ik heb in de woning met [slachtoffer 7] gesproken. [slachtoffer 7] wilde mij overmeesteren. Ik pakte mijn klapmes en toonde dit aan [slachtoffer 7]. Verbalisant [slachtoffer 5] relateert – zakelijk weergegeven – : Op 21 juni 2012 was ik ter assistentie aanwezig bij een handhavingsactie van de gemeente die plaatsvond op de [adres] te [plaats]. Toen ik de woning via de voordeur had betreden zag ik collega [slachtoffer 7] op ongeveer driekwart van de trap staan. Ik zag dat bovenaan de trap op de overloop [verdachte] stond. Ik zag dat [verdachte] in een van zijn beide handen een mes met een groot lemmet hield. Overweging De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 7] heeft bedreigd met zware mishandeling, door hem dreigend een klapmes en een groot mes te tonen. De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van bedreiging met zware mishandeling nodig is dat er sprake is van een bedreiging die bij [slachtoffer 7] de redelijke vrees kon doen ontstaan dat verdachte zijn bedreiging zou waarmaken en dat verdachte ook het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het teweegbrengen van die vrees. Verdachte verzette zich met hand en tand tegen het verwijderen van hekwerk en probeerde degenen die daarbij betrokken waren van hemzelf en het hekwerk weg te houden door met benzine en vuur in het rond en in de richting van personen te gooien. Onder deze omstandigheden is [slachtoffer 7] de woning binnengegaan om te proberen verdachte tot rede te brengen. Toen verdachte daarop op de begane grond van de woning zijn klapmes en op de trap een groot mes aan [slachtoffer 7] toonde om aan hem te kunnen ontsnappen, kon naar het oordeel van de rechtbank bij [slachtoffer 7] de gerechtvaardigde vrees ontstaan dat verdachte hem met een mes zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Verdachte heeft door zijn handelen op zijn minst genomen de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 7] zich op deze wijze bedreigd zouden voelen. Nu [slachtoffer 7] daarnaast relateert dat hij zich door de houding en het gedrag van verdachte bedreigd voelde, acht de rechtbank het onder feit 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde De camerabeelden van 3ML, hierboven vermeld onder F. Verbalisant [slachtoffer 5], hoofdagent van regio Limburg Noord, relateert – zakelijk weergegeven – : Op 21 juni 2012 was ik aanwezig bij een handhavingsactie van de [gemeente] die plaatsvond op de [adres] in [plaats]. Ik zag dat [verdachte] in het raam aan de voorzijde op de eerste verdieping stond. Ik zag dat hij een handboog en een aantal pijlen in zijn handen had. Ik zag dat hij een pijl schietklaar in de handboog had liggen, echter dat hij de boog nog niet had gespannen. Nadat [verdachte] enige tijd in de voornoemde raamopening had gestaan zag ik dat hij zich verplaatste naar het plat dak dat links van de voordeur lag. Ook daar zag ik dat hij de handboog constant vasthield met een pijl schietklaar in de boog. [verdachte] bleef constant schreeuwen en provoceren in onze richting. Ik ben zeer bang geweest om gewond te raken. Ik heb mij zeer ernstig bedreigd gevoeld door de handelingen van [verdachte]. Ik vreesde voor mijn eigen leven. Verbalisant [slachtoffer 2], brigadier van politie, relateert – zakelijk weergegeven – : Op 21 juni 2012 was ik aanwezig bij een bestuursdwangactie van de [gemeente] om een hekwerk te verwijderen op de [adres] te [plaats]. Ik had het idee dat toen [verdachte] met zijn handboog en pijlen op het dak stond hij erop uit was om mij te raken met 1 van zijn pijlen. Verbalisant [slachtoffer 3], wachtmeester der Koninklijke Marechaussee, relateert in het proces-verbaal bevindingen – zakelijk weergegeven – : Op 21 juni 2012 was ik aanwezig bij het ruimen van het illegale hekwerk op de [adres] te [plaats]. Ik zag dat verdachte een boog met een pijl daarop vasthield. Ik was bang dat deze verdachte gebruik zou gaan maken van dit wapen tegen mij. Verbalisant [slachtoffer 4], hoofdagent van regio Limburg Noord, relateert – zakelijk weergegeven – : Op 21 juni 2012 was ik aanwezig bij een handhavingsactie van de [gemeente] die plaatsvond op de [adres] in [plaats]. Ik zag dat verdachte [verdachte] een handboog met een aantal pijlen in zijn hand vasthield. Ik zag dat verdachte [verdachte] met dit wapen nog steeds mij en mijn collegae bedreigde. Ik was bang dat verdachte [verdachte] gebruik zou maken van dit wapen tegen mij of mijn collega's. Verbalisant [slachtoffer 6], hoofdagent van regio Limburg Noord, relateert – zakelijk weergegeven – : Op 21 juni 2012 was ik in dienst in de hoedanigheid van surveillancehondgeleider van Regiokorps Limburg-Noord, politiedistrict Midden-Limburg. Ik was in herkenbaar politie-Ik heb positie ingenomen achter geparkeerde voertuigen. Ik zag dat verdachte een grote handboog en een aantal pijlen in zijn handen had. Ik hield verdachte in het zicht vanachter een veilige dekking. Aangever [slachtoffer 7], inspecteur van politie van regio Limburg Noord verklaart – zakelijk weergegeven – : Op 21 juni 2012 bevond ik mij in de woning aan de [adres] te [plaats]. Nadat ik mij samen met collega’s, voor onze eigen veiligheid, had terug getrokken tot voor de woning liep [verdachte] na korte tijd rond op het platte gedeelte van het dak van diens woning met een handboog. Hij riep dat wij weg moesten gaan en hij riep dat we op hem moesten schieten. Ik voelde mij door deze handelingen en de woorden die hij hierbij gebruikte bedreigd. Iedereen heeft dekking gezocht achter voertuigen om buiten het bereik van het wapen en van [verdachte] te blijven. [slachtoffer 8] verklaart – zakelijk weergegeven – : Op 21 juni 2012 was ik aanwezig bij het ruimen van het hekwerk voor de woning [adres] te [plaats]. De heer [verdachte] stond in een voor mij dreigende houding met handboog en pijl in de aanslag. Regelmatig werd mijn naam geroepen. Omdat mijn naam werd geroepen en [verdachte] op het dak stond met handboog en pijlen, voelde ik mij ernstig bedreigd. Overweging De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4], [slachtoffer 5], [slachtoffer 6], [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] heeft bedreigd met zware mishandeling, door een handboog en pijlen aan voornoemde personen te tonen. Zoals hiervoor onder feit 1 ten aanzien van [slachtoffer 2] overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte door met benzine en vuur te strooien een dermate bedreigende situatie heeft geschapen, dat bij de aanwezigen de gerechtvaardigde vrees kon ontstaan dat verdachte hen letsel wilde toebrengen. Hoewel de rechtbank niet bewezen acht dat verdachte de handboog gespannen had, is de rechtbank van oordeel dat verdachte, toen hij na al hetgeen daarvoor was gebeurd met een handboog en pijlen in de raamopening stond en over het dak heen en weer liep, daarbij provocerende teksten roepend en namen van aanwezigen noemend, op zijn minst genomen de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat bij voornoemde personen de vrees zou ontstaan dat verdachte hen zou beschieten en zij als gevolg daarvan zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen. Daarbij komt dat [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 8] verklaren dat zij zich door het tonen van de handboog en pijlen bedreigd voelden. Hoewel [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] niet letterlijk verklaren dat zij zich door het tonen van de handboog en pijlen bedreigd voelden, is de rechtbank van oordeel dat hun verklaringen, gelezen in samenhang met de ter terechtzitting voorgehouden slachtofferverklaringen, aldus begrepen moeten worden dat ook zij zich door het tonen van de handboog en pijlen door verdachte bedreigd voelden. Gelet op het vorenoverwogene acht de rechtbank het onder 4 ten laste gelegde ten aanzien van [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4], [slachtoffer 5], [slachtoffer 6], [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] wettig en overtuigend bewezen. Nu [slachtoffer 1] niet heeft verklaard dat hij zich door het tonen van de handboog en pijlen door verdachte bedreigd voelde, acht de rechtbank het onder 4 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen ten aanzien van [slachtoffer 1]. 7.
- Bewezenverklaring Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
- Ten aanzien van [slachtoffer 1] hij op 21 juni 2012 te [plaats], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, brandende benzine tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] heeft gegooid (ten gevolge waarvan een arm en het T-shirt en de broek van [slachtoffer 1] vlam hebben gevat), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; Ten aanzien van [slachtoffer 2] hij op 21 juni 2012 te [plaats] [slachtoffer 2] (brigadier van politie) heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend brandende benzine in de richting van voornoemde [slachtoffer 2] gegooid; Ten aanzien van [slachtoffer 3] hij op 21 juni 2012 te [plaats] [slachtoffer 3] (wachtmeester der Koninklijke Marechaussee, gedetacheerd bij de regiopolitie Limburg-Noord) heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend brandende benzine op de grond voor het huis gegooid, terwijl voornoemde [slachtoffer 3] zich op dat moment in het huis op korte afstand van die plek bevond; Ten aanzien van [slachtoffer 4] hij op 21 juni 2012 te [plaats] [slachtoffer 4] (hoofdagent van politie) heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een brandende zogenaamde "molotovcocktail" (zijnde een fles met daarin benzine) in de richting van voornoemde [slachtoffer 4] gegooid; Ten aanzien van [slachtoffer 5] hij op 21 juni 2012 te [plaats] [slachtoffer 5] (hoofdagent van politie) heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend benzine tegen de kleding van voornoemde [slachtoffer 5] gegooid en brandende benzine op de grond voor het huis gegooid, terwijl voornoemde [slachtoffer 5] zich op dat moment in het huis op korte afstand van die plek bevond (terwijl verdachte net van te voren benzine tegen de kleding van voornoemde [slachtoffer 5] had gegooid); Ten aanzien van [slachtoffer 6] hij op 21 juni 2012 te [plaats] [slachtoffer 6] (hoofdagent van politie) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend benzine tegen het lichaam en de kleding van voornoemde [slachtoffer 6] gegooid en brandende benzine op de grond voor het huis gegooid, terwijl voornoemde [slachtoffer 6] zich op dat moment in het huis op korte afstand van die plek bevond (terwijl verdachte net van te voren benzine tegen het lichaam en de kleding van voornoemde [slachtoffer 6] had gegooid);
- hij op 21 juni 2012 te [plaats] [slachtoffer 7] (inspecteur van politie Limburg-Noord) heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een klapmes aan voornoemde [slachtoffer 7] getoond en vervolgens heeft verdachte opzettelijk dreigend een (groot) mes aan voornoemde [slachtoffer 7] getoond;
- hij op 21 juni 2012 te [plaats] [slachtoffer 2] (brigadier van politie) en [slachtoffer 3] (wachtmeester der Koninklijke Marechaussee, gedetacheerd bij de regiopolitie Limburg-Noord) en [slachtoffer 4] (hoofdagent van politie) en [slachtoffer 5] (hoofdagent van politie) en [slachtoffer 6] (hoofdagent van politie) en [slachtoffer 7] (inspecteur van politie) en [slachtoffer 8] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een handboog en pijlen aan voornoemde [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] getoond; Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
- De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie 8.
- De strafbaarheid Het bewezenverklaarde is strafbaar. 8.
- Kwalificatie Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende strafbare misdrijven: ten aanzien van feit 1 subsidiair ten aanzien van [slachtoffer 1] poging zware mishandeling; ten aanzien van feit 1 meer subsidiair ten aanzien van [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] telkens bedreiging met zware mishandeling; ten aanzien van [slachtoffer 6] bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht; ten aanzien van feit 3 bedreiging met zware mishandeling; ten aanzien van feit 4 bedreiging met zware mishandeling, meerdere malen gepleegd. Het misdrijf sub 1 subsidiair is strafbaar gesteld bij artikel 302 j° 45 van het Wetboek van Strafrecht. De misdrijven sub 1 meer subsidiair, 3 en 4 zijn strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.
- De strafbaarheid van verdachte De verdediging heeft zich ter terechtzitting van 19 maart 2013 op het standpunt gesteld dat verdachte niet strafbaar is en dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging op grond van psychische overmacht. Verdachte voelde zich door de door de jarenlange terreur en het feit dat hij zijn vertrouwen in de politie en de gemeente was kwijtgeraakt, reddeloos verloren. Sinds vele jaren ondervinden verdachte en zijn gezin overlast en intimidatie van enkele bewoners van het aangrenzende woonwagenkamp. Mogelijk ingegeven door de omstandigheid dat verdachte de nodige juridische procedures heeft gevoerd omdat hij van mening was dat dit kamp door de gemeente in strijd met de betreffende regelgeving aldaar was geplaatst. Vele malen is een steen door de voorruit van de woning gegooid, hetgeen er toe heeft geleid dat er thans ter bescherming een draadwerk voor het raam is geplaatst. Ook andere vernielingen zijn er verricht aan en om de woning, waarvan verdachte vele malen bij de politie melding heeft gemaakt en aangifte gedaan. Voorts wordt er het nodige afval over de schutting gekiept, tientallen zakken met troep en wietbladeren. De dieren op het terrein ondervinden schade. Zo worden er scherpe voorwerpen in de wei gegooid waaraan zij zich verwonden. Een keer zijn alle kippen onthoofd aangetroffen, waarbij de kop van de haan op een hooivork is gespiest. In 2002 heeft verdachte zich moeten verdedigen toen enkele woonwagenbewoners met geweld zijn woning trachtten binnen te dringen. Tot grote ontsteltenis van verdachte werd vervolgens hij - en niet zijn belagers - door de politie aangehouden en vervolgd. In die strafzaak is verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging. Verdachte is slachtoffer geworden van bedreigingen en mishandelingen. Het hekwerk – zelfs ook nog toen het verlaagd was naar ongeveer een meter – bood het gezin rust en veiligheid. Daardoor was het bijvoorbeeld voor auto’s ook niet meer mogelijk om door de tuin te rijden (wat in het verleden al was gebeurd). Het hek bood naast een fysieke barrière, met name psychische rust. Hierdoor konden verdachte en zijn gezin voor het eerst sinds jaren ’s nachts doorslapen en schrokken zij niet meer van elk geluid wakker. Door het bericht van de gemeente dat het hekwerk – zijn enige verdediging – zou worden weggehaald, waardoor hij en zijn gezin wederom weerloos zouden zijn tegenover de aanvallen vanuit het woonwagenkamp, is verdachte in een overspannen toestand geraakt, waarbij hij als zijn enige uitweg zag te verhinderen dat het hekwerk zou worden weggehaald. Voor een geslaagd beroep op psychische overmacht is vereist dat verdachte heeft gehandeld onder een van buiten hem komende drang, waaraan hij redelijkerwijs geen weerstand kon en behoefde te bieden. De rechtbank overweegt dat verdachte vastbesloten was te verhinderen dat zijn hek werd verwijderd. Hij heeft daartoe een plan opgesteld en vervolgens zijn plan ook ten uitvoer gebracht. Hij heeft flessen met benzine klaargemaakt en de media op de hoogte gesteld. Verdachte heeft verklaard dat hij de media heeft ingeschakeld om zo te proberen aandacht te krijgen voor zijn situatie. Het voorgaande wijst naar het oordeel van de rechtbank niet op psychische nood bij verdachte, voortkomend uit een extreme stresssituatie op het moment van het handelen, maar op weloverwogen handelen volgens een vooropgezet plan. Zo heeft verdachte zichzelf bewust in een positie gebracht waarin de kans dat de handhavingsactie op een conflict zou afstevenen aanzienlijk was. Voorts was de kans groot dat een en ander uit de hand zou gaan lopen gelet op datgene wat verdachte ter afwenteling van de handhavingsactie bereid was te doen. Daarnaast heeft verdachte de escalatie in de hand gewerkt door, toen de gemeenteambtenaar hem meedeelde dat men gekomen was om het hek te verwijderen, “gaat uw gang” (of woorden van soortgelijke strekking) te zeggen en weg te lopen de aanbouw in om vervolgens, toen men begonnen was met het afbreken van het hek, terug te komen en met brandende benzine te gaan gooien. Hoewel als zodanig niet uitdrukkelijk door de verdediging gesteld is het is heel wel mogelijk dat, toen de gebeurtenissen vervolgens in een stroomversnelling kwamen, verdachte alstoen werd overvallen door een hevige gemoedstoestand. Dit ontslaat verdachte echter niet van zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor zijn daden. Immers, verdachte heeft zich welbewust in een toestand gebracht waarin dit gevaar bestond en blijkens zijn handelen dit gevaar ook bewust aanvaard. De rechtbank acht derhalve onvoldoende aannemelijk geworden dat er op het moment van het begaan van de feiten sprake was van een situatie die zodanig was dat verdachte niet anders heeft kunnen en hoeven handelen dan hij heeft gedaan. Dit past overigens ook bij verdachtes opmerking dat hij betreurt wat er die dag is gebeurd en dat hij de situatie verkeerd heeft ingeschat. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de door het hek geboden veiligheid – gelet op zijn geringe hoogte – slechts relatief was en dat verdachte eenzelfde mate van (gevoel van) veiligheid ook op een andere wijze had kunnen bereiken, bijvoorbeeld door het plaatsen van prikkeldraad op zijn grondstuk. Hetgeen verdachte ook van tevoren jegens de pers had aangekondigd te zullen gaan doen. Bovendien heeft verdachte in een eerder stadium een door de gemeente gedaan voorstel om een vergunning aan te vragen en een legaal hek te plaatsen niet benut. Gelet op het vorenoverwogene verwerpt de rechtbank het beroep op psychische overmacht. Nu er ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten, is de verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde.
- De straffen en/of maatregelen 10.
- De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 8 januari 2013 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Bij gelegenheid van de terechtzitting van 19 maart 2013 heeft de officier van justitie volhard in haar eis. 10.
- Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat de rechtbank geen straf of maatregel zal opleggen, onder toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Indien de rechtbank toch een straf zal opleggen, verzoekt de verdediging bij het bepalen van de hoogte daarvan rekening te houden met de feiten en omstandigheden die de aanleiding zijn geweest tot de ten laste gelegde feiten. 10.
- De overwegingen van de rechtbank De rechtbank overweegt dat de onderhavige zaak vele aspecten kent en even zovele meningen en emoties oproept. De door verdachte geschetste situatie van jarenlange conflicten, bedreigingen en ellende vindt bevestiging in de stukken. Verdachte heeft vele juridische procedures gevoerd en alle mogelijke legale wegen gevolgd om zijn recht te krijgen en de rust en veiligheid van zijn gezin te waarborgen. De rechtbank heeft oog voor de grote frustratie die bij verdachte leefde als gevolg van de telkens stuklopende pogingen om zijn gezin een rustige en veilige woonomgeving te bieden. Ook het gegeven dat de gemeente tegen allerlei misstanden op het woonwagenkamp niet handhavend optrad, maar met betrekking tot zijn hekwerk wel, zal ongetwijfeld hieraan hebben bijgedragen. De rechtbank kan zich voorstellen dat verdachte zich door de autoriteiten in de steek gelaten voelde in zijn pogingen de rust en het gevoel van veiligheid van zichzelf en zijn gezin te waarborgen en om die reden op 21 juni 2012 wilde verhinderen dat zijn hekwerk werd verwijderd. Tevens heeft verdachte deze handhavingsactie aangegrepen om media aandacht voor zijn situatie te krijgen in de hoop dat een en ander zou leiden tot een gesprek met de gemeente over een mogelijke uitkoop dan wel de eerder gestagneerde onderhandelingen hierover vlot te trekken. Dergelijke motieven en de geschetste angst, onmacht en frustratie mogen naar het oordeel van de rechtbank echter nimmer leiden tot gewelddadige acties jegens anderen. En dat is uitdrukkelijk de andere kant van de zaak. De in deze zaak als slachtoffer betrokken personen deden die dag niets anders dan hun werk. Zij handelden in opdracht van hun leidinggevenden en waren – behoudens een enkeling – op geen enkele wijze persoonlijk betrokken bij het conflict tussen verdachte, de woonwagenbewoners en de gemeente. Hoewel achteraf wellicht geoordeeld kan worden dat het doorzetten van de handhavingsactie en de wijze waarop minder opportuun was, maakt dit niet dat daarmee een vrijbrief is gegeven voor gewelddadig verzet tegen rechtmatig overheidsoptreden. De rechtbank heeft een andere visie op de zaak dan de officier van justitie en heeft om te beginnen de juridische beoordeling van de feiten en wat nu precies de bedoelingen van verdachte zijn geweest nadrukkelijk in het licht van de achtergrond en aanleiding geplaatst. Dat heeft geleid tot een andere bewezenverklaring dan die waar de officier bij haar eis van is uitgegaan en alleen al om die reden zal sterk worden afgeweken van de eis. Het is niet eenvoudig om van vergelijkbare zaken uit te gaan, simpelweg omdat die er niet zijn. Met de officier van justitie is de rechtbank echter van mening dat het handelen van verdachte zeker niet straffeloos kan blijven. Er zijn wellicht meerdere personen/instanties verantwoordelijk te houden voor het ontstaan van de verziekte situatie, maar verdachte speelt daarbij in elk geval ook een rol, terwijl hij bij de escalatie op 21 juni 2012 de hoofdrol heeft gespeeld. Zijn handelen is niet verontschuldigbaar of aanvaardbaar. Er is sprake geweest van ernstig, onrust veroorzakend, publiek geweld of bedreiging daarmee. Verdachte is te ver gegaan en uit een oogpunt van normhandhaving acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Een schuldigverklaring zonder oplegging van straf zou geen recht doen aan de ernst van de feiten en de rol van verdachte daarin. Tot slot heeft de rechtbank ook rekening gehouden met het feit dat verdachte niet eerder door de strafrechter is veroordeeld. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat kan en moet worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. 10.
- De vorderingen van de benadeelde partijen Benadeelde partij [slachtoffer 8] [slachtoffer 8], [adres] heeft een vordering immateriële schade ad € 650,- ingediend. Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank erkent dat de situatie op 21 juni 2012 voor [slachtoffer 8] – in aanmerking genomen al hetgeen daarvoor was gebeurd – zodanig was dat hij zich bedreigd kon voelen doordat verdachte met een handboog en pijlen op het dak van de aanbouw rondliep. Gelet op het feit dat [slachtoffer 8] zich op geruime afstand van verdachte bevond en hij dekking heeft gezocht achter een voertuig, acht de rechtbank echter niet aannemelijk dat de handelingen van verdachte – het tonen van een niet gespannen handboog en pijlen – naar objectieve maatstaven zodanige impact op [slachtoffer 8] kunnen hebben gehad dat hij daardoor immateriële schade heeft opgelopen. Het feit dat verdachte daarbij de naam van [slachtoffer 8] heeft geroepen, maakt dat niet anders. Gelet op het vorenoverwogene acht de rechtbank de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 8] voornoemd onvoldoende onderbouwd. De vordering is derhalve niet voor toewijzing vatbaar en de rechtbank zal de vordering in zijn geheel afwijzen. Aangezien de vordering van de benadeelde partij zal worden afgewezen, zal verdachte niet worden veroordeeld in de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt. Niet gebleken is dat verdachte (extra) kosten heeft gemaakt ten aanzien van de civiele vordering. De rechtbank zal deze kosten vaststellen op nihil. De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van het geding door de verdachte ten behoeve van zijn verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil. Benadeelde partijen [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4], [slachtoffer 5], [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] (de verbalisanten) De Rechtbank stelt voorop dat zij het aannemelijk acht dat de bewezenverklaarde feiten, gelet op ervaringsregels, immateriële schade van enige omvang voor de verbalisanten hebben veroorzaakt. De vaststelling van de schade wordt gecompliceerd door een aantal factoren. In de eerste plaats constateert de rechtbank dat de verbalisanten hun vorderingen gebaseerd hebben op hun beleving dat verdachte geprobeerd heeft hen van het leven te beroven, terwijl de rechtbank verdachte vrijspreekt van poging moord dan wel doodslag en enkel bedreiging bewezen heeft verklaard. Voorts constateert de rechtbank dat de vorderingen mede zijn gebaseerd op de invloed van de media¬-aandacht en de stelling dat de verbalisanten op hun werk alsook in privé op hun optreden werden aangesproken. Voor wat betreft dat onderdeel van de vordering is nader onderzoek noodzakelijk naar de vraag of en zo ja in hoeverre voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde en dat onderdeel van de gestelde schade. Gelet op het vorenstaande, het feit dat substantiële bedragen worden gevorderd (variërend van € 2.500,- tot € 5.000,-) en het gegeven dat verdachte de vorderingen betwist, is de rechtbank van oordeel dat de behandeling van de vorderingen een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De verbalisanten kunnen derhalve niet in hun vorderingen worden ontvangen en kunnen hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Aangezien de vorderingen van de verbalisanten niet ontvankelijk worden verklaard, zal verdachte niet worden veroordeeld in de kosten die door de benadeelde partijen zijn gemaakt. Niet gebleken is dat verdachte (extra) kosten heeft gemaakt ten aanzien van de civiele vorderingen. De rechtbank zal deze kosten vaststellen op nihil. De rechtbank zal de benadeelde partijen veroordelen in de kosten van het geding door de verdachte ten behoeve van zijn verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil.
- Toepasselijke wetsartikelen Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen: Wetboek van Strafrecht artikel 10, 24c, 27, 45, 57, 285,
- Beslissing De rechtbank: verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 voor zover betrekking hebbend op [slachtoffer 7] en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij; verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar; veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden; beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht; ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 8] wijst af de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 8]; veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte ten behoeve van zijn verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil; ten aanzien van benadeelde partijen [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4], [slachtoffer 5], [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] verklaart niet ontvankelijk de vorderingen van benadeelde partijen [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4], [slachtoffer 5], [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7]; veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten van het geding door de verdachte ten behoeve van zijn verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil. Vonnis gewezen door mrs. M.J.A.G. van Baal, M.B.T.G. Steeghs, en P.M.S. Dijks, rechters, van wie mr. M.J.A.G. van Baal voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. F.C. Alink als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 2 april
- De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.