RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Burgerlijk recht / Kantonrechter Zaaknummer 503356 CV EXPL 12-4950 Vonnis van 22 mei 2013 in de zaak de commanditaire vennootschap TURIEN & CO., gevestigd en kantoorhoudend te Alkmaar , verder ook te noemen: Turien, eisende partij, gemachtigde: een ongenoemd gelaten persoon ten kantore van “LAVG B.V.” te Roermond tegen [NAAM GEDAAGDE PARTIJ], wonend te [adresgegevens gedaagde partij], verder ook te noemen: [naam gedaagde partij], gedaagde partij, gemachtigde: [naam moeder gedaagde partij] te Noorbeek (moeder van [naam gedaagde partij]) VERLOOP VAN DE PROCEDURE Turien heeft [naam gedaagde partij] bij dagvaarding van 5 november 2012 in rechte betrokken voor een vordering als uiteengezet in het exploot van dagvaarding, tegelijk waarmee aan [naam gedaagde partij] (niet in persoon) drie ongenummerde en inhoudelijk onbesproken gelaten kopieën van brieven als ‘bijlage’ betekend zijn. [naam gedaagde partij] heeft, na gevraagd en verkregen uitstel, ter rolzitting van 30 januari 2013 schriftelijk geantwoord onder bijvoeging van twee gefotokopieerde rekeningafschriften. Vervolgens heeft Turien op 27 februari 2013 voor repliek geconcludeerd onder bijvoeging van tien producties. Ter rolzitting van 27 maart 2013 heeft [naam gedaagde partij] bij wijze van dupliek (schriftelijk) volhard bij het eerder gevoerde verweer. Hierna is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak nader op vandaag gesteld is. MOTIVERING a. het geschil Turien vordert veroordeling van [naam gedaagde partij] - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling van € 455,40, te vermeerderen met wettelijke rente over een daarvan deel uitmakend bedrag van € 353,92 ‘vanaf’ 9 oktober 2012 tot de voldoening en tot vergoeding van te liquideren proceskosten (‘de kosten naar de Wet’). Zij acht het opportuun om haar vordering (subsidiair) in die zin te limiteren dat ‘een en ander een bedrag van € 25.000,00 niet te bovengaande’ zal worden, maar de kans daarop is in het licht van het geformuleerde petitum uiteraard nihil. Turien poneert in het uiterst summiere en globale exploot dat zij ‘als gevolmachtigde van VGZ Zorgverzekeraar N.V.’ van [naam gedaagde partij] een onbetaald gelaten bedrag van € 353,92 aan premie ‘opeisbaar te vorderen’ heeft en noemt in dat verband drie premienota’s voor de maanden oktober/november 2011 en maart 2012. De nota’s betreffen volgens haar ‘een zorgverzekeringsovereenkomst (IZA Cura)’ die ‘via eiseres’ (‘als gevolmachtigde’) gesloten is en waarop ‘de algemene voorwaarden van eiseres’ van toepassing zouden zijn (niet gesteld is hoe die toepasselijkheid bedongen is, terwijl de bewuste voorwaarden, althans voor zover voor deze procedure relevant, evenmin ingebracht, geciteerd, geparafraseerd of anderszins in de processtukken beschreven zijn). Naast de hoofdsom van € 353,92 vordert Turien bedragen van € 12,23 aan vervallen rente (berekend ‘vanaf de vervaldata van de facturen’, welke data niet nader geconcretiseerd zijn, tot 9 oktober 2012) en € 89,25 aan buitengerechtelijke kosten en daarover verschuldigde btw (volgens Turien ‘B.T.W.’). Concreet betalingsverzuim is niet genoemd of beschreven. Blijkens de repliek zou het tussen [naam gedaagde partij] en Turien gegaan zijn om zowel een basisverzekering als een aanvullende verzekering per 1 januari 2011, doch heeft Turien de aanvullende verzekering per 1 januari 2012 ‘wegens wanbetaling beëindigd’, waarna [naam gedaagde partij] € 102,84 in plaats van de voordien geldende gecombineerde premie van € 125,54 per maand verschuldigd was. Turien wijdt in haar repliek verder nog veel woorden aan een beschrijving van haar inspanningen om betaling te verkrijgen en aan de weerspreking van hetgeen [naam gedaagde partij] tot zijn verweer had doen aanvoeren of zelfs van zaken die deze niet expliciet aangevoerd had. Zij biedt zowel bij exploot als bij repliek slechts in uiterst globale zin ‘bewijs door alle middelen en wegen rechtens’ aan zonder dit zelfs toe te spitsen op enig bewijsthema. Het voor [naam gedaagde partij] in twee ronden gevoerde en gehandhaafde verweer behelst een betwisting van enige schuld omdat - in de woorden van de gemachtigde moeder - “mijn zoon alles betaald (heeft) aan Turein en Co, ofwel IZA Cura”, hetgeen geadstrueerd wordt met overgelegde afschriften van bancaire afschrijvingen d.d. 2 november 2011 aan Turien (dagafschrift 18 november 2011) en 2 maart 2012 aan IZA CURA (dagafschrift 23 maart 2012). Hij / zijn moeder benadrukt dat een en ander al aan de gemachtigde ‘LAVG’ voorgelegd was, ‘maar niemand komt er niemand wijs uit de administratie van zowel Turein als IZA Cura’. Als er desondanks een betalingsverplichting zou resteren, wenst [naam gedaagde partij] die via een aflossingsregeling in te lossen. In ieder geval is zijn moeder van oordeel dat [naam gedaagde partij] niet voor de ‘extra kosten’ hoeft op te draaien, al is het maar omdat hem de betalingsverplichting nooit goed uitgelegd is. Bij dupliek is daaraan toegevoegd dat de incassokosten niet reëel zijn ‘en buiten proportie’. b. de beoordeling De uitdrukkelijke betwisting van een financiële verplichting van [naam gedaagde partij] aan Turien heeft tot gevolg dat de kantonrechter het door Turien aangevoerde feitensubstraat en de juridische grondslag die onder de ingestelde vordering(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.