← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2014:4304

RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Rekestnummer: 14/572 Beschikking van de enkelvoudige raadkamer van de rechtbank Limburg op het verzoekschrift ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering van: [verzoeker] , geboren te [geboortedatum en plaats], te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van zijn raadsman, mr. J. de Bruin, advocaat te Maastricht, hierna te noemen: (de) verzoeker. 1De inhoud van het verzoekschrift Het verzoek strekt tot het toekennen van een vergoeding ten laste van de Staat ten bedrage van € 732,05 inclusief BTW voor de kosten van een raadsman. De verzoeker stelt deze kosten te hebben gemaakt in het kader van het onderzoek in de bezwaarschriftprocedure ex artikel 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (hierna: de Wet), bekend onder rekestnummer 14/272, en de behandeling ervan in raadkamer. 2De procesgang Het verzoekschrift is op 1 april 2014, tijdens de behandeling van voornoemd bezwaarschrift, mondeling gedaan ten overstaan van de rechtbank. De rechtbank heeft op 1 april 2014 de officier van justitie en de raadsman in openbare raadkamer gehoord. Verzoeker is niet in persoon in raadkamer verschenen. Het bezwaarschrift ex artikel 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden van verzoeker is heden ongegrond verklaard. 3Standpunten der partijen 3.1 Het standpunt van de verzoeker De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzochte kostenvergoeding ad € 732,05 voor vergoeding in aanmerking komt. Hierbij heeft de raadsman verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland, 21 maart 2013 ((ECLI:NL:RBNNE:2013:BZ5018), waarin de rechtbank heeft bepaald “dat artikel 591 Sv naar analogie ook van toepassing is op succesvol ingediende klaagschriften op grond van artikel 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden en welk klaagschriften onherroepelijk zijn geworden.” 3.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzochte kostenvergoeding dient te worden afgewezen. 4De beoordeling In artikel 591a Sv is bepaald dat onder bepaalde voorwaarden plaats is voor de vergoeding voor de kosten van een raadsman. In artikel 591a, tweede lid, Sv is onder meer bepaald dat indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr), aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen uit ’s Rijks kas een vergoeding kan worden toegekend in de kosten van een raadsman. Dat in deze bepaling met het begrip ‘zaak’ de strafzaak wordt bedoeld en niet bijvoorbeeld ook de procedure ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, lijkt te volgen uit het feit dat wordt gesproken van het opleggen van een straf of maatregel en uit het feit dat wordt gesproken van ‘de gewezen verdachte’. Bij de procedure ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden is immers geen sprake van het opleggen van straf of maatregel. Evenmin is in dat geval sprake van een gewezen verdachte. Dit zou slechts anders zijn, indien de procedure ex artikel 591a Sv van overeenkomstige toepassing is verklaard op de bezwaarschriftprocedure ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. In artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden noch elders in deze wet worden de artikelen 591 en/of 591a Sv van overeenkomstige toepassing verklaard. Evenmin wordt de procedure van artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden genoemd in artikel 591 of 591a Sv, terwijl andere procedures wel uitdrukkelijk worden genoemd in artikel 591, lid 5, Sv (welke bepaling in artikel 591a, vierde lid, Sv van overeenkomstige toepassing is verklaard). Deze procedures zijn: de rechtsgedingen tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen; de behandeling van vorderingen als bedoeld in de artikelen 509j en 509o Sv of het beroep in artikel 509v Sv; de behandeling van klaagschriften als bedoeld in de artikelen 552a tot en met 552b Sv. Dit lijkt erop te duiden dat er geen plaats is voor een vergoeding voor de kosten van een raadsman ex artikel 591a Sv bij een gegrondverklaring van een bezwaarschrift ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. De Hoge Raad heeft ruime uitleg gegeven aan artikel 591a Sv in de uitspraak van 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5566. De Hoge Raad houdt echter vast aan de voorwaarde dat de zaak geëindigd dient te zijn zonder oplegging van een straf of maatregel of zonder toepassing van artikel 9a Sr. Op grond van bovenstaand arrest van de Hoge Raad zou aangenomen kunnen worden dat de procedure ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, als een ‘met die zaak rechtstreeks verbande houdende procedure’, onderdeel uitmaakt van de strafzaak. In dat geval is artikel 591a Sv echter slechts van toepassing, indien geen straf of maatregel is opgelegd of geen toepassing is gegeven aan artikel 9a Sr. Deze situatie zal zich in het algemeen niet voordoen, nu de officier van justitie slechts tot afname van celmateriaal mag bevelen, indien de veroordeelde tot een bepaalde straf is veroordeeld. Indien de procedure ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden als een afzonderlijke procedure wordt aangemerkt, mist een verzoek ex artikel 591a Sv zoals hiervoor aangegeven wettelijke grondslag. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat in het onderhavige geval het bezwaarschrift ex artikel 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden ongegrond is verklaard. 5Beslissing De rechtbank: - verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering. Deze beschikking is gegeven door mr. L.P. Bosma, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.P.M. Salden, griffier, en uitgesproken in openbare raadkamer van deze rechtbank van 15 april 2014. Tegen deze beschikking staat voor verzoeker hoger beroep open bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, in te stellen bij deze rechtbank, binnen een maand na betekening van deze beschikking.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.