inRECHTBANK Limburg Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Parketnummer : 03/700632-12 Datum uitspraak : 23 juli 2014 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte], geboren te [geboortedatum], wonende aan de [adres]. Raadsman is mr. B.H.M. Nijsten, advocaat te Maastricht. 1Het onderzoek van de zaak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 juli 2014. De rechtbank heeft op 9 juli 2014 de officier van justitie en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsman, gehoord. 2De tenlastelegging De verdachte staat -kort samengevat- terecht ter zake van bedreiging, belaging, dan wel dwang in één geval, en belediging. De volledige tenlastelegging luidt dat: Feit 1 hij in of omstreeks de periode van 8 april 2012 tot en met 10 mei 2012 in de gemeente(
(14)van verdachte, hoe angstaanjagend voor [slachtoffer 5] die berichten ook waren, legt te weinig gewicht in de schaal om het wederrechtelijke gedrag van verdachte stelselmatig te kunnen noemen. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 6 primair ten laste gelegde. Rest de vraag of bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan dwang, zoals hem subsidiair bij feit 6 ten laste is gelegd. Uit voornoemd bericht van verdachte van 26 oktober 2012 en andere berichten kan worden opgemaakt dat verdachte op een dreigende manier, door het uitoefenen van psychische druk, [slachtoffer 5] gedwongen heeft een andere bus te nemen, dan wel ander vervoer te regelen. Uit de verklaring van [slachtoffer 5] volgt dat zij op 26 oktober 2012 daadwerkelijk niet met de bus is gegaan uit angst voor verdachte. Dat zou in beginsel tot een bewezenverklaring kunnen leiden, maar in de onderhavige tenlastelegging is deze feitelijke gang van zaken nu juist niet opgenomen. De tenlastelegging is door de opsteller namelijk aldus verfeitelijkt, dat met de woorden “iets doen” gedoeld wordt op de mededeling van verdachte dat [slachtoffer 5] normaal tegen hem moet doen. Dat laatste is nogal lastig nader te concretiseren en voor zover dat al kan, moet worden vastgesteld dat [slachtoffer 5] op 26 oktober geen contact meer met verdachte heeft gehad en dus niet in de gelegenheid is geweest “normaal” tegen verdachte te doen. Verdachte zal daarom ook van het onder 6 subsidiair ten laste gelegde worden vrijgesproken. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: Feit 1 op 6 mei 2012 in de gemeente Alphen aan den Rijn [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte die [slachtoffer 1] opzettelijk dreigend de woorden toegevoegd: “Je gaat dood want ik neem een vuurwapen mee en mijn zaag”; Feit 2 op 23 mei 2012 in de gemeente Dalfsen [slachtoffer 2] heeft bedreigd met verkrachting, immers heeft verdachte die [slachtoffer 2] opzettelijk dreigend de woorden toegevoegd: “Ik ga je eerst verkrachten dan bind ik je vast en dan verkracht ik je weer dan trek ik een plastic zak over je kop goed aangetrokken en dan verbrand ik je”; Feit 3 in de periode van 18 mei 2012 tot en met 26 mei 2012 in de gemeente Kerkrade meermalen [slachtoffer 3] heeft bedreigd met verkrachting en met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte die [slachtoffer 3] opzettelijk dreigend de woorden toegevoegd: “Ik verkracht jou eerst en dan ruim ik je uit de weg, kankerhoer” en “Ik schop je kankerdood en verkracht je”; Feit 5 in de periode van 30 oktober 2010 tot en met 1 november 2010 in de gemeente Capelle aan den IJssel [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 4] dreigend de woorden toegevoegd: - “ Doe gewoon wat ik je zeg dan gebeurt je niks, anders word je door een paar van mijn vrienden in elkaar getoekt” en - “ Zo iemand hoort in een kist te liggen en ik denk dat dat ook gaat gebeuren, maar niet door mij, ik schop je alleen op de grond en ik schop je nog na ook.” De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie 5.1 De strafbaarheid Het bewezenverklaarde is strafbaar. 5.2 De kwalificatie Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare misdrijven op: Feit 1 bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht Feit 2 bedreiging met verkrachting Feit 3 bedreiging met verkrachting en met enig misdrijf tegen het leven gericht Feit 5 bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling De misdrijven zijn strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht. 6De strafbaarheid van verdachte Door de psycholoog M.M. van der Veer is omtrent de geestvermogens van verdachte op 31 mei 2013 een Pro Justitia rapport uitgebracht. Deze deskundige komt niet tot de conclusie dat er bij verdachte sprake is van een omstandigheid die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit. Zij heeft geadviseerd verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. De rechtbank volgt dit advies en neemt de conclusies van de deskundige over. Bij het bepalen van de straf komt de rechtbank daarop terug. De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu geen omstandigheid aannemelijk is geworden die verdachtes strafbaarheid volledig opheft. 7De oplegging van straf en/of maatregel 7.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 jaar gevorderd met een proeftijd van 3 jaren en reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde. 7.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft de rechtbank verzocht te volstaan met het opleggen van een voorwaardelijke taakstraf. Verdachte krijgt al geruime tijd hulp en begeleiding van de reclassering en heeft daarmee een stabiele situatie bereikt. Deze begeleiding zou in het kader van een voorwaardelijke straf moeten worden voortgezet, omdat dat de beste manier is om recidive te voorkomen. Gevangenisstraf is daarvoor ongeschikt, aldus de raadsman. 7.3 Het oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Nu de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie voor ogen heeft gestaan, zal aan verdachte een straf worden opgelegd die aanzienlijk afwijkt van de eis. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige bedreigingen. Daarin is een patroon te zien, waarbij telkens een andere vrouw het slachtoffer wordt. Uit het dossier blijkt dat verdachte een relatie heeft of wil hebben met de vrouwen en bij afwijzing verbaal zeer agressief reageert. De bedreigingen hebben bij de slachtoffers ook veel angst teweeg gebracht. Verdachte lijkt de ernst ervan maar mondjesmaat in te zien, omdat hij er zelf van overtuigd is dat hij zijn dreigementen nooit waar zal maken. Geleidelijk aan dringt tot hem door dat een slachtoffer dat niet weet, als zij zo’n bedreiging ontvangt en dat hij moet stoppen. Het risico op herhaling wordt door de reclassering en psycholoog Van der Veer echter als groot ingeschat. De onderhavige bedreigingen en de omstandigheden waaronder deze zijn geuit, zijn zo ernstig, dat niet volstaan kan worden met het opleggen van een geldboete, zoals vermeld in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht bij verbale bedreiging. De rechtbank acht een taakstraf gepast om de ernst van de feiten tot uitdrukking te brengen. De rechtbank houdt verder rekening met de conclusie van de psycholoog Van der Veer dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. Verdachte heeft een licht verstandelijke beperking en een achterstand in zijn sociaal-emotionele ontwikkeling. Een behandeling is nodig op het gebied van omgang met anderen, in het bijzonder met vrouwen, en op het gebied van omgaan met boosheid en agressie. Verder acht de psycholoog ondersteuning en begeleiding nodig. Belangrijk is volgens de psycholoog ook dat er afstemming plaatsvindt tussen de reclassering en de woon- en werkbegeleiders van verdachte. Uit de reclasseringsrapportages en de aanvulling en de toelichting daarop die de reclasseringsbegeleider van verdachte ter terechtzitting heeft gegeven, is de rechtbank gebleken dat de noodzakelijke hulp en begeleiding al geruime tijd aan verdachte worden geboden in het kader van zijn geschorste detentie en dat dit een goed resultaat heeft gehad. Ook vindt er goede afstemming plaats tussen de woon- en werkbegeleiders van verdachte en de reclassering. Desalniettemin blijven er zorgen met betrekking tot het recidiverisico. Een ambulante behandeling bij Dichterbij, afdeling Stevig zal nog moeten beginnen. Dat alles brengt voor de rechtbank mee dat zij een taakstraf van 80 uren gepast en geboden acht, maar dat deze geheel voorwaardelijk aan verdachte moet worden opgelegd. Om het recidivegevaar terug te dringen is (voortzetting van het) reclasseringstoezicht noodzakelijk. De voorwaarden houden in dat verdachte de huidige begeleiding van de reclassering moet voortzetten en dat hij alsnog moet gaan deelnemen aan een ambulante behandeling. Daarbij acht de rechtbank een proeftijd van 3 jaar aangewezen. 8De benadeelde partij De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 465,- voor immateriële schade (smartengeld) terzake van feit
- De rechtbank zal deze vordering gedeeltelijk toewijzen. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde immateriële schade heeft geleden door de langdurige gevoelens van angst en onveiligheid die verdachte bij haar teweeg heeft gebracht. Door de bedreigingen heeft zij zich bovendien enige tijd in haar doen en laten beperkt gevoeld. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor die schade. De rechtbank zal het bedrag wel matigen, nu zij het gevorderde bedrag te hoog vindt. De zaak van het Hof in Leeuwarden die ter onderbouwing van de vordering is gebruikt, vindt de rechtbank niet vergelijkbaar met de onderhavige zaak. De rechtbank beschouwt een bedrag van € 250,- als een redelijke en billijke vergoeding. De vordering wordt voor het meer gevorderde afgewezen. De benadeelde partij [slachtoffer 5] vordert ter zake van feit 6 een schadevergoeding van € 759,-, waarvan € 300,- voor immateriële schade. Nu de rechtbank verdachte van dit feit zal vrijspreken, kan deze benadeelde partij niet in haar vordering worden ontvangen. 9De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 24c, 36f, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht. 10De beslissing De rechtbank: Vrijspraak - spreekt verdachte vrij van de onder feit 4, feit 6 (primair en subsidiair) en feit 7 tenlastegelegde feiten; Bewezenverklaring verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.4 is omschreven; spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5.2 is omschreven; verklaart verdachte strafbaar; Straffen veroordeelt verdachte tot taakstraf voor de duur van 80 uren; beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen; - bepaalt dat de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte voor het einde van een proeftijd van drie jaar de algemene voorwaarden of de bijzondere voorwaarde heeft overtreden; stelt als algemene voorwaarden dat verdachte: zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen; - stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt dat verdachte: zich moet melden bij de reclassering zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht; deelneemt aan een ambulante behandeling bij Dichterbij, afdeling Stevig of een soortgelijke ambulante forensische zorginstelling en zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven; zal verblijven bij Stichting WonenPlus of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen (ter beoordeling van de reclassering) en zich zal houden aan het (dag)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld; - draagt de reclasseringsinstelling op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; - bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf, naar de maatstaf van twee uur per dag; - heft op de geschorste bevelen tot bewaring met ingang van heden; Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel veroordeelt verdachte ter zake van feit 2 om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] te betalen een bedrag van € 250,- (zegge: tweehonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 mei 2012 tot aan de dag van volledige voldoening; wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige af; veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer 2] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil; legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 5 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 mei 2012 tot aan de dag van volledige voldoening; bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd; verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 5] in haar vordering niet-ontvankelijk; veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer 5] in de kosten, door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. M.C.A.E. van Binnebeke, voorzitter, mr. E.H.A.F.M. Krol en mr. M.E. Kramer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.P. Jansen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 23 juli
- RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Strafrecht parketnummer: 03/700632-12 proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 23 juli 2014 in de zaak tegen: [verdachte], geboren te [geboortedatum], wonende aan de [adres]. Tegenwoordig: mr. , rechter, mr. , officier van justitie, dhr./mevr. , griffier. De rechter doet de zaak uitroepen. De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig. De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen. Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier. Raadsman mr. B.H.M. Nijsten, advocaat te Maastricht. De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen (wettige) bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummering van de hierna vermelde in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie Limburg-Zuid opgemaakte processen-verbaal en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden: a. het dossier proces-verbaal genummerd PL2410 2012070570 d.d. 7 september 2012 doorgenummerd van pagina 1 t/m 153, b. het dossier proces-verbaal, genummerd PL2325 2012104367 d.d. 31 december 2012, doorgenummerd van pagina 1 t/m 46, c. het dossier proces-verbaal, genummerd PL17FO 201035432-1 d.d. 5 november 2010, doorgenummerd van pagina 1 t/m 31 p. 5, tweede alinea, van het hiervoor onder a genoemde dossier, de aangifte van [slachtoffer 1], alsmede de verklaring van verdachte ter terechtzitting p. 18, eerste alinea, van het hiervoor onder a genoemde dossier, de aangifte van [slachtoffer 2], alsmede het Facebookbericht op p. 29, onderaan en p. 151, midden van de pagina, de verklaring van verdachte p. 40, eerste helft, van het hiervoor onder a genoemde dossier, de aangifte van [slachtoffer 3], alsmede de Facebook-berichten op p. 51, respectievelijk p. 63, alsmede p. 152, tweede helft, de verklaring van verdachte; p. 2 van het hiervoor onder c genoemde dossier, de aangifte van [slachtoffer 4], alsmede de verklaring van verdachte ter terechtzitting p. 2, eerste helft, van het hiervoor onder c genoemde dossier, de aangifte van [slachtoffer 4]