RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: 3209485 CV EXPL 14-7540 MD Vonnis van de kantonrechter in kort geding van 4 augustus 2014 in de zaak van: [eiseres] , wonend [adres 1], [woonplaats], eisende partij, gemachtigde A.J.S. de Hullu, juriste te Berkel-Enschot, tegen: [gedaagde] , handelend onder de naam [naam vestiging] , wonend en zaakdoend te [woonplaats en vestigingsplaats], gedaagde partij, gemachtigde mr. drs. A.M. Slootweg, advocaat te Veenendaal. Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden. 1Het procesverloop 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - een exploot van dagvaarding met producties, - een pleitnota zijdens [gedaagde], - een pleitnota zijdens [eiseres], - de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op 22 juli 2014, alwaar gelijktijdig met dit kort geding het door [gedaagde] ingediende verzoek tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [eiseres] (hier bekend onder zaaknummer 3176038 AZ VERZ 14-161) is behandeld. De inhoud van de in de verzoekschriftprocedure overgelegde processtukken, waaronder het verzoekschrift tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst met bijlagen, de aanvullende bijlage van [gedaagde], het verweerschrift met bijlage van [eiseres] en de door de gemachtigden van beide partijen overgelegde pleitnota’s, is bij de behandeling en beoordeling van dit kort geding betrokken. 1.2. Partijen zijn tot uiterlijk 28 juli 2014 in de gelegenheid gesteld om een regeling te beproeven. Ter zitting is afgesproken dat vonnis wordt gewezen indien voor die datum geen bericht ter griffie van deze rechtbank zou zijn binnengekomen. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak op vandaag is gesteld. 2De feiten 2.1. Tussen partijen staat, als enerzijds gesteld en anderzijds niet althans onvoldoende gemotiveerd weersproken, het volgende vast. 2.2. [eiseres], geboren op [geboortedatum 1], is op 10 februari 2009 krachtens arbeidsovereenkomst bij [gedaagde] in dienst getreden. Laatstelijk heeft zij gewerkt als verkoopmedewerkster in de vestiging van [gedaagde] aan de [adres 2] te [vestigingsplaats] (hierna: [naam vestiging]), tegen een loon van € 1.839,75 bruto per maand, exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten. Op de arbeidsovereenkomst is de cao voor het Levensmiddelenbedrijf van toepassing. Door ondertekening van de arbeidsovereenkomst heeft [eiseres] verklaard het bedrijfsreglement – dat onderdeel uitmaakt van de arbeidsovereenkomst tussen partijen – te hebben ontvangen en met de inhoud daarvan akkoord te gaan. 2.3. In de periode voor haar zwangerschap werkte [eiseres] op de vlees-, brood- en kaasafdeling van [gedaagde]. In september 2013 is [eiseres] uitgevallen wegens aan zwangerschap gerelateerde gezondheidsklachten. 2.4. Op 28 april 2014 is [eiseres] teruggekeerd na een periode van zwangerschapsverlof. Haar functie op de vlees-, brood- en kaasafdeling was op het moment van terugkeer niet meer beschikbaar, waardoor zij werd ingezet op de groenteafdeling. Na twee weken bleek dat dit werk voor [eiseres] (fysiek) te zwaar was. Hierna ging [eiseres] werken als caissière bij [naam vestiging]. 2.5. Op 13 mei 2014 heeft [eiseres] zich ziek gemeld. De dag erna verscheen zij weer op het werk. 2.6. Op vrijdag 16 mei 2014 is [eiseres] boodschappen gaan doen bij [naam vestiging]. Zij heeft daarbij – onder andere – drie sixpacks Amstel Radler gekocht. Op het schap en op een actiedisplay stond een prijs van € 3,19 per sixpack vermeld. De kassa gaf een prijs aan van € 3,79 per sixpack. 2.7. [gedaagde] kent de zogenoemde “Zeven Zekerheden”. Een van die zekerheden is dat indien de kassaprijs van een product afwijkt van de schapprijs, het product maximaal één keer gratis wordt meegegeven. 2.8. Nadat [eiseres] haar boodschappen op 16 mei 2014 bij de kassa had afgerekend, is zij naar de servicebalie gegaan, omdat er voor wat betreft de zojuist door haar gekochte sixpacks Amstel Radler een verschil tussen de kassaprijs en de prijzen op het actiedisplay en het schap was geconstateerd. Aan de servicebalie werd [eiseres] geholpen door [naam medewerkster 1] (parttime-medewerkster met een nul-urencontract). [naam medewerkster 1] heeft DKW-medewerker [naam medewerker] laten uitzoeken of de kassaprijs en de prijzen op het schap en het actiedisplay onderling afweken. [naam medewerker] heeft geconstateerd dat dit het geval was. [naam medewerkster 1] heeft vervolgens drie sixpacks gratis aan [eiseres] meegegeven. 2.9. Enige uren later is [eiseres] wederom boodschappen gaan doen bij [naam vestiging]. Nadat zij haar boodschappen bij de kassa had afgerekend, heeft zij zich wederom bij de servicebalie gemeld. En wederom kreeg zij bij de servicebalie drie sixpacks Amstel Radler gratis mee omdat de kassaprijs afweek van de prijs in het schap en/of de prijs op het actiedisplay. 2.10. De prijs in het schap van de sixpacks Amstel Radler is vervolgens aangepast, waardoor de schapprijs vanaf dat moment overeenkwam met de kassaprijs. Het actiedisplay bij de sixpacks was evenwel – ten onrechte – nog niet aangepast aan de juiste prijs van € 3,79 per sixpack. 2.11. Op zaterdag 17 mei 2014 is [eiseres] opnieuw boodschappen bij [naam vestiging] gaan doen. Bij de kassa heeft zij – onder andere – twee sixpacks Amstel Radler afgerekend. Vanwege het geconstateerde verschil tussen de prijs op het actiedisplay (€ 3,19) en de kassaprijs (€ 3,79), ging [eiseres] naar de servicebalie. Aan de servicebalie was op dat moment weekendhulp [naam medewerkster 2] werkzaam. [naam medewerkster 2] heeft van één sixpack het prijsverschil van € 0,60 (€ 3,79 minus € 3,19) aan [eiseres] gecompenseerd. De andere sixpack heeft zij gratis aan [eiseres] meegegeven. 2.12. Op 22 mei 2014 heeft [eiseres] een gesprek gehad met [naam bedrijfsleider] (bedrijfsleider), waarbij het bovenstaande is besproken. Daarvan is een verslag opgemaakt, dat door [naam bedrijfsleider] en [eiseres] is ondertekend. In dat verslag staat onder meer: “(…) zij (kantonrechter: [eiseres]) heeft het product (kantonrechter: sixpacks Amstel Radler) twee keer (kantonrechter: eerste transactie op 16 mei 2014 en tweede maal op 17 mei 2014) gratis mee naar huis genomen, dit is absoluut niet de bedoeling als werknemer van dit bedrijf. (zie ook huishoudelijk reglement art. 16). (…)”. 2.13. Art. 16 (“diefstal door de werknemer”) van het bedrijfsreglement luidt: “Wij gaan er vanuit dat iedereen in ons bedrijf eerlijk is. Toch blijkt uit onderzoek dat een belangrijk deel van de winkeldiefstallen wordt gepleegd door eigen medewerkers. Om diefstal c.q. fraude door eigen medewerkers zoveel mogelijk te voorkomen, dient iedereen oplettend te zijn op het gedrag van collega’s. Je spreekt in voorkomende gevallen je collega aan op gedrag dat afwijkt van de in dit reglement opgestelde regels. Onder interne diefstal verstaan we onder meer: Het stelen van eigendommen van [naam vestiging], klanten en collega’s; Geld stelen uit de kassa of kluis; Afprijzen ten bate van collega’s die vervolgens aankopen; Afprijzen ten bate van vrienden en familieleden; Het niet aanslaan van artikelen ten bate van wie dan ook; Het zonder toestemming meenemen van verpakkingsmaterialen; Derving mag in geen enkel geval mee naar huis genomen worden, dit is direct diefstal en reden tot ontslag. Bij bewezen diefstal door de werknemer volgt onherroepelijk ontslag op staande voet (art. 7:678 van het burgerlijk wetboek). Voor werknemers bestaat het recht om dit ontslag aan te vechten. In het kader van preventie kan bij het verlaten van de winkel de medewerker gevraagd worden om de inhoud van tas(sen) en zakken te laten controleren (visitatie). De medewerker is verplicht hieraan mee te werken.” 2.14. Op 22 mei 2014 heeft [eiseres] een bedrag van 8 x € 3,79 (€ 30,32) aan [gedaagde] terugbetaald. Deze terugbetaling heeft via de servicebalie van [naam vestiging] plaatsgevonden. 2.15. Op 26 mei 2014 is [gedaagde] teruggekeerd van vakantie. Nog diezelfde dag heeft er een gesprek tussen [naam medewerkster 3] (functie onbekend), [eiseres] en [gedaagde] plaatsgevonden. In dat gesprek is aan [eiseres] meegedeeld dat zij met onmiddellijke ingang op non-actief gesteld was. 2.16. Op 27 mei 2014 is [eiseres] op staande voet ontslagen. Bij brief van 28 mei 2014 is deze onverwijlde opzegging schriftelijk door [gedaagde] bevestigd. In die brief staat, voor zover hier van belang: “(…) Op 9 mei jl. heeft u in een onderhoud met uw werkgever meegedeeld dat u niet langer bent gemotiveerd voor uw werkzaamheden en dat u geen vertrouwen meer heeft in uw werkgever. Uw werkgever heeft daarop aangegeven deze visie niet te delen en het dienstverband met u te willen voortzetten. Kort hierna is uw gebrek aan loyaliteit echter in ernstige mate gebleken, uit een tweetal praktische omstandigheden: 1. Op 22, 23 en 24 mei heeft u tot drie keer toe een kassaverschil van respectievelijk € 4,95, € 16,10 en € 14,55. U bent hiermee op maandag 26 mei jl. door uw werkgever geconfronteerd. U stelt dat dit door anderen zou zijn veroorzaakt die op uw account hebben gewerkt. Zoals uw werkgever u op 26 mei jl. ook heeft meegedeeld, kunt u zich hiermee nooit excuseren. Als anderen op uw account werken, blijft u namelijk verantwoordelijk. 2. Geconstateerd is dat u op 16 mei jl. drie sixpacks bier met afwijkende schapprijs gratis heeft meegenomen en op 17 mei jl. één sixpack bier. Bij [gedaagde] krijgen klanten die constateren dat de prijs die bij het schap staat aangegeven, afwijkt van de prijs die in de computer staat, het betreffende artikel maximaal eenmaal gratis mee. Dit is onderdeel van de zogeheten ‘Zeven Zekerheden’. U heeft niets gezegd toen de caissière ze alle drie gratis meegaf. Sterker nog, u heeft de volgende dag nog een extra sixpack ‘gekocht’, dat u opnieuw gratis meekreeg. U heeft, met name vanwege de gang van zaken rondom de sixpack bier, het vertrouwen van uw werkgever in ernstige mate geschonden. Vooral het feit dat u op 17 mei jl. opnieuw een sixpack gratis meeneemt, valt u in ernstige mate te verwijten. Wanneer alle medewerkers op zoek gaan naar afwijkende schapprijzen en de betreffende artikelen meerdere malen gratis gaan meenemen, kan [naam vestiging] zijn deuren wel sluiten, gezien de enorme financiële consequenties die dit zou hebben, Het voorgaande leidt ertoe dat [naam vestiging] het dienstverband met u geen moment langer wenst voort te zetten. Bij deze deel ik u daarom nogmaals mee dat u met ingang van 27 mei 2014 op staande voet bent ontslagen. Cliënte (kantonrechter: [gedaagde]) acht in deze de gang van zaken volstrekt onaanvaardbaar en neemt deze hoog op. (…)”. 2.17. Het “Reglement Caissière”, luidt, voor zover hier van belang: “(…) Elke caissière heeft een eigen Lade en draait hier ook als enige op. In overleg met elkaar mag er gedraaid worden op elkaars Lade, maar de caissière van wie de Lade is, is er ten alle tijden verantwoordelijk voor. Postla & DKW la zijn hier een uitzondering op. (…) Verschillen van - € 3,- of + € 3,- in de kassalade worden niet getolereerd. (…) Bij het niet naleven van de bovenstaande punten volgt er een schriftelijke waarschuwing Bij 3 waarschuwingen binnen het tijdsbestek van een half jaar volgt er een gesprek.” 2.18. [eiseres] heeft ten slotte de vernietigbaarheid van de opzegging op de voet van art. 9 BBA ingeroepen en zich beschikbaar gesteld voor eigen werk. 3Het geschil 3.1. [eiseres] vordert, mede tegen de achtergrond van de hiervoor weergegeven feiten, om [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen: I. haar weder te werk te stellen in haar eigen functie binnen twee dagen na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, zulks op straffe van een dwangsom van € 250,00 dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft; II. tot betaling van het achterstallige loon over de periode 16 juni 2014 tot en met 30 juni 2014 ad € 1.011,86 bruto; III. tot betaling van het volledige loon van € 1.839,75 bruto per maand vanaf 9 juli 2014 (dag der dagvaarding) tot aan het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd; IV. tot betaling van de wettelijke verhoging van 50% over voormelde bedragen; V. tot betaling van de wettelijke rente vanaf 16 juni 2014; VI. tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ad € 151,78; VII. tot betaling van de kosten van dit geding. 3.2. Voor de grondslag van de vorderingen van [eiseres] wordt kortheidshalve verwezen naar de hiervoor weergegeven feiten en hetgeen daaromtrent in het exploot van dagvaarding, de pleitnota en anderszins ter zitting is aangevoerd. 3.3. [gedaagde] heeft verweer gevoerd. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. De vorderingen van [eiseres] tot betaling van het achterstallige loon (inclusief de daarmee samenhangende nevenvorderingen) zijn naar haar aard spoedeisend. 4.2. De kantonrechter stelt voorop dat in het kader van de onderhavige procedure beoordeeld dient te worden of de vorderingen van [eiseres] in een eventuele bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat – vooruitlopend daarop – toewijzing van de door haar gevorderde onmiddellijke voorzieningen gerechtvaardigd is. Daarbij dient de kantonrechter uit te gaan van de feiten met de beperkte onderzoeksmogelijkheden die het kort geding hem biedt, aangezien formele bewijslevering in een dergelijke procedure in beginsel niet plaatsvindt. 4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat aan het vereiste van onverwijlde opzegging wegens de door de [gedaagde] aangevoerde dringende redenen, onder gelijktijdige mededeling van die redenen aan [eiseres], is voldaan. 4.4. Derhalve dient voorshands te worden beoordeeld of de door [gedaagde] aan het ontslag ten grondslag gelegde dringende redenen, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval, meebrengen dat van haar redelijkerwijs niet kon worden gevergd om de arbeidsovereenkomst met [eiseres] te laten voortduren. De sixpacks 4.5. Alhoewel vaststaat dat [eiseres] op 16 mei 2014 voor de tweede maal boodschappen is gaan doen bij [gedaagde] en bij de servicebalie wederom drie sixpacks Amstel Radler gratis heeft meegekregen, is deze omstandigheid blijkens de brief d.d. 28 mei 2014 waarin het ontslag op staande voet van 27 mei 2014 door [gedaagde] wordt bevestigd, niet aan de opzegging wegens dringende redenen ten grondslag gelegd. Ingevolge vaste jurisprudentie dient door de (kanton)rechter te worden getoetst of de omstandigheden die aan die dringende reden(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.