RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Strafrecht Rekestnummer : 13/1414 Beschikking van de enkelvoudige raadkamer van de rechtbank Limburg op het verzoekschrift ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering van: [verzoekster] , gevestigd te [adres], vertegenwoordigd door [naam], te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van zijn raadsman, mr. J. van Wijk, advocaat te Eindhoven, hierna te noemen: (de) verzoekster. 1De inhoud van het verzoekschrift Het verzoek strekt tot het toekennen van een vergoeding ten laste van de Staat ten bedrage van € 2.225,38 voor de kosten van een raadsman; € 550,00 voor de kosten van een raadsman met betrekking tot de indiening en behandeling van dit verzoekschrift; € 12,88 voor de reiskosten. De verzoekster stelt deze kosten te hebben gemaakt in het kader van het onderzoek in de klaagschriftprocedure met het rekestennummer 13/918 en de behandeling ervan in raadkamer. 2De procesgang Het verzoekschrift is op 24 oktober 2013 ter griffie van deze rechtbank ingediend. De rechtbank heeft op 14 januari 2014 de officier van justitie en de waarnemend raadsman van verzoekster, mr. M.F.A.M. Collart, kantoorgenoot van mr. van Wijk, in openbare raadkamer gehoord. De verzoekster is niet in raadkamer verschenen. 3De beoordeling 3.1 Het standpunt van de verzoekster De raadsman van verzoekster heeft gepersisteerd bij het reeds ingediende verzoekschrift. In de raadkamer heeft de raadsman verder aangevoerd dat voor het indienen en de behandeling van het verzoekschrift een standaardvergoeding van € 280,00 c.q. € 550,00 wordt gevraagd. Daarnaast heeft de raadsman opgemerkt dat er in de klaagschriftprocedure sprake was van een omvangrijk dossier. Gelet op de grote omvang van de zaak heeft mr. Van Wijk veel tijd aan de zaak moeten besteden. Het betrof geen standaard(beklag)zaak. Bij het toekennen van de standaardtarieven die cliënt in het kader van de klaagschriftprocedure heeft gemaakt blijft deze met een schadepost van ongeveer € 2.000 zitten. Dit is niet rechtvaardig nu de rechtbank het klaagschrift gegrond heeft verklaard. Ten slotte heeft de raadsman aangevoerd dat er namens cliënt meerdere malen bij het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) is verzocht om teruggave van de inbeslaggenomen auto. Hier is door het OM niet aan voldaan, omdat het OM zich op het standpunt heeft gesteld dat het beslag gehandhaafd diende te blijven. Gelet hierop heeft de verdediging zich genoodzaakt gezien om een klaagschrift tegen de inbeslagname in te dienen, tengevolge waarvan de nodige kosten zijn gemaakt. 3.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het verzoekschrift dient te worden afgewezen, subsidiair de verzochte kostenvergoeding dient te worden gematigd. De officier van justitie vraagt zich af waarom de raadsman geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid conform artikel 590, vijfde lid, Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Voornoemde bepaling biedt de mogelijkheid om in een klaagschriftprocedure tegelijkertijd een verzoek tot kostenvergoeding conform artikel 591a Sv in te dienen. Voorts merkt de officier van justitie op dat er standaardtarieven zijn vastgesteld voor de indiening en de behandeling van klaagschriften. Gelet op het voorgaande is het de officier van justitie niet duidelijk geworden waarom verzochte kostenvergoeding zo hoog is. 3.3 De beoordeling van de rechtbank 3.3.1 De bevoegdheid van de rechtbank en de ontvankelijkheid van het verzoek De rechtbank is bevoegd en het verzoekschrift is tijdig ter griffie ingediend. 3.3.2 De inhoudelijke beoordeling De kosten raadsman/raadsvrouw De rechtbank acht, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig om verzoekster een bedrag toe te kennen als vergoeding voor de kosten van een raadsman/raadsvrouw in het kader van de gegrond verklaarde beklagzaak ex artikel 552a Sv. De rechtbank is van oordeel dat de beklagzaken ex artikel 552a Sv juridisch eenvoudig van aard zijn en een vast stramien volgen. De rechtbank verwijst voor dit laatste naar de uitspraak van de Hoge Raad van 28 september 2010, LJN BL
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.